← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:6895

RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaakgegevens: C/10/620469 / JE RK 21-1662 datum uitspraak: 22 juni 2021 beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad, betreffende [naam ongeboren kind], hierna te noemen: het ongeboren kind. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder], hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder], [naam vader], hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats vader]. Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 17 juni 2021, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum. Op 22 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen is: - een vertegenwoordigster van de Raad, [naam]. De ouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West is (met bericht van verhindering) evenmin ter zitting verschenen. De feiten Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal na de geboorte in beginsel worden uitgeoefend door de moeder en de vader. Het verzoek De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van het ongeboren kind voor de duur van drie maanden. De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Gezien de zorgen omtrent de psychische gesteldheid van de moeder en de naderende bevallingsdatum, is het noodzakelijk dat er zo snel mogelijk zicht komt op de opvoedsituatie en de invloed van geestelijke gesteldheid van de moeder daarop. De ouders blijven hun medewerking weigeren aan elke vorm van hulpverlening. Het is belangrijk dat er binnenkort hulpverlening ingezet wordt in het gezin, gericht op de verzorging en de opvoeding van het ongeboren kind. De beoordeling Op grond van artikel 1:2 BW van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls als zijn belang dit vordert. Naar het oordeel van de kinderrechter is daarvan in deze zaak sprake. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het Maasstad Ziekenhuis heeft ernstige zorgen geuit over de psychische gesteldheid van de moeder. Wat dit precies betekent voor de veiligheid van het ongeboren kind kan op dit moment onvoldoende ingeschat worden, omdat de ouders niet willen meewerken aan hulpverlening. Zij lijken de zorgen niet serieus te nemen. De zorgen zijn van dien aard dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld zoals neergelegd in artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor het ongeboren kind weg te nemen. De kinderrechter zal het ongeboren kind daarom voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden. De beslissing De kinderrechter: stelt het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland met ingang van 22 juni 2021 tot 22 september 2021. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021 door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. Hermans, als griffier. Deze beschikking is schriftelijk vastgesteld op 7 juli 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.