RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9277144 \ CV EXPL 21-20437 uitspraak: 17 december 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam, in de zaak van de stichting Stichting Havensteder, gevestigd in Rotterdam, eiseres, gemachtigde mr. M.M.J. Martinot te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende in [woonplaats] , gedaagde, gemachtigde mr. W.L. Bouritius te Den Haag. Partijen worden hierna aangeduid als ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’. 1.Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken: het exploot van dagvaarding 7 juni 2021, met producties; de conclusie van antwoord; het tussenvonnis van 9 augustus 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast; de op 2 november 2021 door Havensteder overgelegde aanvullende producties 12 en 13; de op 9 november 2021 door [gedaagde] overgelegde producties 1 en 2; de op 12 november 2021 door [gedaagde] overgelegde productie 3. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2021. Namens Havensteder is de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. Weisfelt, die namens zijn gemachtigde is verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen over en weer hun standpunten nader toegelicht waarbij mr. Weisfelt dit heeft gedaan aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is besproken. 1.3 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag. 2.De vaststaande feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten: 2.1 Tussen Havensteder en [gedaagde] bestaat sinds 11 juni 2019 een huurovereenkomst voor de sociale huurwoning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning). Het is een driekamerwoning gelegen in de wijk Vreewijk. Deze wijk is onderdeel van het Rotterdamse stadsdeel Feijenoord, dat is aangewezen als veiligheidsrisicogebied. 2.2 De huur van de woning is op dit moment € 648,34 per maand. 2.3 Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden 2019 van Havensteder van toepassing (hierna: ‘de algemene huurvoorwaarden’). In deze algemene huurvoorwaarden is - voor zover van belang - het volgende bepaald: “Artikel 8 Algemene verplichtingen van de huurder(…) 5. (…) Huurder gebruikt het gehuurde, waaronder begrepen alle aanhorigheden en de gemeenschappelijke ruimten, als een goed huurder en overeenkomstig hun bestemming en wijzigt deze bestemming niet (...).”. “Artikel 9 Opiumwet en andere criminele activiteiten 1. Huurder onthoudt zich in het gehuurde, in de gemeenschappelijke ruimten en/of delen daarvan dan wel in de directe omgeving van het gehuurde hennep of soortgelijke gewassen te (doen) kweken, te verhandelen dan wel voorhanden te hebben (voor een ander), dan wel te (laten) gebruiken en/of het gehuurde in te richten als hennepkwekerij, hennepdrogerij of hennepknipperij, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld.(…) 7. Indien huurder handelt in strijd met het bepaalde in dit artikel, is hij aan verhuurder een onmiddellijk opeisbare boete van € 2.500,- verschuldigd te vermeerderen met € 50,- per dag voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van €15.000,-, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding van de overeenkomst en/of schadevergoeding en/of huurderving te vorderen.” 2.4 Op maandag 20 april 2020 heeft de ex-vriendin van [gedaagde] aangifte gedaan van mishandeling. Naar aanleiding hiervan heeft de politie op 7 juli 2020 [gedaagde] aangehouden in de woning. Ook heeft de politie op dat moment de woning doorzocht. Van deze doorzoeking is op 16 juli 2020 een bestuurlijke rapportage opgesteld. In de bestuurlijke rapportage staat - voor zover nu van belang - het volgende vermeld: “(…)III Probleem/onderbouwing/knelpunten Op maandag 20 april 2020 werd door de ex-vriendin van [gedaagde] aangifte gedaan van mishandeling. Na onderzoek kwam vast te staan dat [gedaagde] aangemerkt kon worden als verdachte van deze mishandeling en werd door een Officier van Justitie de aanhouding buiten