RECHTBANK ROTTERDAM Jeugdrecht Zaaknummer: C/10/611675 / JE RK 21-122 Datum uitspraak: 22 februari 2021 Beschikking gedeeltelijke gezagsuitoefening gecertificeerde instelling in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam, betreffende [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2012 te [geboorteplaats mnderjarige] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder] , advocaat: mr. L.A. Alderlieste, te Rotterdam, de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam, De rechtbank merkt als informanten aan: [naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] , hierna te noemen de pleegouders, wonende te [woonplaats pleegouders] . Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 18 januari 2021, ingekomen bij de griffie op 19 januari
- Op 22 februari 2021 heeft de rechtbank de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door mr. L.A. Alderlieste; - een vertegenwoordiger van de Raad, dhr. [naam vertegenwoordiger] ; - een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] ; - de pleegouders. De feiten Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders, te weten bij de tante en nicht moederszijde. Bij beschikking van 11 januari 2021 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 januari
- Bij de beschikking van 11 januari 2021 is ook de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de tante en nicht moederszijde verleend tot 11 juli
- Het verzoek De GI verzoekt de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor de aanmelding van [voornaam minderjarige] bij een onderwijsinstelling op grond van artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] gaat niet langer naar school toe omdat het voor de pleegouders niet haalbaar is om haar naar school te brengen. De reis naar de school duurt een uur met het openbaar vervoer. Dit zorgt voor onrust bij [voornaam minderjarige] , neemt veel tijd in beslag en is financieel niet langer haalbaar voor de pleegouders. De gemeente wil het vervoer niet langer vergoeden. [voornaam minderjarige] gaat sinds 8 februari 2021 niet meer naar school en thuisonderwijs is niet meer mogelijk nu de scholen weer open zijn. Het is niet in het belang van [voornaam minderjarige] om haar in een ander pleeggezin, dichter bij haar school, te plaatsen. Zij heeft het naar haar zin bij de pleegouders en het gaat goed met haar. De standpunten De Raad stemt in met het verzoek van de GI. De moeder verzet zich, mede bij monde van haar advocaat, tegen het verzoek van de GI. Het is van belang dat [voornaam minderjarige] op haar huidige school blijft. De pleegouders dienen zorg te dragen voor het vervoer van en naar de school. Als dit niet mogelijk is, wenst de moeder dat [voornaam minderjarige] naar een ander door haar genoemd netwerkpleeggezin wordt overgeplaatst, dichter bij haar school. Daarmee wordt voorkomen dat [voornaam minderjarige] opnieuw van school moet wisselen als zij weer wordt thuisgeplaatst. Als overplaatsing naar een ander pleeggezin niet mogelijk is, kan [voornaam minderjarige] in het huidige pleeggezin thuisonderwijs volgen bij haar huidige school. De pleegouders stemmen in met het verzoek van de GI. Het was voorde pleegouders op een gegeven moment niet langer haalbaar om [voornaam minderjarige] naar school te brengen vanwege de kosten van het openbaar vervoer en de lange reistijd. De pleegouders hebben in overleg met de huidige school een passende school voor [voornaam minderjarige] gevonden. Deze school valt onder hetzelfde bestuur als de huidige school, waardoor er een gemakkelijke overdracht tussen de scholen zal zijn. De beoordeling Uit artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, BW volgt dat de kinderrechter kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van het verzoek als uitgangspunt geldt dat [voornaam minderjarige] bij de huidige pleegouders is geplaatst. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [voornaam minderjarige] op dit moment niet naar school gaat vanwege de afstand tussen de school en de woning van de pleegouders. De kinderrechter is van oordeel dat niet van de pleegouders verwacht kan worden om, langer dan voor een korte periode, dagelijks meerdere uren met het openbaar vervoer te reizen om [voornaam minderjarige] naar school te brengen. Dit is ook te belastend voor [voornaam minderjarige] . De kinderrechter acht het van belang dat [voornaam minderjarige] zo spoedig mogelijk (direct na de voorjaarsvakantie) weer naar school gaat. Daarvoor is het noodzakelijk dat [voornaam minderjarige] wordt aangemeld op een school in de buurt van haar pleegouders. De pleegouders hebben in overleg met de huidige school een passende school in de buurt gevonden. De moeder, die met het gezag over [voornaam minderjarige] is belast, geeft geen toestemming voor aanmelding op deze school, waardoor [voornaam minderjarige] niet op haar nieuwe school kan worden ingeschreven. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen zodat [voornaam minderjarige] kan worden aangemeld bij de beoogde school in de omgeving van de pleegouders. De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI (gedeeltelijk) wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De beslissing De rechtbank: belast de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, met het gezag over [voornaam minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2021 door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw, als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 februari
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.