Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/741065-20 Datum uitspraak: 21 januari 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2003, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ( [postcode verdachte] ) te [woonplaats verdachte] , raadsman mr. C.P. Timmers, advocaat te Middelharnis. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 januari 2021. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis van de officier van justitie De officier van justitie mr. G.J. Kroon heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich door de jeugdreclassering laat begeleiden, een contactverbod met de medeverdachten, onderwijs volgt tot hij zijn startkwalificatie behaalt, zich onder behandeling bij de Waag laat stellen en zich aan een avondklok houdt zolang de reclassering dat nodig acht; met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie; opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij geen contact heeft gehad met de aangever en niet in de straat is geweest waar het incident zich voordeed. Hij is eerder een zijstraat ingelopen, namelijk de Aleidistraat. Beoordeling door de rechtbank Op 14 juli 2020 verlaat de aangever zijn woning en ziet op straat een groepje van drie jongens die hij van het dealen van drugs verdenkt. Hij filmt de jongens, die dat door krijgen. Zij willen dat het filmpje wordt verwijderd. De aangever belooft dit te doen, nadat hij zijn verhaal aan de ouders van de jongens heeft kunnen doen. De jongens gaan akkoord en samen met de aangever lopen zij via de 1e Middellandstraat over de Duivenvoordestraat verder. Op de [plaats delict] aangekomen, wordt de aangever ingesloten en eisen de jongens dat het filmpje wordt verwijderd. De aangever neemt één van hen in een judogreep en komt daarbij zelf ook op de grond te liggen. Twee van de jongens trappen de aangever met geschoeide voet tegen zijn hoofd en hij raakt buiten westen. De aangever heeft een foto aan de politie overhandigd en verklaard dat op deze foto de lange man te zien is die hem meerdere malen tegen zijn hoofd heeft getrapt. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij zichzelf op deze foto herkent. De aangever en de drie jongens zijn langs een GSM-shop op de 1e Middellandsstraat gelopen. De camerabeelden van deze winkel zijn door een verbalisant beschreven. Uit die beschrijving blijkt dat één van de jongens significant groter is dan de andere twee. De verdachte heeft op de zitting verklaard zichzelf als deze ‘jongen 3’ te herkennen. Verschillende getuigen hebben het voorval zien gebeuren. Getuige [naam getuige 1] ziet de aangever en de drie jongens lopen en is hen vanaf de 1e Middellandstraat gaan volgen. Hij omschrijft de jongens in zijn verklaring, waarbij één van hen als aanzienlijk langer wordt omgeschreven dan de andere twee. Hij ziet dat deze (langere) jongen de aangever samen met een ander meerdere vuistslagen geeft. Getuige [naam getuige 2] ziet dat de aangever op de grond ligt en dat de aangever door de ‘langere donkergetinte jongen’ en de Marokkaanse man op het hoofd wordt getrapt. Getuige [naam getuige 3] ziet dat twee mannen de man die op de grond lag in elkaar sloegen en schopten. Hij ziet de lange jongen de aangever drie keer tegen het hoofd schoppen. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de verdachte de door de aangever en verschillende getuigen beschreven ‘lange jongen’ is en dat hij de aangever samen met een ander heeft geslagen en meerdere malen tegen het hoofd heeft geschopt en getrapt. Het hoofd is één van de meest kwetsbare delen van het menselijk lichaam, waarbij in het geval van toegepast geweld het gevolg niet zelden fataal blijkt te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, gezien zijn uitvoeringshandelingen en de rol die hij in het geheel van het geweld heeft gespeeld, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever door het geweld zou komen te overlijden. Uit zijn handelen leidt de rechtbank af dat de verdachte deze kans welbewust heeft aanvaard en de rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte in voorwaardelijke vorm opzet op de dood van de aangever heeft gehad. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht, gezien de geweldshandelingen die door een medeverdachte zijn gepleegd en de uiterlijke verschijningsvorm van de door de verdachte en de medeverdachte uitgevoerde handelingen, daarbij bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Conclusie Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 14 juli 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachten voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, meermalen tegen het hoofd/in het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft geschopt en getrapt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5. Strafbaarheid van het feit Het bewezen feit levert op: primair poging tot doodslag in vereniging gepleegd Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. Motivering van de straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich, samen met een ander, op de openbare weg schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte, en de jongens met wie hij was, werd door het slachtoffer aangesproken en deze confrontatie mondde uit in een vechtpartij waarbij het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. De verdachte en de medeverdachte hebben het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag, meerdere keren tegen het lichaam en het hoofd geschopt en geslagen waardoor hij ernstig letsel heeft opgelopen, waaronder een gebroken jukbeen en een hersenschudding. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden en het is niet aan hem te danken dat de gevolgen niet nog groter zijn dan dat nu het geval is. