Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/265152-20 Datum uitspraak: 15 april 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2021. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie, mr. H.H. Balk, heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit; (primair) veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege; (subsidiair) veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. 4.Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het opzet op de diefstal met geweld ontbreekt. Daarnaast bevat de verklaring van de aangever enkele tegenstrijdigheden en wordt de aangifte niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Met betrekking tot het DNA van de verdachte dat is aangetroffen op het handvat van het vleesmes, is aangevoerd dat de verdachte dit mes heeft gepakt om zich te verdedigen. 4.1.2. Beoordeling door de rechtbank Vast staat dat de verdachte op 18 oktober 2020 in de woning van de aangever is geweest. De verdachte en de aangever hadden via een datingsite meerdere berichten met elkaar uitgewisseld, waarna de afspraak is gemaakt dat de verdachte naar de woning van de aangever zou komen. Over wat er is gebeurd nadat de aangever de verdachte zijn woning had binnen gelaten, lopen de lezingen uiteen. De verdachte heeft ter terechtzitting een zogenaamd alternatief scenario aangevoerd. Hij heeft verklaard dat hij de aangever heeft geduwd, omdat de aangever hem probeerde te zoenen. Tevens heeft de verdachte een brillenkoker uit de binnenzak van zijn jas gepakt om de aangever daarmee af te schrikken en op afstand te houden, omdat hij de aangever opdringerig vond. De verdachte heeft uit paniek een klein mesje uit de keuken van de aangever gepakt om zichzelf te verdedigen. Dit mesje heeft de aangever van hem afgepakt, waarna de verdachte een groter mes heeft gepakt om zichzelf opnieuw te kunnen verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat hij geen spullen uit de woning van de aangever heeft meegenomen. Ten aanzien van de pet van de aangever die bij de verdachte is aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij deze die middag van de aangever cadeau heeft gekregen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de diefstal met (bedreiging met) geweld heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De aangever heeft verklaard dat de verdachte naar zijn jas liep en hieruit een koker pakte. Vervolgens is de verdachte naar de aangever gelopen, heeft deze koker voor zich uitgestoken en op de aangever gericht. Op dreigende toon heeft de verdachte gezegd dat hij € 200,- van de aangever wilde hebben. Vervolgens liet de verdachte de koker vallen, pakte een mes uit de keuken en dreigde met dat mes. Toen de aangever het mes afpakte, verwondde de aangever zich aan zijn linkerhand. Hierop pakte de verdachte een ander groter mes uit de keuken en trok een kast open op zoek naar spullen. Ook is de aangever door de verdachte geduwd. De verdachte heeft verschillende goederen uit zijn woning weggenomen, te weten een kluisje met daarin een bankpas, een geldbedrag van € 70,- en een pet. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Wanneer de politie - kort na het telefoontje van de aangever die vrijwel direct na het incident de politie heeft gebeld – naar de woning komt treft zij de aangever met een bebloede hand op straat aan. De aangever was op dat moment erg aangedaan. Verder ziet de politie in de woning van de aangever twee messen met daarop bloed op de tafel liggen. Tevens worden op diverse plekken bloedspetters op de grond aangetroffen. De aangetroffen messen zijn bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen. Uit het NFI-rapport is gebleken dat het aangetroffen DNA op het handvat van het vleesmes matcht met het DNA-profiel van de verdachte. De rechtbank acht de verklaring van de aangever, anders dan de verdediging heeft betoogd, betrouwbaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de verdediging naar voren gebrachte inconsequenties in de verklaring van de aangever dusdanig van ondergeschikte aard dat deze geen afbreuk doen aan hetgeen de aangever heeft verklaard met betrekking tot de kern van het verwijt. De raadsman heeft ter zitting nog aangevoerd dat de verklaring van de aangever minder betrouwbaar is, omdat de aangever begeleid woont en hulp van Pameijer krijgt. Dergelijke ongefundeerde conclusies zijn niet alleen ongepast en onnodig grievend, maar zijn evenmin van enige toegevoegde waarde om bij dit juridisch debat naar voren te brengen. Met betrekking tot de verklaringen van de verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de politie heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de pleitnota van de raadsman die is ingediend ten behoeve van de terechtzitting van 3 februari 2021 is het standpunt ingenomen dat de verdachte van 16 oktober 2020 tot en met 19 oktober 2020 zijn telefoon had uitgeleend, dat misbruik is gemaakt van zijn telefoon en de daarop opgeslagen afbeeldingen en dat hij niet in de woning van de aangever is geweest. De pet die de verdachte bij zijn aanhouding droeg had hij van een kennis gekregen wiens naam hij niet wilde noemen. Pas wanneer de resultaten van het DNA-onderzoek aan het dossier worden toegevoegd komt de verdachte op de onderhavige terechtzitting met het geschetste alternatieve scenario. De aanloop naar de totstandkoming van deze laatste eerst ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte maakt dat de rechtbank onvoldoende geloof hecht aan deze verklaring. Deze verklaring legt de rechtbank dan ook als onaannemelijk terzijde. