Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/810260-19 Datum uitspraak: 6 juli 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [gebooredatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Rotterdam, locatie De Schie, raadsman mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 en 22 juni 2021. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A. Ekiz heeft gevorderd: bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde (moord); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde moord dan wel doodslag. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd. De verdachte is in de nacht van 8 juli 2019 weliswaar bij de woning geweest, maar dat hij daar vervolgens ook naar binnen is gegaan kan niet worden bewezen. De verdachte ontkent dat hij de woning is binnen gegaan en dat hij daar vervolgens [naam slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De verdachte spreekt tegen dat hij toen problemen of een hoogoplopend conflict had met het slachtoffer en dat hij dus een motief zou hebben gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Zo er al problemen waren geweest, waren die daags tevoren al opgelost. De raadsman heeft verder betoogd dat de verklaringen van de getuigen die zijn opgegeven bij de rechter-commissaris, maar die niet nader door de verdediging effectief konden worden bevraagd, geheel buiten beschouwing moeten worden gelaten, dan wel niet als (volledig) betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Een eventuele bewezenverklaring van het feit mag dan ook niet alleen op de verklaring van die getuigen worden gebaseerd. Vooral het niet effectief kunnen horen van de personen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] (de rechtbank verstaat: [naam 3] ), [naam 4] en [naam 5] treft de verdediging van de verdachte disproportioneel en het gebruik van die verklaringen voor het bewijs zou leiden tot schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 4.1.2. Beoordeling Inleiding Op 8 juli 2019 omstreeks 07:15 uur is bij de politie de melding binnen gekomen dat in de woning aan de [adres delict] (hierna ook: de woning) een man zou liggen die bloedde uit zijn hoofd. De politie trof in de woonkamer op de bank een man aan met ernstige verwondingen aan zijn hoofd. De man was niet meer in leven en bleek te zijn genaamd [naam slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer of [naam slachtoffer] ). In de woning verbleven elf Poolse en twee Litouwse werknemers, allen in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] . Uit het onderzoek van de patholoog-anatoom [naam 6] van 9 augustus 2019 volgt dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard door hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen, opgelopen door de meervoudige inwerking van (deels) heftig uitwendig mechanisch stomp, botsend geweld op het hoofd. Op 8 juli 2019 rond 09:00 uur heeft zich bij de politieagenten bij het afzetlint bij de woning [naam 7] gemeld. [naam 7] is teammanager bij [naam uitzendbureau] . Hij verklaarde dat uit de GPS-gegevens van één van de bedrijfsauto’s van [naam uitzendbureau] - een Suzuki Celerio met kenteken [kentekennummer] - blijkt dat deze die nacht in de buurt van de woning is geweest. Volgens [naam 7] ging het om de bedrijfsauto van een oud bewoner van de woning, te weten de verdachte. Op 9 juli 2019 is links naast de woning in een waterbassin net onder het wateroppervlak op een gespannen zeil een langwerpig metalen voorwerp (hierna: het metalen profiel) gevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij de nacht van 8 juli 2019 met de betreffende Suzuki naar de woning is gereden, dat hij dat metalen profiel bij zich had en dat hij daarmee naar de woning is gelopen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij het metalen profiel na zijn vertrek bij de woning op weg naar zijn auto in het waterbassin heeft gegooid. De kernvraag in deze strafzaak is of de verdachte de persoon is die, al dan niet samen met een of meer anderen, het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Ter beantwoording van die vraag zal de rechtbank eerst vaststellen waarmee het slachtoffer om het leven is gebracht. Vervolgens zal worden beoordeeld rond welk tijdstip het dodelijke letsel moet zijn toegebracht. Daarna wordt beoordeeld of de verdachte degene is geweest die dat dodelijke letsel heeft toegebracht. Daarbij zullen onder meer de gedragingen van de verdachte voorafgaand en na het tijdstip van de dood van het slachtoffer aan de orde komen, een eventueel motief van de dader onder de loep worden genomen evenals het door de verdachte geschetste alternatieve scenario. Wijzen de antwoorden op de verdachte als dader dan zal worden beoordeeld of al dan niet sprake is geweest van voorbedachte