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog langdurig lichamelijke en psychische klachten ondervinden. Dit blijkt ook uit de ter zitting voorgehouden slachtofferverklaring en het namens het slachtoffer overgelegde medische overzicht. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust, onveiligheid en angst in de samenleving. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 december 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages De Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 december 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Vanuit de onderzochte domeinen komen risicofactoren naar voren. De ouders van de verdachte zijn uit elkaar en hij leeft tussen zijn gezinssituatie bij moeder in Spijkenisse en zijn vaders familie in Rotterdam in. Er is sprake van gedragsproblemen en problemen in de gezins-/opvoedingssituatie, waarbij de door moeder ingezette hulpverlening niet het gewenste resultaat heeft gehad. De verdachte bepaalt zijn eigen gaan en staan. Vanwege voortdurende schoolverzuim is een proces-verbaal opgemaakt. De verdachte volgt met ingang van het nieuwe schooljaar (2020/2021) onderwijs en loopt 2 keer per week stage. Sinds dit schooljaar is hij positief gestart op zijn nieuwe school. Gezien het eerdere schoolverzuim en het ontbreken van motivatie is zijn huidige schoolgang een beschermende factor die de kans op herhaling verkleind. Beschermende factoren in het leven van de verdachte zijn verder te vinden binnen het domein van het gezin, zijn moeder is zeer betrokken. Tot nu is er meegewerkt aan de ingezette hulpverlening. De verdachte is een first offender ten aanzien van een geweldsdelict, hij houdt zich reeds aan de voorwaarden vanuit de jeugdreclassering en hij maakt een prille positieve schoolgang door. Het ten laste gelegde dateert van 14 juli 2020. Nadien heeft de verdachte geen politie- of justitiecontacten gehad en houdt hij zich aan het toezicht vanuit jeugdreclassering. Het is van belang dat vanuit de jeugdreclassering beter zicht wordt gehouden op zijn schoolgang, vrijetijdsbesteding en de keuzes die de verdachte hierin maakt, waarbij hij zich moet houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclasseerder. Ook is het van belang dat de behandelingen bij de Waag zo spoedig mogelijk gestart worden. Het vergroten van zijn vaardigheden en gedragsalternatieven kan zijn (prille) positieve ontwikkeling borgen en de kans op herhaling verkleinen. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte: zich gedurende door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna ook: JBRR), te Rotterdam te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met de medeverdachten zolang JBRR dit nodig acht; - gedurende de periode tot aan het behalen van zijn startkwalificatie onderwijs volgt; - zich onder behandeling van de Waag laat stellen. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 december 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Het algemeen recidive risico van de verdachte wordt hoog ingeschat. Dit komt deels overeen met de inschatting van de jeugdreclasseerder. De jeugdreclasseerder meent een verandering in de houding van de verdachte waar te hebben genomen tijdens zijn detentieperiode. Hij werkt beter mee en er wordt verwacht dat hij zich voor zijn toekomst in zal zetten. Er worden beschermende factoren gezien binnen de domeinen gezin, school, relaties, attitude en agressie. Risicofactoren worden gezien binnen de domeinen vrije tijd, geestelijke gezondheid en attitude. Het ging niet goed met de verdachte, hij zocht verkeerde contacten en invloeden op, maakte verkeerde keuzes, had geen toekomstperspectief en had een gebrek aan motivatie om zijn leven te beteren. Er was sprake van schoolverzuim omdat de verdachte vond dat hij niet thuis hoorde op het educatief centrum. Hij heeft de kans gekregen om zich op het MBO 1 te bewijzen en dat heeft hij gedaan. Sindsdien is een ommekeer in zijn schoolgang zichtbaar, waarbij de verdachte naar school gaat, goed mee doet tijdens de lessen en een gemotiveerde houding laat zien. Op dit moment laat de verdachte zich door de jeugdreclassering begeleiden en werkt mee aan de gemaakte afspraken en is goed in het contact. Er wordt geadviseerd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte: - gedurende de periode tot aan het behalen van zijn startkwalificatie onderwijs volgt; - behandeling volgt bij de Waag of een soortgelijke instelling. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Straf Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Nu de jeugdreclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank vindt het niet passend om naast de jeugddetentie een werkstraf op te leggen, zoals dat door de officier van justitie is gevorderd. Algemene afsluiting Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Deze straf betekent dat de verdachte nog enige tijd (een kleine drie weken) terug in jeugddetentie moet. Gezien de ernst van het feit vindt de rechtbank het passend om te bepalen dat de schorsing van de verdachte wordt opgeheven. 8. Vordering van de benadeelde partij Ter zake het ten laste gelegde feit, heeft [naam slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 23.316,42 aan materiële schade. Deze schade omvat een bedrag van € 316,42 aan eigen risico van zijn zorgverzekering. Uit de stukken en de toelichting op zitting begrijpt de rechtbank dat de rest van het bedrag bestaat uit misgelopen subsidie voor de door de benadeelde partij uitgevoerde projecten om drugsverslaafden te begeleiden. Als zelfstandige (ZZP-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.