RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8997406 VV EXPL 21-41 uitspraak: 24 februari 2021 vonnis in kort geding ex artikel 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats eiser], eiser bij exploot van dagvaarding van 2 februari 2021, gemachtigde: mr. J. Slager, tegen de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. S.A. den Engelsen. Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Woonstad”. 1. Het verloop van de procedure De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de aanvullende producties van [eiser] d.d. 9 februari 2021; de fax van Woonstad d.d. 9 februari 2021, inhoudende een voorwaardelijke eis in reconventie; de pleitaantekeningen van [eiser]; de pleitnota van Woonstad, inhoudende een gewijzigde voorwaardelijke eis in reconventie. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn boekhouder en bijgestaan door de gemachtigde. Namens Woonstad zijn verschenen [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door de gemachtigde. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2. De vaststaande feiten In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1 [eiser] huurt van Woonstad vanaf 1 november 2014 een bedrijfsruimte met dienstwoning aan de [adres 1] en [adres 2] (hierna: het gehuurde). [eiser] exploiteert een theehuis in de bedrijfsruimte met de naam “[naam theehuis]”. [eiser] is woonachtig in de woonruimte. 2.2 Woonstad heeft per brief van 29 mei 2019 aan [eiser] de huurovereenkomst opgezegd, wegens dringend eigen gebruik in de zin van artikel 7:296 lid 1 sub b BW en wegens artikel 7:296 lid 3 BW. 2.3 Bij dagvaarding van 30 december 2019 heeft Woonstad jegens [eiser] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Rotterdam. Daarin heeft Woonstad gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de bedrijfsruimte en de woonruimte te beëindigen per 31 mei 2020 en [eiser] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 2.4 In die procedure is onder zaaknummer 8255528 CV EXPL 20-1108 eindvonnis gewezen op 18 december 2020. De kantonrechter heeft bepaald dat de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen op 1 maart 2021 en heeft [eiser] veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 1 maart 2021 te ontruimen en te verlaten. Verder is Woonstad veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Ten aanzien van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring heeft de kantonrechter het volgende overwogen: “Woonstad heeft verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu [eiser] op dit punt geen verweer heeft gevoerd en voldoende is gebleken is dat er sprake is van een groot belang van Woonstad bij (spoedige) beëindiging van de huurovereenkomst, zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard” (r.o. 2.17). 2.5 [eiser] gaat tegen het vonnis van 18 december 2020 hoger beroep instellen. 2.6 In de brief d.d. 21 januari 2021 van de gemachtigde van [eiser] aan Woonstad staat onder meer het volgende: “(…) U deelde onder meer mede dat de funderingswerkzaamheden in de straat waarin zich het door cliënt gehuurde bevindt, opschieten en dat de aannemer begin maart 2021 toe zal komen aan de funderingswerkzaamheden onder de door cliënt gehuurde bedrijfsruimte. (…) Cliënt realiseert zich dat de funderingswerkzaamheden uitgevoerd zullen moeten worden. Dit ongeacht de uitkomst van de nog te starten hoger beroepsprocedure. Het is om deze reden dat cliënt bereid is af te spreken dat de door uw cliënte ingeschakelde aannemer op zeer korte termijn kan starten met de funderingswerkzaamheden onder de door cliënt gehuurde bedrijfsruimte. (…). Cliënt stelt hieraan aan de voorwaarde dat hij na het uitvoeren van de funderingswerkzaamheden kan terugkeren in de bedrijfsruimte en de exploitatie van het theehuis aldaar kan voortzetten. Verder stelt cliënt als voorwaarde dat hij in de woonruimte kan blijven wonen. Cliënt verblijft momenteel ook in de betreffende woonruimte”. 2.7 Woonstad heeft aangekondigd dat zij op 3 maart 2021 tot ontruiming van het gehuurde zal overgaan en heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld ter voorkoming van een gedwongen ontruiming het gehuurde vrijwillig te verlaten. 3. Het geschil 3.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bevelen dat Woonstad niet mag overgaan tot executie van het vonnis tussen partijen gewezen door de kantonrechter te Rotterdam op 18 december 2020 (zaaknummer: 8255528 / CV EXPL 20-1108) en de tenuitvoerlegging van het betreffende vonnis te schorsen zolang het vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan; II. te bepalen dat Woonstad aan [eiser] een dwangsom dient te betalen van € 50.000,- indien Woonstad overgaat tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 december 2020; III. Woonstad te veroordelen in de kosten van dit geding, alsook in de nakosten. 3.2 Woonstad heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. 3.3 De gewijzigde voorwaardelijke reconventie luidt: 1. [eiser] te veroordelen om te gedogen en zijn medewerking eraan te verlenen dat Woonstad, dan wel een door Woonstad in te schakelen derde, de fundering van het pand gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] herstelt; 2. Indien [eiser] weigert om de herstelwerkzaamheden aan de fundering te gedogen en daaraan zijn medewerking te verlenen, [eiser] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit kort geding vonnis het pand gelegen aan de [adres 1] en [naam theehuis] tijdelijk en /of gedeeltelijk te ontruimen en verlaten, met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonstad zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstad te stellen zo lang dit noodzakelijk is om het funderingsherstel uit te voeren; 3. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 3.4 [eiser] heeft verweer gevoerd tegen de voorwaardelijke eis in reconventie. 3.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling In conventie 4.1 De ontruiming is gepland op 3 maart 2021. De spoedeisendheid van de zaak is daarmee gegeven. 4.2 De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 december 2020, voor zover het de veroordeling tot ontruiming van de bedrijfsruimte en de woonruimte betreft, op de voet van artikel 438 lid 2 Rv moet worden geschorst totdat op het door [eiser] tegen dat vonnis in te stellen hoger beroep is beslist. 4.3 Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt in een executiegeschil het volgende. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van voormelde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel dient daarbij in beginsel buiten beschouwing te blijven. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.