Rechtbank Rotterdam Team insolventie toepassing schuldsaneringsregeling insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 23 maart 2021 [naam] , [adres] [woonplaats] , verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 16 maart 2021. De uitspraak is bepaald op heden. 2De beoordeling Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Op de schuldenlijst staan vorderingen, die zijn ontstaan binnen de vijfjaarstermijn, waaronder een schuld aan het CJIB, de Belastingdienst en Pinokkio Kinderdagverblijf. Wat daarvan ook zij, deze schulden zijn in beginsel niet allen te goeder trouw ontstaan, en staan aan toelating in de weg. Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Verzoekster heeft aangetoond aan haar inspanningsplicht te voldoen. Bovendien kent verzoekster de verplichtingen uit de WSNP en is zij voldoende gemotiveerd om deze na te komen. Gelet op bovenstaande is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat verzoekster de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Om die reden wordt verzoekster toch toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Ter zitting is de vraag besproken of verzoekster mogelijk slachtoffer is geworden van de Kinderopvangtoeslagaffaire vanwege een aanzienlijke kinderopvangtoeslagschuld op de schuldenlijst. Schuldhulpverlening en verzoekster hebben ter zitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of hiervan sprake is, en of en in welke mate de crediteuren zouden profiteren van een dergelijke situatie. Is hiervan sprake, dan dient zij zich bij de Belastingdienst aan te melden om aanspraak te maken op een schadevergoeding. Vast staat dat een eventuele schade-uitkering in het kader van de toeslagenaffaire bij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de boedel valt. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt. 3De beslissing De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [naam] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ; - benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen, en tot bewindvoerder mr. J. Perez Herrera, gevestigd te Postbus 2, 3214 ZG Zuidland; - kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. T. Mulder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.