RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9232624 \ CV EXPL 21-17843 uitspraak: 15 oktober 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DGB Energie B.V., gevestigd te: Hardenberg, eiseres bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2021, gemachtigde: [naam gemachtigde] te [plaats 1] , tegen [gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam] , wonende en zaakdoende te: [plaats 2] , gedaagde, die in persoon procedeert. Partijen worden hierna aangeduid als [gedaagde] respectievelijk DGB. 1.Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken: het exploot van dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek, met productie; de conclusie van dupliek. 1.2. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast. 2.1. [gedaagde] drijft een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] aan de [adres] te Barendrecht (hierna: het leveringsadres). 2.2. Op 21 september 2020 hebben partijen een overeenkomst ten aanzien van de levering van gas en elektriciteit gesloten (hierna: de leveringsovereenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar. 2.3. In de leveringsovereenkomst staat - voor zover van belang- het volgende vermeld: “(…) Extra informatie Termijnbedrag: Het maandelijkse termijnbedrag is een indicatie op basis van het opgegeven verbruik dat mogelijk een schatting is. Dit termijnbedrag kan worden aangepast door de leverancier als zij het verbruik ontvangen van uw netbeheerder. (…)” 2.4. Op de leveringsovereenkomst zijn de algemene voorwaarden DGB Energie B.V van toepassing (hierna: ‘de algemene voorwaarden’). Art 21 van de algemene voorwaarden luidt -voor zover van belang- als volgt: “(…) 21.3 Heeft u een overeenkomst met een vaste einddatum en beëindigt u deze overeenkomst eerder dan de afgesproken einddatum? Dan kunnen wij u hiervoor een opzegvergoeding in rekening brengen. (…)” 2.5. In de Aanvullende voorwaarden DGB Energie B.V. voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers behorende bij de Algemene voorwaarden elektriciteit en gas aan kleinverbruikers 2017 (hierna: ‘de aanvullende voorwaarden’) staat het volgende vermeld: “Opzegvergoeding A3. De opzegvergoeding uit artikel 21.3 is voor een Consument afhankelijk van de duur van de overeenkomst en de resterende looptijd van de overeenkomst. (..) Zie onderstaande tabel voor de betreffende opzegvergoeding: resterende looptijdovereenkomst opzegvergoeding (..) (..) Minimaal 2,5 jaar € 125,00 2.6. DGB heeft op 24 september 2020 een bevestigingsbrief aan [gedaagde] gestuurd met daarbij de bevestiging leveringsovereenkomst energie (Gas/Elektra), de leveringsovereenkomst Energie (Gas/Elektra), de algemene voorwaarden DGB Energie B.V, de Voorwaarden compensatie opzegvergoeding DGB Energie B.V. en het formulier voor ontbinding/herroeping gevoegd. In die brief staat – voor zover hier van belang –: “(…) Na ongeveer één jaar weten wij uw daadwerkelijke verbruik over het betreffende jaar en wordt uw jaarnota opgesteld a.d.h.v. opgevraagde of uitgelezen meterstanden. (…) 2.7. In de bevestiging van de leveringsovereenkomst staat -voor zover van belang- het volgende vermeld: “(…) Uitgangspunt indicatie voorschot U dient er rekening mee te houden dat het berekende voorschotbedrag een indicatie is en het daadwerkelijke voorschot aan de hand van uw persoonlijk situatie kan afwijken. (…) Bedenktijd U heeft 14 dagen bedenktijd* vanaf de bevestigingsdatum van de leveringsovereenkomst Energie (Gas / Elektra). Binnen deze 14 dagen kunt u kosteloos, opzeggen via bijgevoegd |Formulier voor ontbinding/herroeping. * Dit geldt alleen voor kleinverbruik aansluitingen en is niet van toepassing wanneer u afstand heeft gedaan van de bedenktijd. (…)” 2.8. [gedaagde] heeft de leveringsovereenkomst op 21 november 2020 opgezegd. 2.9. DGB is op 27 november 2020 gestopt met de levering van elektriciteit en gas aan het leveringsadres. 2.10. [gedaagde] heeft de voorschotnota’s van 1 december 2020 voor de periode december 2020 voor de levering van elektriciteit en gas van respectievelijk € 153,95 en € 171,71 (inclusief btw) onbetaald gelaten. De uiterste betaaldatum van deze facturen was 19 december 2020. 