RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8917547 CV EXPL 20-44982 uitspraak: 9 april 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van: de naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, eiseres, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, die in persoon procedeert. Partijen worden hierna aangeduid als ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’. 1.Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 3 december 2020, met producties; de conclusie van antwoord, bestaande uit de aantekeningen van de griffier ter rolzitting; de conclusie van repliek, met producties; de conclusie van dupliek. Het vonnis is nader bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast. 2.2 [gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [gedaagde] premie, eigen risico, eigen bijdrage en eventueel niet voor vergoeding in aanmerking komende maar wel voorgeschoten zorgkosten verschuldigd. 3.Het geschil 3.1 VGZ vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan VGZ van een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom vanaf 3 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de btw. 3.2 VGZ legt nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst ten grondslag. [gedaagde] is gehouden om premie en eventueel voorgeschoten maar niet voor vergoeding in aanmerking komende zorgkosten te betalen. [gedaagde] heeft niet aan deze verplichting voldaan voor het eigen risico dat verschuldigd is geworden voor kosten voor farmacie, hulpmiddelen en ziekenhuishulp in 2018 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.