raad. Tot slot wordt nog ingegaan op de belemmeringen in het ondervragingsrecht van de verdediging, waarbij ook zal worden beoordeeld of de procedure als geheel voldoet aan het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Is het in het waterbassin gevonden metalen profiel het wapen waarmee het slachtoffer is gedood? Het metalen profiel uit het waterbassin is aan verschillende forensische onderzoeken onderworpen, om te bezien of dit gebruikt kan zijn bij het toebrengen van het dodelijke letsel aan het slachtoffer. In het NFI rapport van 5 september 2019 is onderzoek gedaan naar aan bloed gelijkende sporen op het metalen profiel. Hierbij is inderdaad bloed aangetroffen. Op meerdere plekken zijn vervolgens monsters genomen die op bronniveau vergeleken zijn met (onder andere) het DNA van het slachtoffer. Hierbij is bij zeven bemonsteringen een piekenprofiel waargenomen waarvan de waarschijnlijkheid van het bewijs, wanneer een willekeurig ander persoon dan het slachtoffer de bron zou betreffen, kleiner dan 1 op 1 miljard bedraagt. De rechtbank komt op grond hiervan tot de conclusie dat op het metalen profiel het bloed van het slachtoffer is aangetroffen. Verder volgt uit het NFI-rapport van 24 september 2020 dat zowel op als onder de tape op het metalen profiel haren zijn gevonden. De gevonden haren zijn onderworpen aan een mitochondriaal (verder:mt)DNA-vergelijkend onderzoek, waarbij gekeken is naar de referentie-profielen van (onder andere) het slachtoffer. De mtDNA-profielen van de zeven haarsporen matchen met elkaar en met het mtDNA-profiel van het slachtoffer. Dit betekent dat het bewijs waarschijnlijker is wanneer de haarsporen afkomstig zijn van het slachtoffer (of van een in moederlijke lijn aan hem verwant persoon) dan wanneer deze van een willekeurig ander persoon afkomstig zouden zijn. De rechtbank neemt hierbij in acht dat mitochondriaal DNA onderzoek in mindere mate dan autosomaal DNA onderzoek onderscheidend is omwille van de gebruikte techniek en de directe overerving van mtDNA in de moederlijke lijn. Echter, in samenhang bezien met de doodsoorzaak van het slachtoffer en het van hem aanwezige bloed op het zelfde metalen profiel, acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de haren van het slachtoffer zijn die op en onder de tape op het metalen profiel zijn aangetroffen. In het MIT-onderzoek van 29 maart 2021 heeft de afdeling Kras-, Indruk- en Vormsporen tezamen met de afdeling Microsporen van het NFI onderzoek gedaan naar de waarschijnlijkheid van het gevonden metalen profiel als slagwapen en het volgende geconcludeerd. Uit de resultaten van het MIT-onderzoek blijkt het zeer veel waarschijnlijker te zijn wanneer de beschadigingen in de stukjes schedelbot zijn veroorzaakt met het getapete deel (locatie C) van metalen profiel, dan met een willekeurig ander slagvoorwerp. Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat naast het metalen profiel nog een ander (slag)wapen is gebruikt. De gehele woning is doorzocht op andere voorwerpen die zouden kunnen passen bij het toegebrachte letsel, maar er zijn geen voorwerpen gevonden die daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen. Tussenconclusie I; het metalen profiel is het wapen waarmee het slachtoffer is gedood Rond welk tijdstip is het dodelijke letsel toegebracht? Op grond van de GPS-gegevens van de Suzuki, de camerabeelden afkomstig van de [adres] en de eigen verklaring van de verdachte, kan het volgende worden vastgesteld. Op 8 juli 2019 om 02:04 uur is de verdachte vanuit zijn woning te Boskoop naar Berkel en Rodenrijs gereden waar hij om 02:21 uur langs de woning aan de [adres delict] rijdt. Nadat de verdachte kort heeft stilgestaan, rijdt hij om 02:33 uur met gedoofde lichten verder en parkeert hij zijn auto om 02: [huisnummer 1] uur, niet bij de woning [adres delict] , maar aan de andere kant van het tussen de woningen met nummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] gelegen waterbassin, derhalve aan de kant van huisnummer [huisnummer 2] . Om 02:37 uur loopt de verdachte in de richting van de woning [adres delict] . Om 02:38 uur verdwijnt de verdachte uit beeld als hij in de richting van de woning loopt. Om 02:51 uur komt de verdachte weer uit de richting van de woning lopen. De verdachte loopt dan langs het waterbassin naar zijn auto. Onderweg stopt de verdachte een kort ogenblik en gooit het metalen profiel in het waterbassin. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij naar de woning liep het metalen profiel bij zich had en het naar de woning heeft meegenomen. Ook bij zijn vertrek vanaf de woning had hij het metalen profiel bij zich, waarna hij het in het waterbassin heeft gegooid.Nu vaststaat dat met dat metalen profiel het slachtoffer is gedood, is de conclusie gerechtvaardigd dat het toedienen van de dodelijke slagen op het hoofd van het slachtoffer met dat profiel tussen 02:37 en 02:51 uur heeft plaats gevonden. Die juistheid van die conclusie wordt verder ondersteund door het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer. Daaruit blijkt namelijk dat daarmee op 8 juli 2019 om 02:33 uur als laatste een website is bezocht, terwijl de laatste logregel in het logbestand van zijn telefoon dateert van 8 juli 2019 om 02:58 uur. Dat duidt erop dat de telefoon, die in bloed gedrenkt onder de arm van het slachtoffer is aangetroffen, toen is uitgegaan. Dit komt bovendien overeen met de verklaring van de getuige [naam 8] die in de woning aan de [adres delict] sliep, dat hij op 8 juli 2019 tussen 02:30 uur en 03:00 uur vanuit de woonkamer meerdere klappen heeft gehoord en dat hij vervolgens iemand hard hoorde snurken, wat klonk als iemand die niet aan adem kon komen. Tussenconclusie II: het dodelijke letsel is toegebracht tussen 02:37 en 02:51 uur Is het de verdachte geweest die het dodelijke letsel toe bracht? Het dodelijke letsel is toegebracht midden in de nacht, binnen een kort tijdsbestek van hooguit 14 minuten. Vaststaat dat de verdachte, ondanks het nachtelijk uur waarop de bewoners vanwege het vroege aanvangstijdstip van hun werkzaamheden doorgaans in ruste zijn, juist toen, en naar zijn zeggen zonder met iemand te hebben afgesproken, naar de woning is toegegaan en daar toen bij de woning aanwezig is geweest. Verder staat vast dat de verdachte toen het dodelijke wapen bij zich had en na die korte tijd ook weer met datzelfde wapen van de woning is vertrokken en dat hij zich direct van dat wapen heeft ontdaan door het in het waterbassin naast de woning te gooien. Deze feiten en omstandigheden vormen, met name in het licht van het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de handelingen hebben plaats gevonden en het feit dat het letsel met dat wapen is toegebracht, op zichzelf al voldoende steun voor de conclusie dat de verdachte de dodelijke slagen heeft uitgedeeld. Daar komt bij dat ook de overige gedragingen van de verdachte, kort voor en kort na dat tijdslot van 14 minuten, zijn intenties en betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer nog onderstrepen. Zo komt de verdachte met gedoofde lichten aanrijden en parkeert hij zijn auto niet - zoals gebruikelijk - bij de woning, maar ongeveer 50 meter verderop aan de andere kant van het waterbassin bij de woning met huisnummer [huisnummer 2] . De verdachte heeft desgevraagd voor de noodzaak van deze ongebruikelijke handelwijze geen enkele (aannemelijke) verklaring gegeven. Verder rent de verdachte, nadat hij het metalen profiel in het bassin heeft gegooid, hard naar zijn auto en rijdt vervolgens onmiddellijk weg over binnenwegen met, zo blijkt uit de gps-gegevens, zeer hoge snelheden. Zo wordt een maximumsnelheid van 129 km/uur geregistreerd waar 80 km/uur is toegestaan en 72 km/uur waar 30 km/uur is toegestaan. Ook hiervoor heeft de verdachte geen enkele verklaring gegeven. Deze handelwijze wekt eens te meer bevreemding omdat uit de beschikbare camerabeelden niet is gebleken dat de verdachte op dat moment door iemand werd achtervolgd. Evenmin past dit gedrag bij de verklaring van de verdachte dat hij zich juist zorgen maakte over het feit dat hij die dag onvoldoende benzine zou hebben om naar zijn werk te kunnen gaan en daarom naar de woning aan de Verweijweg gereden was. Deze gang van zaken leidt naar haar uiterlijke verschijningsvorm dan ook naar de conclusie dat de verdachte zijn aankomst bij de woning voor de bewoners bewust onopgemerkt heeft willen houden en dat hij direct nadien heel hard van die woning is weggevlucht. Uit onder meer de eigen verklaringen van de verdachte blijkt voorts dat hij een hoogoplopend en actueel conflict had met het slachtoffer. Zo heeft hij het in een, in een arrestantenbusje afgeluisterd, gesprek op 29 juli 2019 tussen hem en (toen nog) medeverdachte [naam medeverdachte] over “een man die geld van hem heeft gestolen en zijn honkbalknuppel heeft afgepakt, stoned was en hem wilde vermoorden”. Die honkbalknuppel is inderdaad aangetroffen in de auto van het slachtoffer, zodat het geen twijfel lijdt dat de verdachte in dit afgeluisterde gesprek over het slachtoffer sprak. Verder zegt de verdachte in een afgeluisterd telefoongesprek van 13 augustus 2019 met zijn partner [naam 9] dat het slachtoffer “een gangster” was die hem naar een bos wilde afvoeren en afranselen. Anders dan de raadsman heeft bepleit, was er aldus wel degelijk sprake van een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, niet alleen blijkend uit verklaringen van getuigen maar ook door verdachte zelf aangegeven. Dat