heterdaad van [gedaagde] gelast. Hierop ging politiepersoneel op dinsdag 7 juli 2020 naar de woning van [gedaagde] , gelegen aan de [adres] te Rotterdam. Na aanbellen weigerde [gedaagde] uit eigen beweging de deur te openen voor politiepersoneel. Hierop werd middels een zogenaamde "ram" de voordeur van de woning geforceerd. Omdat [gedaagde] niet mee wenste te werken aan zijn aanhouding, werd hij middels pepperspray in de woning onder controle gebracht. Vervolgens werd hij fysiek aangehouden en kon hij overgebracht worden naar een politiebureau. Politiepersoneel zag dat er tussen de kussens van een bankstel in de woning een aanzienlijke hoeveelheid bankbiljetten waren weggestopt. Tevens werd gezien dat er achter een radiator ook bundels met bankbiljetten waren weggestopt. Deze bundels waren verpakt in transparant folie. Het is politiepersoneel ambtshalve bekend dat deze manier van verpakken van geld, wordt gebruikt in het criminele circuit en dat daarmee wordt getracht om bijvoorbeeld te voorkomen dat zogenaamde "geldhonden" de hoeveelheden geld kunnen ruiken. Hierop werd de situatie in de woning "bevroren" en werd even later in opdracht van een Rechter-Commissaris gestart met de doorzoeking van de woning [adres] . Tijdens deze doorzoeking werden de volgende goederen aangetroffen: (…) - Achter de radiator van ruimte 1 een pakket in folie verpakt contant geld. Dit pakket werd in beslag genomen in verband met de verdenking witwassen. (…) - In en op een bank in ruimte twee een contant geldbedrag in bankbiljetten. Dit werd in beslag genomen in verband met de verdenking witwassen - Achter de radiator in ruimte 2 een tweetal pakketten in folie verpakt contant geld. Dit werd in beslag genomen in verband met de verdenking witwassen - In een ladekast in ruimte 3 werd een zak wit poeder aangetroffen. Omdat politiepersoneel het vermoeden had dat dit verdovende middelen betroffen, werd deze zak in beslag genomen in verband met een mogelijke overtreding van de Opiumwet.(…) - In een werkbank in ruimte 4 werd een zak met bruin poeder aangetroffen. Omdat politiepersoneel het vermoeden had dat dit verdovende middelen betroffen, werd deze zak in beslag genomen in verband met een mogelijke overtreding van de Opiumwet. In totaal bleek, na telling op het politiebureau, in de woning 36.940 euro contant in beslag genomen te zijn.(…) Onderzoek FO Voornoemde aangetroffen mogelijke verdovende middelen werden ter weging en monsterneming overgedragen aan de afdeling Forensische Opsporing van de politie, Eenheid Rotterdam. Onderzoek door de afdeling Forensische Opsporing leverde het volgende resultaat op: Goednummer omschrijving Nettogewicht (gram) Resultaat [goednummer 1] zak wit poeder 160,9 Fenacetine [goednummer 2] zak bruin poeder 872,2 cafeïne en paracetamol Een afschrift van een proces-verbaal van weging en monsterneming is aan deze rapportage toegevoegd. Het is ambtshalve bekend dat zowel Fenacetine, cafeïne als paracetamol door criminelen worden gebruikt om harddrugs zoals cocaïne en heroïne te versnijden en daarmee deze harddrugs te vermeerderen ten behoeve van de verkoop. De aanwezigheid van deze middelen duidt op voorbereidingshandelingen zoals genoemd in de Opiumwet. Daarmee wordt voldaan aan de uitbreiding van artikel 13b Opiumwet zoals deze sinds 1 januari 2019 van kracht is. Verhoor Tijdens het verdachtenverhoor van [gedaagde] verklaarde hij dat hij het contante geld voor zijn broer moest bewaren. (…) Ten aanzien van de aangetroffen zakken poeder verklaarde [gedaagde] dat het bruine poeder was om gaten in muren op te vullen. Het witte poeder zou hij gebruiken om een glinstering aan de witkalk toe te voegen die hij op de muur wilde smeren. Overlasthistorie pand [gedaagde] staat sinds 11 juni 2019 ingeschreven op het adres [adres] . Tussen 11 juni 2019 en heden zijn geen eerdere incidenten geregistreerd in de diverse politiesystemen met betrekking tot de woning [adres] te Rotterdam. Overlasthistorie