← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:2371

Rechtbank Rotterdam Team insolventie toepassing schuldsaneringsregeling insolventienummer: [Nummer] uitspraakdatum: 17 februari 2021 [naam] [adres] [woonplaats] , verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 7 augustus 2020. De zaak op 12 augustus, 30 september en 16 november 2020 pro forma aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen een nihilstelling van zijn alimentatieverplichting in Letland aan te vragen en te verkrijgen. Bij brief 1 februari 2021 heeft verzoeker de rechtbank verzocht de zaak opnieuw aan te houden omdat hij nog geen beslissing op het verzoek tot nihilstelling van de rechtbank in Riga heeft ontvangen. De uitspraak is bepaald op heden. 2De beoordeling Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een maandelijks oplopende schuld heeft op grond van een uitspraak van de Letse rechter, die hem verplicht alimentatie te voldoen ten behoeve van zijn minderjarige dochter die met zijn voormalig partner in Letland woont. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen een verzoek tot nihilstelling aan de rechtbank in Riga, te Letland te doen toekomen en de beslissing daarop te kunnen afwachten. Verzoeker heeft zijn nihilstellingsverzoek (van 20 september 2020) aan de Letse rechtbank op 25 september 2020 aan de rechtbank overgelegd. Op 1 februari 2021 heeft verzoeker de rechtbank bericht dat de rechtbank in Riga heeft nog geen beslissing genomen op het verzoek en dat het niet bekend is op welke termijn dit zal gebeuren. Gelet op de inspanning van verzoeker een nihilstelling bij de Letse rechter te verkrijgen, oordeelt de rechtbank dat de oplopende alimentatieschuld onvoldoende grond is voor afwijzing van het verzoek strekkende toelating tot de wettelijke schuldsanering. Het verzoekschrift voldoet immers aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. De overige schulden op de schuldenlijst staan ook niet aan toelating in de weg. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat, als de bevoegde rechter kennis neemt van het verzoek tot nihilstelling van schuldenaar, de alimentatieverplichting, zo mogelijk met terugwerkende kracht, op nihil zal worden gesteld. Immers, in zijn uitspraak van 14 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD7589) heeft de Hoge Raad overwogen, kort gezegd, dat moet worden aangenomen dat een schuldenaar gedurende de tijd dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verzoeker zich blijft inspannen om de nihilstelling, bij voorkeur met terugwerkende kracht, bij de rechtbank in Riga te verkrijgen. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt. 3De beslissing De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [naam] geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Letland), wonende te [adres] , [woonplaats] ; - benoemt tot rechter-commissaris mr. W.J. Roos- Van Toor en tot bewindvoerder M. den Uil, gevestigd te Nieuw-Lekkerland, Postbus 6, 2957 ZG ; - kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van mr. R.S.S. Huizinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.