← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:3645

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8770129 CV EXPL 20-4517 uitspraak: 18 februari 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , kantoorhoudende te [plaatsnaam] , eiser, die procedeert in persoon, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, die procedeert in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

  1. Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 28 augustus 2020, met producties; het herstelexploot van 15 september 2020 de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] , met producties; de conclusie van repliek, met producties; de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] . De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
  2. De vaststaande feiten 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast. 2.2 [eiser] heeft als advocaat aan [gedaagde] juridische bijstand verleend uit hoofde van een overeenkomst van opdracht. [eiser] heeft de volgende opdrachtbevestigingen aan [gedaagde] verzonden: opdrachtbevestiging 9 januari 2015 voor beëindiging samenleving; opdrachtbevestiging 16 maart 2015 voor vordering wederpartij € 5.000,-; opdrachtbevestiging 13 april 2015 voor beëindiging arbeidsovereenkomst; opdrachtbevestiging 17 juni 2015 voor kinderbijdrage; opdrachtbevestiging 25 januari 2016 voor hoger beroep vordering wederpartij € 5.000,-. 2.3 Voor de juridische diensten in 2015 is een honorarium van € 199,75 per uur in rekening gebracht en in 2016 € 202,50 per uur exclusief 5% kantoorkosten, btw (thans 21%) en verschotten. 2.4 [eiser] heeft [gedaagde] de navolgende facturen toegezonden voor de juridische bijstand: factuur d.d. 5 februari 2015, betreft beëindiging samenleving ad € 862,86; factuur d.d. 27 april 2015, betreft vordering wederpartij ad € 1.192,78; factuur d.d. 17 september 2015, betreft verweer kinderbijdrage ad € 1.040,52; factuur d.d. 14 oktober 2015, betreft verweer kinderbijdrage ad € 285,-; factuur d.d. 8 april 2016, betreft beëindiging arbeidsovereenkomst ad € 862,86; factuur d.d.14 april 2016, betreft hoger beroep vordering wederpartij ad € 314,-; factuur d.d. 16 oktober 2016, betreft verweer kinderbijdrage ad € 2.999,18; factuur d.d. 2 november 2017, betreft vordering wederpartij ad € 1.497,33; factuur d.d. 22 mei 2018, betreft beëindiging samenleving ad € 2.233,29; factuur d.d. 20 juli 2018, betreft beëindiging samenleving ad € 2.084,16; factuur d.d. 11 september 2018, betreft hoger beroep vordering wederpartij ad € 1.878,11; factuur d.d. 30 oktober 2018, betreft hoger beroep vordering wederpartij ad € 2.161,12; factuur d.d. 29 januari 2019, betreft hoger beroep vordering wederpartij ad € 2.010,
  3. Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld: I. om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 16.560,62 te betalen; II. om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de wettelijke rente te betalen over de bedragen van de openstaande declaraties vanaf de datum van opeisbaarheid, tot aan de dag van algehele voldoening; III. tot betaling van de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2 [eiser] legt nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht voor juridische dienstverlening aan zijn vordering ten grondslag. De facturen zijn tot een bedrag € 16.560,62 onbetaald gelaten ondanks meerdere betalingsverzoeken door [eiser] . 3.3 [gedaagde] heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en voert aan dat hij op 3 februari 2017 is overgestapt naar een andere advocaat. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de gevorderde facturen. Hij heeft alle facturen van [eiser] betaald. [gedaagde] voert aan dat hij tot aan de dagvaarding geen betalingsherinnering van [eiser] heeft ontvangen. Op het adres [adres] woont zijn vader. [gedaagde] is in februari 2020 verhuisd.
  4. De beoordeling 4.1 [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij de aan [eiser] verschuldigde facturen heeft voldaan. Ter onderbouwing daarvan heeft hij bankafschriften overgelegd. [eiser] heeft in reactie hierop toegelicht dat hij alle betalingen van [gedaagde] , minus de betalingen die dubbel zijn overgelegd, met de betalingsachterstand heeft verrekend waarna er nog een bedrag van € 16.520,62 aan hoofdsom resteert. Door [gedaagde] is verder niet gesteld noch is anderszins gebleken dat hij de openstaande facturen heeft voldaan. Dit verweer wordt dan ook verworpen. 4.2 De kantonrechter begrijpt voorts dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij de facturen niet verschuldigd is, omdat hij uit onvrede over de diensten van [eiser] op 3 februari 2017 is overgestapt naar een andere advocaat en dat die advocaat van [eiser] had vernomen dat er geen facturen meer open stonden.. [eiser] stelt daarentegen dat hij geen bericht heeft ontvangen van een andere advocaat die zijn dienstverlening aan [gedaagde] heeft overgenomen en dat hij ook in 2017 juridische diensten voor [gedaagde] heeft verricht. Gelet op de betwisting van [eiser] had het op de weg van [gedaagde] gelegen om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit opgemaakt kan worden dat [eiser] na januari 2017 geen juridische diensten meer voor hem heeft verricht vanwege zijn overstap en dat zijn nieuwe advocaat van [eiser] had vernomen dat alle facturen van [eiser] waren voldaan. [gedaagde] heeft zijn stelling echter met geen enkel bewijsstuk onderbouwd, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [gedaagde] daadwerkelijk is overgestapt naar een andere advocaat. Onder deze omstandigheden moet aan deze onvoldoende onderbouwde stelling dan ook voorbij worden gegaan. 4.3 Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat hij de facturen niet verschuldigd is doordat hij geen facturen en betalingsherinneringen heeft ontvangen, gaat dit niet op. [eiser] heeft in zijn conclusie van repliek gesteld dat alle brieven zijn verzonden naar het door [gedaagde] opgegeven adres. Het is de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om bij een verhuizing zijn nieuwe adres door te geven. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aan [eiser] zijn nieuwe adres heeft doorgegeven. Dit betekent dat [gedaagde] het aan zichzelf te wijten heeft dat hij niet op de hoogte was van facturen en aanmaningen. Overigens valt op dat uit de door [eiser] overgelegde uitdraai van de BRP volgt dat [gedaagde] op 18 oktober 2019 nog stond ingeschreven op het adres [adres] waar op 11 april 2017, 20 juni 2017, 11 juli 2017 en 25 juni 2019 betalingsherinneringen naartoe zijn gestuurd. De stelling van [gedaagde] dat zijn vader daar woont, maakt het voorgaande niet anders. 4.4 Nu uit hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd en/of overgelegd niet kan worden afgeleid dat hij de door [eiser] gevorderde facturen heeft voldaan, zal worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eiser] en ligt het gevorderde bedrag van € 16.5260,62 voor toewijzing gereed. 4.5 De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd. 4.6 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aan [eiser] komt echter geen salaris voor de gemachtigde toe, nu hij voor zichzelf optreedt.
  5. De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.520,62 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf de respectieve data van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 499,- aan griffierecht en € 86,85 aan dagvaardingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening; en indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 124,- aan salaris, en een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 35789

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.