RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8806271 CV EXPL 20-35472 uitspraak: 16 april 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiseres] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] , eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam, tegen [gedaagde] , mede handelend onder de naam [handelsnaam] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde, gemachtigde: mr. D.H.P.M. Müskens te Papendrecht. Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”. 1.Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 29 september 2020, met producties; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek, met producties; de conclusie van dupliek. 1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2.De vordering 2.1 [eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 15.753,02, vermeerderd met de wettelijke rente over € 15.753,02, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 2.2 Aan haar vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is op grond van één of meerdere koopovereenkomsten gehouden tot betaling van de door [eiseres] aan [gedaagde] geleverde goederen. [gedaagde] heeft echter meerdere facturen (deels) onbetaald gelaten, waardoor zij een betalingsachterstand van € 17.271,80 heeft laten ontstaan. Op 27 december 2019 en 17 juli 2020 heeft [gedaagde] een bedrag van in totaal € 3.022,65 (€ 22,65 + € 3.000,00) in mindering op de in de dagvaarding genoemde facturen voldaan, maar betaling van het restantbedrag van € 14.249,15 is uitgebleven. 2.3 Door de (gedeeltelijke) wanbetaling van [gedaagde] zag [eiseres] zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De daarvoor gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 947,49 dienen voor rekening van [gedaagde] te komen. 2.4 Verder maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van € 471,16 aan verschenen rente. 3.Het verweer 3.1 [gedaagde] heeft geconcludeerd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] – ter zake van het niet erkende deel van haar vordering – niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten. 3.2 Daartoe heeft [gedaagde] bij antwoord – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag in hoofdsom van € 14.249,15 aan [eiseres] verschuldigd is en zij zal [eiseres] een afbetalingsvoorstel doen. [gedaagde] betwist evenwel dat zij een bedrag van € 947,49 aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn. Nergens blijkt immers uit dat [eiseres] daadwerkelijke en reële inspanningen heeft verricht om voldoening buiten rechte te verkrijgen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dienen dan ook te worden afgewezen. 4.De beoordeling 4.1 Niet in geschil is dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 3.022,65 aan [eiseres] betaald heeft (zie 2.2). Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekken betalingen ter voldoening van een geldsom normaliter eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en daarna op de hoofdsom. Betaling van voormeld bedrag geschiedde echter al volledig vóórdat (de gemachtigde van) [eiseres] aan [gedaagde] buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente aankondigde. Zij heeft namelijk een tweetal aanmaningen naar [gedaagde] verstuurd, te weten op 22 juli en 3 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.