RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 8959833 \ CV EXPL 21-85 uitspraak: 15 april 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht in de zaak van de stichting STICHTING TRIVIRE, gevestigd te Dordrecht, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gemachtigde: [naam gemachtigde] , tegen DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN van wijlen mevrouw [naam erflater] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eisers in reconventie, gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker. Partijen worden hierna aangeduid als “Trivire” en “de Erven”. 1.Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure volgt uit het volgende: het exploot van dagvaarding van 6 januari 2021, met producties; de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met één productie; het tussenvonnis van 18 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de conclusie van antwoord in reconventie; de aantekening dat op 12 maart 2021 de mondelinge behandeling is gehouden. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten: Tussen Trivire en mevrouw [naam erflater] (hierna: [naam erflater] ) is per 16 september 1991 een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de woning aan het adres [adres] te Dordrecht (hierna: het gehuurde) tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs die vanaf augustus 2020 € 574,18 bedraagt. Op 18 juli 2020 is [naam erflater] overleden. Op 7 en 11 januari 2021 heeft de gemachtigde van de Erven bij Trivire verzocht om de huur op naam van de zoon van [naam erflater] , de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ), voort te zetten en een aanbod gedaan om de ontstane huurachterstand in te lopen. 3.De vordering, de grondslag en het verweerin conventie 3.1 Trivire heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: i. voor recht te laten verklaren dat de huurovereenkomst van het gehuurde is beëindigd; subsidiair, voor zover de huurovereenkomst nog niet is geëindigd: voorschreven huurovereenkomst te ontbinden en de Erven te veroordelen het gehuurde te ontruimen als hierna verwoord; en voorts telkens: de Erven te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan het adres [adres] te Dordrecht met alle personen en zaken die zich vanwege de Erven daar bevinden, te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen; de Erven te veroordelen aan eiseres te betalen het ter zake verschuldigde bedrag van € 3.450,65 – zijnde € 3.422,57 aan huurachterstand over de periode van februari 2020 tot en met december 2020 en € 28,08 aan rente tot 30 december 2020 – te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.422,57, zulks vanaf 30 december 2020 tot de dag van algehele voldoening; de Erven te veroordelen aan eiseres te betalen vanwege schadevergoeding, de som van € 574,18, voor elke maand of gedeelte daarvan dat de Erven in gebreke blijven met de ontruiming van het gehuurde tot aan de ontruiming van het gehuurde; de Erven te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief een bedrag aan salaris van de gemachtigde van eiseres en de kosten van dagvaarding. 3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Trivire aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. De huurovereenkomst is op grond van het bepaalde in artikel 7:268 lid 6 BW van rechtswege geëindigd twee maanden na het overlijden van [naam erflater] . De zoon van [naam erflater] , de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ), en [naam erflater] hebben geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Voorts heeft [persoon A] niet binnen zes maanden na het overlijden van [naam erflater] een vordering ingediend tot voortzetting van de huur, zodat dit recht is komen te vervallen. Daarnaast zijn de Erven uit hoofde van de huurovereenkomst gehouden tot betaling van de huur c.q. de gebruiksvergoeding gelijk aan de huur, tot aan de datum van ontruiming van het gehuurde. 3.3 De Erven hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zij hebben daartoe – voor zover van belang – het volgende aangevoerd. Vanaf 2007 heeft [persoon A] aan [naam erflater] mantelzorg verleend en op het adres van het gehuurde gewoond en ingeschreven gestaan. Hij en [naam erflater] hebben een duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd. [persoon A] heeft op 7 en 11 januari 2021 bij Trivire verzocht om de huurovereenkomst op zijn naam voort te zetten en een aanbod gedaan om de huurachterstand in te lopen. Voorts heeft hij zich in september 2020 gewend tot de gemeente voor een bijstandsuitkering. Pas recentelijk is hem een uitkering op basis van de Participatiewet toegekend. [persoon A] is inmiddels in staat om de huur te voldoen en de achterstand in te lopen. Gelet op zijn financiële, sociale en medische omstandigheden en de wachtlijsten in de regio Drechtsteden zal hij niet snel in aanmerking komen voor een andere gelijkwaardige woning, zodat hij wellicht dakloos zal geraken. [persoon A] heeft dan ook een zwaarwegend belang bij voortzetting van de huurovereenkomst. in reconventie 3.4 De Erven hebben gevorderd om bij vonnis te bepalen dat de huurovereenkomst zal worden voortgezet op naam van [persoon A] . 3.5 De Erven hebben aan hun eis in reconventie hetzelfde ten grondslag gelegd als aan hun verweer in conventie. 3.6 Trivire heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan. 4.De beoordeling van het geschilin conventie 4.1 Niet in geschil is dat de Erven niet zijn aan te merken als medehuurders in de zin van artikel 7:266 en artikel 7:267 BW, zodat zij de huurovereenkomst na het overlijden van [naam erflater] niet van rechtswege hebben voortgezet op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 7:268 BW. 4.2 In het tweede lid van artikel 7:268 BW is bepaald dat de persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad, de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder en ook nadien, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. 4.3 De onbetwist bij Trivire op 7 en 11 januari 2021 ingediende verzoeken om voortzetting van de huur zijn niet aan te merken als een vordering daartoe bij de rechter, zoals voorgeschreven in artikel 7:268 lid 2 BW. De vordering is weliswaar alsnog ingesteld bij de eis in reconventie, ter griffie ontvangen op 11 februari 2021, maar deze datum ligt na het verstrijken van de termijn van zes maanden na de datum van overlijden van 18 juli 2020 op 18 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.