Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/576 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. drs. D.B. Pors en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr.ing. H.D. Strookman. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 2.500,- vanwege een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 21 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om aanvullend verweer uit te brengen. Dit heeft verweerder bij brief van 17 december 2020 gedaan. Hierop heeft eiseres bij brief van 29 december 2020 gereageerd. Vervolgens hebben verweerder en eiseres nogmaals op elkaars standpunten gereageerd bij brieven van respectievelijk 17 en 25 maart 2021. Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Overwegingen 1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit: “Karkassen waren zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en met artikel 3, eerste lid, en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, onderdeel 7 en 10 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004). 2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 31 oktober 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteiten. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende: “Datum en tijdstip van de bevinding: 8 september 2017 omstreeks 11:30 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam eigenaar] functie: Slachthuiseigenaar Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de slachthal voor de postmortemkeuring van 5 noodslachtingen (zie bijgevoegde VOS-lijst). Tijdens het keuren van runderkarkas [nummer] (sticker karkas: foto 1) zag ik bezoedeling met mest ter hoogte van het linker borstbeen (foto 2 en 3), ter hoogte van het rechter borstbeen (foto 4) en op de staart (foto 5 en 6). Tijdens het keuren van runderkarkas [nummer] (sticker karkas: foto 7) zag ik dat de huid met haren op twee plaatsen ter hoogte van de lies niet verwijderd was (foto 8 en 9) en bezoedeling met mest ter hoogte van de hak (foto 10). Tijdens het keuren van runderkarkas [nummer] (sticker karkas: foto 11) zag ik bezoedeling met mest op de staart en bezoedeling met mest ter hoogte van het diafragma (zie foto 12, 13 en 14). Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat de karkassen zichtbaar waren verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.” 3. Eiseres voert aan dat het besluit moet worden vernietigd omdat verweerder eerst de bestuurlijke boete heeft opgelegd aan de slachterij gevestigd op [adres B] en vervolgens aan eiseres. Er mag niet aan twee verschillende slachterijen dezelfde boete worden opgelegd. Daarnaast heeft verweerder dus geheime stukken die gaan over de slachterij van eiseres naar een andere slachterij gestuurd en zo in de openbaarheid gebracht. Dit heeft schade toegebracht aan de goede naam en eer van eiseres. Het bedrijf van eiseres staat sinds 2011 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op het adres [adres A] en ook op de website van de NVWA staat dit adres vermeld. Verweerder heeft in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door privacy- en bedrijfsgevoelige informatie naar derden te sturen, aldus eiseres. 3.1. Blijkens het rapport van bevindingen van 31 oktober 2017 heeft de toezichthouder zijn constateringen gedaan op het bedrijf van eiseres, gevestigd aan [adres A] en toen ook de eigenaar van eiseres, [naam eigenaar] , op de hoogte gesteld van zijn bevindingen. Bij het rapport zit een uittreksel van de Kamer van Koophandel gevoegd waarop ook als adres van eiseres [adres A] is vermeld. Verder begrijpt de rechtbank uit de stukken dat vervolgens op 24 november 2017 een voornemen met het rapport van bevindingen is gezonden naar: “ [eiseres] , t.a.v. [naam eigenaar] , [adres B] ”. Ook het boetebesluit is op 22 december 2017 naar dit adres gezonden. Vervolgens is op 17 juli 2018 een voornemen met het rapport van bevindingen gezonden aan: [eiseres] , t.a.v. [naam eigenaar] , [adres A] . Ook het boetebesluit van 24 augustus 2018 is naar dit adres gezonden. Anders dan eiseres stelt is de boete niet twee maal aan twee verschillende slachterijen opgelegd. Verweerder heeft de boete alleen opgelegd aan eiseres, zij het dat die in eerste instantie naar een onjuist adres is gezonden. Verweerder heeft dus in de adressering van de brieven een fout gemaakt, maar dit maakt niet dat de aan eiseres opgelegde boete onrechtmatig is. Voor zover al door het handelen van verweerder privégegevens van eiseres bij derden bekend zijn geworden, heeft dit geen gevolgen voor de boetebevoegdheid van verweerder. Eiseres heeft wel de mogelijkheid om daarvoor een klacht in te dienen bij verweerder. 4. Voorts voert eiseres aan dat geen sprake is van een overtreding van onderdeel 10 in bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening 853/2004. Aan het voorschrift van onderdeel 10 moet pas aan het einde van de uitslachtfase zijn voldaan. Er kan niet eerder een overtreding van dit voorschrift worden vastgesteld dan na de laatste opknapplek waar eventuele zichtbare verontreiniging wordt verwijderd, voordat de karkassen van gezondheidsmerken worden voorzien (stempelen). Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 19 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:426) en van 13 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:692). Bij eiseres worden karkassen net vóór de weegschaal en ná het keurbordes opgeknapt, waarna ze, indien goedgekeurd voor humane consumptie, in de koelcel van een gezondheidsmerk worden voorzien. Eiseres wijst op haar eigen Werkinstructies hygiënische slachtprocedure [eiseres] (hierna: de Werkinstructie), waarin eerst onder punt 23 de postmortemkeuring is vermeld, dan onder punt 24 het opknappen waarna in punt 25 het stempelen is beschreven. In het rapport van bevindingen staat dat de toezichthouder zich bevond in de slachthal van de slachterij; de constatering van de overtreding is dus gedaan vóór de plaats waar het opknappen plaatsvindt en vóór de koelcel. Daarnaast was hier sprake van noodslachtingen en dan is van belang dat bij de postmortemkeuring de karkassen in zijn geheel worden aangeboden en niet zijn opgeknapt zodat goed kan worden beoordeeld of het ongeval dat het dier heeft gehad niet het gevolg is van een onderliggende ziekte. Door al vóór de PM-keuring op te knappen wordt niet voldaan aan Bijlage I, Hoofdstuk II, onderdeel D, van Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (Verordening 854/2004). Daarnaast is het al opknappen vóór de PM-keuring in strijd met het door de NVWA opgestelde Werkvoorschrift voor noodslachting Roodvlees (K-RV-PM-WV02, hierna: het Werkvoorschrift) en Toezichtsprotocol Bijlage II van het Contract VWA-KDS (K-RV-PM-86, hierna: het Toezichtsprotocol). Daarnaast voert eiseres aan dat er ook geen sprake is van een overtreding van onderdeel 7 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening 853/2004. Huid met haar die nog vast zit op het karkas valt niet onder het voorschrift van onderdeel 7 omdat de buitenkant van huid en vacht niet in aanraking komt met het karkas. Daarnaast ziet ook onderdeel 7 op de uitslachtfase terwijl de overtreding is geconstateerd in de slachthal, vóór de weegschaal waar het opknappen plaatsvindt en vóór de koelcel waar karkassen worden voorzien van een gezondheidsmerk, aldus eiseres. 4.1. Het gaat hier om vermeende overtreding van onderdeel 7 en 10 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening 853/2004 (hierna: onderdeel 7 en 10). Daarin staat: 7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.