2.11. DGB heeft op 2 december 2020 de eindnota’s voor de levering van elektriciteit en gas opgemaakt. Deze nota’s bedragen respectievelijk € 165,00 en € 166,58 (incl. btw). In beide eindnota’s is een bedrag van € 125,- opgenomen als “opzegvergoeding” en een bedrag van € 40,- (incl. btw) voor “totale aanmaningskosten”. Daarnaast is op het verschuldigde bedrag ingevolge de eindnota voor de levering van elektriciteit een bedrag van € 153,95 (incl. btw) aan “totaal betaalde voorschotten” in mindering gebracht en op het verschuldigde bedrag ingevolge de eindnota voor gas een bedrag van € 171,71 (incl. btw). De uiterste betaaldatum van deze facturen was 3 januari 2021. [gedaagde] heeft deze eindnota’s onbetaald gelaten. 2.12. DGB en haar gemachtigde hebben [gedaagde] in de periode van 14 december 2020 tot en met 8 april 2021 tot betaling gemaand. 3.De vordering 3.1. DGB heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen: tot betaling van een bedrag van € 657,24, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente met ingang van de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening; in de kosten van dit geding, met inbegrip van de ter zake bestaande gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en -voor het geval de betaling van de proceskosten niet binnen deze termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele betaling en met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de nakosten. 3.2. DGB heeft naast de hierboven onder 2. genoemde vaststaande feiten -zakelijk weergegeven - het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] is, ondanks daartoe te zijn aangemaand, tekortgeschoten in de nakoming van de met DGB gesloten leveringsovereenkomst door de voorschotnota’s van 1 december 2020 en de eindnota’s van 2 december 2020 onbetaald te laten. DGB vordert uit hoofde van nakoming van de overeenkomst een bedrag van in totaal € 657,24 aan hoofdsom. Naast dit bedrag vordert DGB primair op grond van artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente over het openstaande bedrag die, berekend vanaf de dag van verzuim tot en met 7 mei 2021 € 4,64 bedraagt. Subsidiair vordert DGB de wettelijke rente over dit bedrag op grond van artikel 6:119 BW. Voorts heeft zij een vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd van € 98,59 op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. 4.Het verweer 4.1. Volgens [gedaagde] is de leveringsovereenkomst door misleiding tot stand gekomen. [gedaagde] werd op 21 september 2020 gebeld door een callcentermedewerker die zich voordeed als iemand van een energiecollectief. De medewerker gaf aan dat [gedaagde] eerder via hen was overgestapt van energieleverancier en dat zijn maandelijkse energiekosten fors omlaag konden. De callcentermedewerker heeft een indicatie afgegeven voor de maandelijkse kosten van gas en elektriciteit van in totaal € 240,87. Omdat dit een forse besparing was voor [gedaagde] is hij akkoord gegaan. In november 2020 werd echter een totaalbedrag van € 324,66 van zijn rekening geïncasseerd. Dit bedrag was veel hoger dan de voorgehouden € 240,87. Deze automatische incasso heeft [gedaagde] weten te voorkomen. Door de uitspraken van de callcentermedewerker is [gedaagde] op het verkeerde been gezet. [gedaagde] heeft de overeenkomst daarom opgezegd. 4.2. DGB heeft twee aparte overeenkomsten opgemaakt en brengt twee maal een opzegvergoeding in rekening. De callcentermedewerker heeft niet meegedeeld dat er sprake zou zijn van een splitsing tussen elektriciteit en gas. 4.3. De facturen van 1 december 2020 hebben betrekking op het voorschotbedrag over de maand december 2020. Dit is onmogelijk omdat [gedaagde] de overeenkomst per 21 november 2020 heeft beëindigd. 4.4. [gedaagde] heeft wel degelijk verweer gevoerd in de buitengerechtelijke fase. Aan hem werd alleen meegedeeld dat hij moest betalen. 5.De beoordeling 5.1. Het geschil ziet op de vraag of [gedaagde] de in 2.10 en 2.11 genoemde voorschotnota’s en eindnota’s aan DGB verschuldigd is. Dwaling? 5.2. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat [gedaagde] een beroep heeft willen doen op de vernietigbaarheid van de leveringsovereenkomst wegens dwaling in de zin van artikel 6:228 sub a en of b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ingevolge die bepaling is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.