betrokken personen In de diverse politiesystemen zijn de afgelopen vijf jaar 142 eerdere registraties vastgelegd ten aanzien van [gedaagde] . - In 2015 en 2016 werd [gedaagde] enkele keren gekoppeld aan het vermoeden van handel in verdovende middelen in Friesland (vijf registraties) - In 2016 en 2017 diverse registraties aangaande verlofverzoeken en openstaande signaleringen in verband met openstaande vonnissen. - Diverse aandachtsvestigingen waaronder eentje waar in staat vermeld dat er informatie is dat [gedaagde] jonge jongens verdovende middelen voor hem laat verkopen. - In 2017 werd hij aangehouden als verdachte van het rippen van een hennepkwekerij in Bloemhof - In 2018 werd hij tijdens preventief fouilleren in een horecagelegenheid aangetroffen in bijzijn van drie andere jongens. Bij dit viertal werd een schoudertas aangetroffen met daarin een revolver. Hij werd aangehouden. (…) IV Maatschappelijke urgentie (…)De Dordtsestraatweg is gelegen in de wijk Vreewijk in Rotterdam-Zuid. Dit betreft een uitermate gevoelig gebied door een aanzienlijk aantal geweldsincidenten en drugsdelicten in het afgelopen jaar. Sinds oktober 2014 is er vanuit de politie in Rotterdam-Zuid een SGBO (Staf Grootschalig Bijzonder Optreden) Ondermijning werkzaam. Het doel van dit SGBO is om ondergrondse geldstromen in kaart te brengen om zo crimineel vermogen te onderscheppen en via artikel 36E Wetboek van Strafrecht (Wederrechtelijk verkregen voordeel) en artikel 420 Wetboek van Strafrecht (Witwassen) te ontnemen. Daarbij is het gebied Feijenoord, waar genoemde straat onder valt, sinds 2015 Veiligheidsrisicogebied als gevolg van een hoog aantal geweldsincidenten waarbij gebruik werd gemaakt van (vuur)wapens. Momenteel is een vernieuwd aanwijzingsbesluit van kracht wat er voor zorgt dat geheel Feijenoord een Veiligheidsrisicogebied is tot 10 september 2020. V Aanbevelingen / Bestuurlijke aangrijpingspunten Wij adviseren de burgemeester van Rotterdam een bestuurlijke maatregel en/of officiële waarschuwing te geven ten aanzien van het pand aan de [adres] te Rotterdam om daarmee herhaling of voortzetting te voorkomen van bovengenoemde of soortgelijke Opiumwetgerelateerde incidenten.(…)”. 2.5 De Gemeente Rotterdam heeft schriftelijk op 18 augustus 2020 Havensteder en [gedaagde] geïnformeerd over haar voornemen om de woning te sluiten. 2.6 In reactie hierop heeft Havensteder op 19 augustus 2020 haar zienswijze ingediend. Op 31 augustus 2020 heeft ook [gedaagde] zijn zienswijze ingediend. 2.7 Bij besluit van 15 september 2020 heeft de burgemeester besloten de woning voor de duur van zes maanden te sluiten. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is afgewezen. [gedaagde] is tegen de beslissing op bezwaar in beroep gegaan. Op dit moment loopt de beroepsprocedure nog. 2.8 Vervolgens heeft [gedaagde] bij voorlopige voorziening verzocht om niet over te gaan tot sluiting van de woning. Dit verzoek is bij uitspraak van 16 oktober 2020 afgewezen. 2.9 De broer van [gedaagde] heeft op 1 oktober 2020 op grond van artikel 552 Sv. een klaagschrift ingediend. Het klaagschrift strekt tot teruggave van het bij [gedaagde] in beslag genomen geldbedrag van € 36.940,00. Het verzoek is bij beschikking van 15 april 2021 gegrond verklaard. In de beschikking staat voor zover van belang het volgende vermeld: “ Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat op de vorige zitting van 11 februari 2021 is toegezegd dat het Openbaar Ministerie onderzoek zal verrichten naar de onderliggende stukken en de verklaringen van de klager ten aanzien van de herkomst van het geldbedrag. Door een miscommunicatie is dit onderzoek nooit opgestart. Gelet hierop dient het geldbedrag aan de klager te worden teruggegeven.” 2.10 Op 21 oktober 2020 is de woning voor de duur van zes maanden gesloten. 2.11 Havensteder heeft [gedaagde] bij brief van 24 november 2020 medegedeeld dat zij de huurovereenkomst niet langer voort wil zetten. Zij heeft [gedaagde] verder laten weten dat hij de woning na opheffing van de sluiting leeg dient op te leveren. 