dit conflict net was bijgelegd, zoals de verdachte op de zitting heeft verklaard, blijkt nergens uit en daar maakt hij zelf in de afgeluisterde gesprekken over het conflict, ook geen melding van. Dat het conflict nog actueel was volgt bovendien uit het feit dat de verdachte zich meende te moeten bewapenen en dat ook al eerder gedaan had. De verdachte is aldus midden in de nacht, terwijl het huis in ruste was, onaangekondigd en zonder dat iemand hem daar toen verwachtte, op heimelijk wijze en bewapend met een metalen profiel, het moordwapen, naar de woning aan de Verweijweg gegaan en is daar op het exacte moment dat in die woning het dodelijke letsel aan het slachtoffer, met wie hij een hoogoplopend en actueel conflict had, werd toegebracht aanwezig geweest. Het letsel is na de komst van de verdachte in een zeer kort tijdsbestek toegebracht met het profiel, dat de verdachte dus niet alleen direct tevoren, maar ook nadien nog in zijn bezit had en waarvan hij zich vervolgens direct heeft ontdaan door het in het waterbassin te gooien. Daarna is hij weggevlucht. Deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, brengen de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer met het metalen profiel opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem daarmee meermalen krachtig op het hoofd te slaan. Hoewel de hierboven genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf reeds voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte de dader is, wordt de rechtbank in die overtuiging verder gesterkt door de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] , inhoudende dat hij de verdachte die nacht in de woning heeft gezien. Ook het motief voor het handelen van de verdachte vindt verder steun in de getuigenverklaringen waarin wordt bevestigd, hetgeen de verdachte ook zelf heeft verklaard, dat sprake was van een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en het slachtoffer. Zo heeft [naam 10] , de vrouw met wie de verdachte op 7 juli 2019 een date had, verklaard dat zij heeft gehoord dat de kamergenoot van de verdachte in Boskoop, [naam 11] , aan hem vertelde dat er iemand naar hem (de verdachte) op zoek was en dat hij zich zorgen moest maken. Verder heeft getuige [naam 1] , met wie de verdachte drie dagen een kamer heeft gedeeld in de woning in Bergschenhoek, verklaard dat hij uit de woning aan de [adres delict] was vertrokken als gevolg van problemen met het (latere) slachtoffer. Ook heeft [naam 1] verklaard over een “stalen ding”, een “opset”, waarover de verdachte tegen [naam 1] heeft gezegd dat hij deze wilde gebruiken tijdens een ontmoeting met [naam slachtoffer] (het slachtoffer). Verder verklaren ook bewoners van de [adres delict] , waaronder [naam 2] , over een ruzie tussen de verdachte en het latere slachtoffer [naam slachtoffer] . Ook getuige [naam 7] voornoemd heeft verklaard over een conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, evenals [naam 12] , werkzaam als coördinator bij [naam uitzendbureau] . [naam 12] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat dat hij slecht slaapt en moe is omdat iemand hem ’s-nachts wakker houdt en dat die persoon hem wil vermoorden. De rechtbank volgt niet, de eerst ter zitting opgeworpen suggestie van de verdachte, dat de getuigen mogelijk zijn beïnvloed en geïnstrueerd door een van de bewoners van de woning aan de [adres delict] , te weten [naam 3] . Vooropgesteld wordt dat de verdachte zelf in taps en in een OVC-gesprek heeft gesproken over een conflict met het slachtoffer. Het eenduidige beeld dat naar voren komt uit een grote hoeveelheid verklaringen, die bovendien afkomstig zijn uit zeer verschillende hoeken, maken het niet aannemelijk dat die getuigen allen door [naam 3] zouden zijn beïnvloed en geïnstrueerd. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen. Het scenario van de verdachte De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 7 juni 2021 en ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 7 op 8 juli 2019 weliswaar bij de woning is geweest, maar dat hij daar niet naar binnen is gegaan. Volgens de verdachte is hij onaangekondigd naar de woning aan de [adres delict] gereden, omdat hij geld wilde verdienen met de verkoop van wiet. Hij had namelijk € 20,- nodig voor benzine omdat hij de volgende dag naar zijn werk in Amsterdam moest rijden. Volgens de verdachte heeft hij het metalen profiel enkel meegenomen om zichzelf zo nodig te kunnen verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat toen hij bij de achterzijde van de woning was, [naam 4] , een van de bewoners van de woning, toevallig uit de garage naar buiten kwam lopen. [naam 4] was dronken en wilde de wiet wel van hem kopen en om hem de wiet te kunnen laten zien heeft de