Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 21 juni 2021 in de zaak van: [naam 1] , [adres] [woonplaats] , verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 28 april 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten Nationale Nederlanden, die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Ter zitting van 14 juni 2021 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Scheltens&Co Financiële Zorgverlening (hierna: beschermingsbewindvoerder). De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, waarvan een preferente en negen concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 76.544,73 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 26 mei 2020 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,99% aan de preferente schuldeisers en 1,99% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Ziektewetuitkering. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Nationale Nederlanden stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 22.486,20 op verzoeker, welke 29,4% van de totale schuldenlast beloopt. 3Het verweer In de contacten met schuldhulpverlening heeft Nationale Nederlanden te kennen gegeven niet akkoord te gaan met het aangeboden akkoord, omdat haars inziens door verzoeker niet wordt voldaan aan de inspanningsverplichting. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Nationale Nederlanden geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten. 4De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Nationale Nederlanden bij haar weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Nationale Nederlanden in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Nationale Nederlanden een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 29,4%. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de tien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten schuldhulpverlening. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Tot en met februari 2021 genoot verzoeker een Ziektewetuitkering. Vanaf maart 2021 ontvangt verzoeker een Participatiewetuitkering en wordt hij begeleid naar werk. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede. Ter zitting is verklaard dat de termijn 36 maanden voor het minnelijk traject zal starten in de maand januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.