2.12 Bij brief van 14 april 2021 heeft Havensteder aan [gedaagde] medegedeeld dat het niet de bedoeling is dat hij, na het opheffen van de sluiting, weer in de woning gaat wonen. Zij heeft hem de mogelijkheid gegeven om de sleutels van de woning bij de gemeente op te halen om zo de woning te kunnen ontruimen. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. 2.13 De gemachtigde van Havensteder heeft bij brief van 5 april 2021 aan [gedaagde] medegedeeld dat zij een gerechtelijke procedure zal starten. 2.14 [gedaagde] heeft medio april 2021 weer toegang tot de woning gekregen; sindsdien woont hij weer in de woning. 3.De vordering 3.1 Havensteder vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de tussen partijen gesloten huurovereenkomst voor de woning met onmiddellijke ingang, althans op een door de kantonrechter te bepalen datum te ontbinden; [gedaagde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, dan wel op een door de kantonrechter te bepalen datum, de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Havensteder zijn, en onder afgifte van alle sleutels, ter vrije en algehele beschikking van Havensteder te stellen; [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis, aan Havensteder te betalen een bedrag van € 2.500,00, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag tot de dag van volledige betaling; [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2 Aan haar vordering heeft Havensteder naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang - het volgende ten grondslag gelegd. 3.2.1 [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkomingen luiden als volgt: 1. In de woning van [gedaagde] zijn drugsgerelateerde zaken en middelen aangetroffen die waren bestemd voor het produceren van en/of handelen in drugs. In een ladekast in de woning is een grote hoeveelheid fenacetine aangetroffen en in een werkbank in de berging van de woning werd een grote hoeveelheid paracetamol en cafeïne aangetroffen. De stoffen zijn in poedervorm en verpakt in zakken aangetroffen. Van deze stoffen is bekend dat zij als versnijdingsmiddel bij de productie van en verkoop van bij de Opiumwet verboden middelen worden gebruikt. Ook is een groot contant geldbedrag aangetroffen, verpakt in diverse bundels in transparante folie. De bundels waren verstopt in de woning, onder andere achter een radiator en tussen de kussens van de bank. Het in folie verpakken van geld is een binnen het criminele circuit veel gebruikte manier om te voorkomen dat geldspeurhonden de bankbiljetten ruiken. [gedaagde] heeft antecedenten op het gebied van drugs c.q. het overtreden van de Opiumwet. Een en ander maakt dat [gedaagde] zich bewust heeft beziggehouden met drugsgerelateerde activiteiten. [gedaagde] heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel 9.1 van de algemene huurvoorwaarden. 2. Door zaken en middelen in de woning aanwezig te hebben met als doel drugs te produceren en te/of te verhandelen en daarmee de Opiumwet te overtreden heeft [gedaagde] zich niet als goed huurder gedragen. Daarmee heeft hij in strijd met artikel 8.5 van de algemene huurvoorwaarden en artikel 7:213 BW gehandeld. 3. [gedaagde] heeft de woning bedrijfsmatig gebruikt door daar middelen voor het versnijden en verhandelen van drugs te houden. Daarmee heeft hij de bestemming van de woning gewijzigd en in strijd gehandeld met artikel 7:214 BW. 3.2.2 [gedaagde] is op grond van artikel 9.7 van de algemene huurvoorwaarden een boete van € 2.500,00 aan Havensteder verschuldigd. Havensteder hanteert deze boetebepaling om huurders ervan te weerhouden dat zij zich met druggerelateerde activiteiten inlaten. Het hanteren van een dergelijke boetebepaling is niet onredelijk en niet oneerlijk. 3.2.3 Havensteder voert een zerotolerancebeleid ten aanzien van (handel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.