RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 9125207 VV EXPL 21-148 uitspraak: 21 april 2021 vonnis in kort geding ex artikel 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] wonende te [woonplaats eiser] , eiser bij exploot van dagvaarding van 7 april 2021, gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger, tegen de Stichting Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. P. Remmelts. Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “Havensteder”. 1.Het verloop van de procedure De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de aanvullende producties van [eiser] d.d. 7 en 12 april 2021; de fax van Havensteder d.d. 14 april 2021, met één productie; de pleitnota van Havensteder. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn zoon en bijgestaan door de gemachtigde. Namens Havensteder is verschenen mevrouw [naam persoon] (woonconsulent), bijgestaan door de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gehouden. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1 [eiser] , geboren op [geboortedatum] , huurt van (de rechtsvoorganger van) Havensteder vanaf 15 november 1986 de woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde). [eiser] woonde daar met zijn echtgenote, overleden in 2015 en kinderen die gaandeweg het huis hebben verlaten. [eiser] is in 1970 naar Nederland gekomen om te werken voor [naam bedrijf] . Hij is nu al enkele jaren met pensioen. Een paar jaren geleden is [eiser] hertrouwd. 2.2 Bij dagvaarding van 30 juni 2020 heeft Havensteder jegens [eiser] een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Rotterdam. Daarin heeft Havensteder gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en het gehuurde te ontruimen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 2.3 In die procedure is onder zaaknummer 8644825 CV EXPL 20-24003 eindvonnis gewezen op 5 februari 2021. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden met veroordeling van [eiser] tot ontruiming van het gehuurde. In r.o. 4.8 staat het volgende: “Dit vonnis wordt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [eiser] aan dit vonnis moet voldoen, ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis”. 2.4 Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. 2.5 Bij exploot d.d. 19 maart 2021 heeft Havensteder aan [eiser] aangezegd dat de woning op 22 april 2021 zal worden ontruimd. 3.Het geschil 3.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad Havensteder te verbieden tot het tenuitvoerleggen van het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam, in het bijzonder ontruiming van de woning [adres] te Rotterdam, hangende het hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- met veroordeling van Havensteder in de kosten van het geding. 3.2 Havensteder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling 4.1 De ontruiming is gepland op 22 april 2021. De spoedeisendheid van de zaak is daarmee gegeven. 4.2 De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of de tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 februari 2021, voor zover het de veroordeling tot ontruiming van de woonruimte betreft, op de voet van artikel 438 lid 2 Rv moet worden geschorst totdat op het door [eiser] tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep is beslist. 4.3 Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt in een executiegeschil het volgende. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van voormelde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel dient daarbij in beginsel buiten beschouwing te blijven. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.