ECLI:NL:RBROT:2021:4422
RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8957213 HA VERZ 21-3 uitspraak: 20 mei 2021 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats verzoekster], verzoekster, gemachtigde: mw. S.R.D. Fabre, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats verweerster], verweerster, procederende bij [naam 1], directeur, en [naam 2] (medewerker personeelszaken).
Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd.
Het verloop van de procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken: het verzoekschrift met producties, ontvangen op 6 januari 2021; het verweerschrift met producties; het herziene verzoekschrift; de aantekening van de griffier dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden via een digitale verbinding met het programma Skype voor bedrijven op 3 maart 2021 en dat partijen en de gemachtigde van [verzoekster] aldaar zijn verschenen; de pleitnota van Fabre.
Omschrijving van het geschil De feiten 1. [verzoekster], geboren op [geboortedatum verzoekster], is op 11 november 2019 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van helpende zorg niveau 2 / slaapwacht. De arbeidsovereenkomst is op 10 november 2020 geëindigd.
Werkgever zegt reeds aan dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Indien werkgever besluit de arbeidsovereenkomst alsnog te verlengen zal deze uiterlijk 1 maand voor einde looptijd schriftelijk aan werknemer kenbaar maken dat de arbeidsovereenkomst zal worden verlengd en onder welke voorwaarden.’ Het verzoek 3. [verzoekster] verzoekt – na herziening – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van de beschikking: a. aan [verzoekster] te voldoen de wettelijke transitievergoeding van € 764,-- ex artikel 7:673 lid 1 BW, dan wel de transitievergoeding van tweemaal het bruto maandsalaris ad € 3.156,--, vermeerderd met de gemiddelde maandelijkse ORT ad € 419,72 ingevolge artikel 9.7 lid 6 van CAO VVT, en een aanzegvergoeding ad € 1.578,-- bruto ex artikel 7:688 BW; aan [verzoekster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin het bedrag en betaling van sub a is verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,-- per dag met een maximum van € 10.000,-- voor elke dag na betekening van de beschikking dat [verweerster] niet voldoet aan de beschikking; tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel WIK; tot betaling van de wettelijke rente over het onder a genoemde bedrag vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag tot de dag van algehele voldoening; tot betaling van de wettelijke rente over het onder b genoemde bedrag vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag tot de dag van algehele voldoening; tot betaling van de wettelijke rente over het onder c genoemde bedrag vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag tot de dag van algehele voldoening; in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking en eveneens vermeerderd met nakosten en griffiekosten voor een bedrag van € 236,-- dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 109,--.
Dit heeft zij niet gedaan. [verzoekster] verrichte haar werkzaamheden gewoonlijk als slaapwacht. In juli 2020 heeft [verweerster] haar te kennen gegeven dat zij, na een aanwijzing van de Inspectie, alleen nog gekwalificeerd personeel met een diploma niveau 2 of 3 wilde inzetten. Dat diploma heeft [verzoekster] niet. [verweerster] heeft [verzoekster] toen aangeboden een dagopleiding tot verpleegkundige te laten volgen en de functie van gastvrouw te laten vervullen. Hoewel in de arbeidsovereenkomst is aangezegd dat deze niet zou worden verlengd, mocht [verzoekster] uit dit aanbod afleiden dat toch een verlenging zou plaatsvinden. Toen [verweerster] dat vervolgens niet wilde, had zij naar redelijkheid en billijkheid alsnog moeten aanzeggen.
Dat heeft zij niet gedaan. [verweerster] is dan ook op grond van artikel 7:668 lid 3 BW aan [verzoekster] een aanzegvergoeding verschuldigd van € 1.587,60 bruto.
Het verweer 5. [verweerster] voert – samengevat – als verweer het volgende aan. Zij betwist dat zij een transitievergoeding verschuldigd is, omdat het aan [verzoekster] te wijten is dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. Het is [verweerster] in juni 2020 gebleken dat [verzoekster] niet over het diploma Helpende zorg en welzijn niveau 2 beschikte. [verzoekster] kon daarom niet meer de werkzaamheden verrichten waarvoor ze was aangenomen, mede gelet op de aanwijzing van de Inspectie. [verweerster] heeft [verzoekster] vervolgens aangeboden haar dienstverband als gastvrouw te laten uitdienen, maar het uitvoeren van werkzaamheden overdag of het volgen van een dagopleiding was voor [verzoekster] niet mogelijk gelet op haar andere baan overdag. Als er wel een transitievergoeding moet worden betaald, dan gaat het om een bedrag van € 506,07 bruto dan wel € 759,11 bruto. Van een hoger bedrag dan het wettelijke bedrag kan gelet op artikel 9.7 lid 3 van de cao geen sprake zijn. [verweerster] betwist voorts dat zij een aanzegvergoeding verschuldigd is. In de arbeidsovereenkomst is de aanzegging expliciet opgenomen. Er is niet aan [verzoekster] bericht dat de arbeidsovereenkomst verlengd zou worden; het aanbod om als gastvrouw te gaan werken werd slechts gedaan in het kader van een oplossing.
De beoordeling van het geschil 6. Vastgesteld wordt dat [verzoekster] haar verzoekschrift binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd ter griffie heeft ingediend. Op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW is zij dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
Dat zou alleen het geval zijn als [verzoekster] in strijd met de waarheid zou hebben verklaard dat zij over het bedoelde diploma beschikte, terwijl dat niet zo was. Niet gesteld of gebleken is dat dat het geval is. Als het beschikken over dit diploma essentieel was voor het vervullen van de functie, had het bovendien op de weg van [verweerster] gelegen om voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst te verifiëren of [verzoekster] inderdaad over dat diploma beschikte. Niet gesteld of gebleken is dat dat is gebeurd. Geen sprake is aldus van ernstige verwijtbaarheid zoals artikel 7:673 lid 7 sub c BW vereist. [verzoekster] heeft dan ook recht op een transitievergoeding. Uitgaande van het door [verweerster] gestelde bruto maandloon van € 1.587,50, een gemiddelde onregelmatigheidstoeslag van € 420,-- per maand, 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, heeft [verzoekster] recht op een transitievergoeding van € 754,66 bruto en dat bedrag zal dan ook worden toegewezen onder afwijzing van het meer verzocht.
Een hogere transitievergoeding op grond van de cao kan niet worden toegewezen, omdat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9.7 lid 3 van de cao. De wettelijke rente over de transitievergoeding zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 11 december 2020, zijnde een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [verweerster] tot betaling van een transitievergoeding aan [verzoekster] ter hoogte van € 754,66 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 december 2020 tot de dag van algehele voldoening; veroordeelt [verweerster] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto-specificatie van laatstgenoemd bedrag te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.000,--; verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.M. Schellekens en uitgesproken door mr. G.A.F.M. Wouters ter openbare terechtzitting.
773