Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/2464 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van [naam opposante], te [woonplaats opposante], opposante, gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro, tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2020 in het geding tussen opposante en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 24 april
- Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van opposante tegen het primaire besluit van 11 februari 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft bij brief van 7 mei 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 21 december 2020 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep ongegrond verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 19 mei
- Opposante en haar gemachtigde waren in persoon aanwezig. Overwegingen
- In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 21 december 2020 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
- In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposante niet tijdig bezwaar heeft gemaakt bij verweerder en dat de rechtbank zich verenigt met het oordeel van verweerder dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposante is verzuim is geweest. Hoewel opposante met overlegging van (medische) stukken heeft aangevoerd dat zij psychische en financiële problemen heeft, blijkt daaruit onvoldoende dat zij niet geacht kon worden tijdig bezwaar te maken. Voor zover moet worden aangenomen dat dit wel het geval, mocht van haar worden verwacht dat zij een derde had ingeschakeld om haar belangen te behartigen. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK9906) is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval.
- In verzet is door opposante aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval. Uit de overgelegde verklaring van 21 april 2020 van de wijkteammedewerker ketenpartner/GGZ specialis Antes blijkt dat het bezwaar te laat is ingediend vanwege psychische problemen, ziekte en de coronacrisis. Uit de brief van 14 mei 2020 van opposantes activeringscoach blijkt dat sprake is van angst- en psychische klachten. Verder blijkt uit een medisch bericht van 20 juni 2020 dat opposante vanwege depressiviteit geen post kan openen. Gelet op het een en ander kan er weldegelijk sprake zijn van bijzondere omstandigheden waardoor opposante ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaar.
- De verzetrechter stelt vast de primaire beslissing van 11 februari 2020 op dezelfde dag aan opposante is verzonden. De bezwaartermijn liep op grond van artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8 van de Awb derhalve van 12 februari 2020 tot en met 24 maart
- Opposantes bezwaarschrift van 9 maart 2020 is op 8 april 2020 ter post bezorgd en een dag later, op 9 april 2020 door verweerder ontvangen, zodat dit te laat is ingediend.
- Aan de orde is de vraag of de termijnoverschrijding in bezwaar kan worden gepardonneerd. Zowel verweerder als de rechtbank hebben deze vraag ontkennend beantwoord, waarbij door de rechtbank tevens is geoordeeld dat geen sprake is van bijzonder geval, waarin aannemelijk is gemaakt dat geen mogelijkheid bestond om zorg te dragen voor inschakeling van een derde om tijdig bezwaar te maken en daarop in verband met het dwingende karakter van de bezwaartermijn een uitzondering kan worden aanvaard.
- De verzetrechter is van oordeel dat gelet op de recente jurisprudentie inzake de zogenaamde Toeslagenaffaire (zie o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 - ECLI:NL:RVS:2019:3535 en ECLI:NL:RVS:2019:3536) er een discussie op gang is gekomen over (excessief) formalisme en formalistisch denken in het bestuursrecht en dat er veel meer aandacht moet komen voor wat in de contacten tussen burger en overheid wordt genoemd “de menselijke maat”. In het verlengde hiervan rijst naar de opvatting van de verzetrechter tevens de vraag of er in gevallen als de onderhavige nog onverkort kan worden vastgehouden aan de zeer harde lijn in de jurisprudentie die al jaren wordt gevolgd ten aanzien van de termijnoverschrijding in bezwaar en/of beroep als gevolg van feiten en omstandigheden die zich in deze zaak voordoen.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de verzetrechter tot de conclusie dat er twijfel ontstaat over de beslissing van de rechtbank om het beroep van opposante kennelijk ongegrond te verklaren. Het verzet is om die reden gegrond.
- Nu het verzet gegrond is verklaard ziet de verzetrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van de verzetprocedure. Het totaal aan proceskosten stelt de verzetrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € en een wegingsfactor 1).
- Naar het oordeel van de verzetrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat tevens met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb, uitspraak wordt gedaan om het beroep van opposante.
- Gelet op thans geldende strenge rechtspraak kon verweerder in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid om het bezwaar van opposante wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding in bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het beroep is daarom ongegrond. Het is aan opposante om de zaak voor te leggen aan de Centrale Raad van Beroep waarbij dan beoordeeld kan worden of de bestendige jurisprudentie op dit punt toe is aan heroverweging.
- Voor een proceskosten veroordeling in beroep bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank; verklaart het verzet gegrond; veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 534,- - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van C.W. Steenkist, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 mei
- De griffier is buiten staat griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.