verdachte het metalen profiel even tegen de muur gezet. Vervolgens heeft [naam 4] het metalen profiel gepakt en is de woning ingegaan. Toen [naam 4] weer naar buiten kwam viel hij plotseling de verdachte aan met het metalen profiel. [naam 4] miste hem en de verdachte heeft toen tegen het metalen profiel geschopt, waarbij [naam 4] achterover viel. De verdachte heeft het metalen profiel vervolgens opgeraapt en is gevlucht. Toen hij vlakbij zijn auto was, heeft hij het metalen profiel in het waterbassin gegooid omdat het te zwaar was en hem in zijn vlucht belemmerde, aldus de verklaring van de verdachte. Het alternatieve scenario van de verdachte is om een aantal redenen niet geloofwaardig. Ten eerste is dit scenario pas tijdens een politieverhoor op 7 juni 2021, bijna twee jaar na dato, naar voren gebracht, op een tijdstip dat de verdachte het volledige dossier heeft kunnen bestuderen. In zijn eerdere verhoren heeft de verdachte zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. De door de verdachte opgegeven reden om midden in de nacht vanuit Boskoop naar Berkel en Rodenrijs te rijden om € 20,00 te verdienen voor benzine om naar zijn werk te kunnen is niet geloofwaardig. Gebleken is immers dat de verdachte pas op 8 juli 2019 om 23:30 uur in Amsterdam moest werken zodat er geen enkele noodzaak was om midden in de nacht onaangekondigd naar een woning toe te rijden, waarvan hij aangeeft daar te moeten vrezen voor zijn leven. Om die reden had de verdachte immers naar zijn zeggen het metalen profiel bij zich gestoken. In het scenario van de verdachte is bovendien het maken van een rit van Boskoop naar Berkel en Rodenrijs eens temeer niet voor de hand liggend, omdat die rit nu juist de nodige benzine kost, terwijl de verdachte al meende te kort te hebben voor zijn rit de volgende dag naar Amsterdam. Ook het gekozen nachtelijk tijdstip en het feit dat hij onaangekondigd naar de woning is gereden past niet bij de veronderstelling dat hij daar toen zijn wiet zou hebben kunnen verkopen, wiet die overigens in het verdere onderzoek nergens is aangetroffen. Niet bij de verdachte, noch op andere plekken. Tot slot acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte, wanneer hij daar voor zijn leven zou hebben moeten vrezen en zich daarom ter verdediging van een metalen profiel had voorzien, juist dat verdedigingsmiddel tegen een muur zou hebben gezet, dit zonder protest door [naam 4] zou hebben laten meenemen en dat wapen, nadat hij daarmee later door [naam 4] zou zijn aangevallen, even verderop zou hebben weggegooid. Juist dan had een verdedigingsmiddel hem immers nog goed van pas kunnen komen om een volgende confrontatie met [naam 4] (of een ander) af te wenden. De rechtbank acht dit scenario ongeloofwaardig en het wordt ook nergens in het dossier door feiten of omstandigheden ondersteund. De rechtbank gaat dan ook aan het door de verdachte geschetste scenario voorbij. Het ondervragingsrecht en het recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM De raadsman heeft bepleit dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen ten aanzien van de voor de verdachte belastende getuigen, waaronder [naam 4] , [naam 1] , [naam 11] , [naam 2] , [naam 8] en [naam 3] . Dit zou er volgens de raadsman toe moeten leiden dat die getuigenverklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Op 14 oktober 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging tot het horen van bovengenoemde getuigen toegewezen. De rechter-commissaris heeft de toegewezen getuigen echter niet kunnen horen, omdat er – ondanks dat daarvoor de nodige inspanningen waren getroost - onvoldoende aanknopingspunten waren om deze te bereiken en het onaannemelijk was dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn alsnog konden worden gehoord. De vraag rijst of deze beperking in het ondervragingsrecht van de verdediging ten aanzien van deze getuigen een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten oplevert, ten gevolge waarvan niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces, indien de rechtbank deze verklaringen voor het bewijs zou bezigen. De rechtbank stelt voorop dat indien de verdediging geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft om het door artikel 6 lid 3, onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, een veroordeling van de verdachte desondanks in overeenstemming kan zijn met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Bepalend is daarvoor, zo komt in de rechtspraak van het EHRM naar voren, de uiteindelijke evaluatie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij de wijze van beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen, is het volgende van belang: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.