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 18 oktober 2020 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict] een kluis en bankpas en pet en 70 euro toebehorende aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door (dreigend) een koker en messen aan die [naam slachtoffer] te tonen/voor te houden en op die [naam slachtoffer] te richten en (daarbij) die [naam slachtoffer] te duwen en (daarbij) aan die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Ik wil 200 euro van je". Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging. 5.Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. 5.1. Strafbaarheid 5.1.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken [de rechtbank begrijpt ontslag van alle rechtsvervolging], nu hij heeft gehandeld uit noodweer. 5.1.2. Beoordeling Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een aanranding die ogenblikkelijk en wederrechtelijk is en die gericht is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigingsmiddel geboden moeten zijn. Allereerst dient daarvoor te worden beoordeeld of de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht aannemelijk is geworden. Zoals reeds hiervoor onder rechtsoverweging 4.1.2 is overwogen vindt de verklaring van de verdachte omtrent de gebeurtenissen in de woning geen steun in het dossier en is deze verklaring ook overigens niet aannemelijk geworden. Nu op geen enkele wijze is vast komen te staan dat sprake is geweest van een noodweersituatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging, wordt het beroep op noodweer verworpen. 5.1.3. Conclusie Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7.Motivering straf en maatregel 7.1. Algemene overweging De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval. De verdachte heeft daarbij misbruikt gemaakt van het door hem opgewekte vertrouwen van het slachtoffer. Het slachtoffer wist niet beter dan dat hij een romantische date met de verdachte zou hebben en heeft hem zijn woning – een plek waar je je bij uitstek veilig moet kunnen voelen – binnengelaten. Hierna heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd met een koker en met messen. Tevens heeft hij het slachtoffer geduwd. De verdachte heeft hierdoor een dreigende en een beangstigende situatie gecreëerd voor het slachtoffer. Er zijn vervolgens door de verdachte verschillende goederen weggenomen uit de woning van het slachtoffer, te weten: een kluis, een bankpas, een pet en een geldbedrag. Het behoeft geen betoog dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van dat wat hen is overkomen. Blijkens de slachtofferverklaring wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages en verklaringen van deskundigen GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog] (hierna: psycholoog) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 6 januari 2021. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in. Er is sprake geweest van meerdere psychotische episodes sinds 2011. Bij de GGZ-instelling waar de verdachte tussen 2011 en 2016 in behandeling was, werd de diagnose schizofrenie vastgesteld, waarbij wel werd aangegeven dat differentiaal diagnostisch ook sprake kan zijn van een psychotische stoornis door een middel. Deze (differentiaal) diagnose wordt ook nu overgenomen. Daarnaast is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in middelengebruik (met name cannabis en speed, in remissie door het (langdurige) verblijf in een gereguleerde omgeving) en wordt differentiaal diagnostisch een verstandelijke beperking (licht) gesteld. Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde psychotisch was. Over het functioneren op verstandelijk beperkt niveau en de antisociale persoonlijkheidsstoornis kan wel gesteld worden dat dit ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde, gezien de chronische aard ervan. Het is voorstelbaar dat, indien de verdachte schuldig bevonden wordt, zijn (persoonlijkheids- en functioneren op verstandelijk beperkt niveau)problematiek heeft meegespeeld in het tenlastegelegde, maar hoe en in welke mate is niet bekend. Vanuit de beschreven problematiek komen vele risicofactoren naar voren welke al jarenlang (chronisch) aanwezig zijn. Dit maakt dat het recidiverisico voor vermogensdelicten hoog wordt ingeschat en het risico op gewelddadige recidive matig tot hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een fors strafblad en recidiveert – indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht – zelfs binnen een ISD-maatregel. Het lijkt erop dat, gezien de voorgeschiedenis van de verdachte, een gestructureerd en intensief kader binnen een hoog beveiligingsniveau nodig is om hem te begeleiden bij zijn forse pathologie en sociaalmaatschappelijke problematiek. Geadviseerd wordt om met name in te zetten op steunende en structurerende vormen van begeleiding c.q. behandeling binnen een voorspelbare en (voorlopig zeer) gecontroleerde omgeving. Hierbij is de verwachting dat hij langdurig hand in hand begeleiding nodig zal hebben. Het is wenselijk om met name in te zetten op ondersteuning bij abstinent blijven van middelen, behouden van structuur en regelmaat en ondersteuning bij wonen en dagbesteding. De vraag binnen welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.