RECHTBANK ROTTERDAM Jeugdrecht Zaaknummer: C/10/613185 / JE RK 21-367 Datum uitspraak: 23 februari 2021 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de GI, betreffende [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2018 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.L. Witteveen, te Rotterdam, [naam vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats vader] , advocaat: mr. R.W. de Gruijl, te Rotterdam, [naam pleegouder 1] en [naam pleegouder 2] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek met bijlagen van de GI van 11 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 11 februari 2021; - een tweetal producties van mr. Witteveen van 17 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 18 februari
- Op 23 februari 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: - namens de moeder, mr. Witteveen; - een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] . Opgeroepen en niet verschenen zijn: - de moeder;- de vader en mr. De Gruijl, met bericht van afwezigheid;- de pleegouders. De feiten Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin. Bij beschikking van 24 april 2018 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 24 augustus
- De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 augustus 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 februari
- Het verzoek De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van twee maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De GI is bezig met het terugplaatsingstraject van [voornaam minderjarige] bij de moeder. Vandaag is [voornaam minderjarige] voor het eerst een hele dag bij de moeder thuis. Dit is sneller dan verwacht. Volgende week wordt dit herhaald. Op 3 maart 2021 zal een evaluatie plaatsvinden en zal gekeken worden welke stappen nog nodig zijn voor een terugplaatsing bij de moeder. Ook neemt de GI dan, in overleg met een gedragswetenschapper, het kernbesluit. ASVZ biedt begeleiding aan de moeder. De verwachting is dat het geen twee maanden meer zal duren, voordat [voornaam minderjarige] wordt teruggeplaatst, maar de GI wil voorkomen dat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing nodig is. Elke stap in het terugplaatsingstraject moet zorgvuldig gebeuren. Het standpunt van de moeder Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat de moeder er vertrouwen in heeft dat het goed komt. Verzocht wordt de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een maand te verlengen om zodoende de moeder duidelijkheid te bieden en de vaart erin te houden. De moeder is van mening dat een verlenging van twee maanden te lang is en zijn weerslag heeft op [voornaam minderjarige] . ASVZ is tot zover erg positief over de omgangsmomenten. Het huidige pleeggezin heeft aangegeven als weekendpleeggezin betrokken te willen blijven. [voornaam minderjarige] zal sneller wennen bij de moeder als de thuisplaatsing snel verloopt. De beoordeling Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek. [voornaam minderjarige] verblijft sinds juli 2019 in een pleeggezin. Uit het onderzoek door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) van april 2020 is gebleken dat er mogelijkheden worden gezien om [voornaam minderjarige] thuis te plaatsen bij de moeder. De afgelopen periode is daarom Video Interactie Begeleiding (VIB-G) ingezet dat gericht is op de hechting tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . Uit de evaluatie van het VIB-G traject is voldoende verbetering gezien om het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige] verder uit te breiden. De contactregeling is begin dit jaar uitgebreid naar wekelijks een bezoek bij de moeder thuis, begeleid door een hulpverlener van ASVZ of Pleegzorg. Hierbij ontvangt de moeder opvoedondersteuning. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak, op 23 februari 2021, is [voornaam minderjarige] voor het eerst een hele dag bij de moeder thuis. Op 3 maart 2021 wordt, in overleg met een gedragswetenschapper, een kernbesluit genomen of [voornaam minderjarige] wordt thuisgeplaatst bij de moeder. Het is belangrijk dat het terugplaatsingstraject heel zorgvuldig gebeurt, om het risico op terugval - en daarmee mogelijke schade aan [voornaam minderjarige] - te voorkomen. Anders dan de advocaat van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat de lijn, die de GI voor ogen heeft, voortgezet dient te worden, waarbij zorgvuldig en zonder tijdsdruk wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van twee maanden. Dit betekent niet dat [voornaam minderjarige] niet eerder teruggeplaatst kan worden bij de moeder, als dit door de GI verantwoord wordt geacht. De beslissing De kinderrechter: verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 april 2021; verklaart de beslissing tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 4 maart
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.