RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/919 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2021 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres gemachtigde: mr. M.L.W.J. Willemsen, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder de door tussenkomst van eiseres voor de stichting Floating Rotterdam i.o. (de stichting) ingediende subsidieaanvraag geweigerd. Bij besluit van 17 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. De rechtbank sluit het onderzoek. Overwegingen 1. Op 14 juni 2019 is door tussenkomst van eiseres een subsidieaanvraag ingediend voor de stichting in het kader van [naam project 1] . De stadsjury heeft de aanvraag beoordeeld en een score gegeven. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 4 december 2019 geweigerd. Aan de weigering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat na rangschikking van de hoogste aanvragen weliswaar nog een beperkt restbudget over is, maar dit onvoldoende is om de aanvraag te kunnen honoreren. Eiseres heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt. 2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:6 van die wet. Eiseres heeft niet binnen een door verweerder gestelde termijn een uittreksel, statuten en machtiging van de stichting toegestuurd aan verweerder, waaruit blijkt dat mr. M.L.W.J. Willemsen zelfstandig bevoegd is namens de stichting een bezwaarschrift in te dienen. Ook heeft zij geen geobjectiveerde gegevens ingediend op basis waarvan kan worden vastgesteld dat eiseres als intermediair is aangewezen voor de stichting. Evenmin heeft zij enig bewijs overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [naam 1] bevoegd is tot het namens de stichting verlenen van een machtiging subsidieaanvraag. Aan de machtiging kan daarom volgens verweerder geen betekenis worden toegekend. Verder zijn volgens verweerder geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) en oprichtingsakte van de stichting nagezonden. 3. Eiseres voert in beroep aan dat de weigeringsbeschikking op haar naam was gesteld, een lijn die ook bij andere aanvragen – zoals voor het project [naam project 2] – is gevolgd en dat zij daarom ook de meest gerede partij was om bezwaar te maken. Subsidiair voert zij aan dat zij als derde belanghebbende ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat zij bij toekenning van de subsidie recht heeft op een provisiebedrag. Eiseres stelt verder dat aan de formele eisen is voldaan, omdat conform het verzoek van verweerder een uittreksel KvK en een machtiging van eiseres zijn overgelegd. Dat er geen uittreksel, statuten en machtiging van de stichting zijn toegezonden klopt, omdat deze stichting nog niet is opgericht. Eiseres stelt dat de reden tot niet-ontvankelijkverklaring in strijd is met de uitgangspunten van de regeling [naam project 1] , die het mogelijk maken om een aanvraag in te dienen namens een nog niet opgerichte stichting. Eiseres stelt dat verweerder zelfs subsidie toekent aan niet opgerichte stichtingen en de oprichting van een stichting faciliteert na toekenning van een subsidie door een bedrag voor de oprichting van een stichting te betalen. Het is dan onzorgvuldig, of anders onredelijk om voor het maken van een bezwaar tegen een weigering van subsidie wel een formele stichting te eisen. Dat is volgens eiseres in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres stelt dat overigens bij de subsidieaanvraag een machtiging namens de stichting was bijgevoegd, waarin eiseres ook gemachtigd werd om bezwaar en beroep aan te tekenen. 3.1. Ingevolge artikel 2:1, tweede lid van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, kan het bezwaar ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 3.2. De rechtbank stelt vast dat uit de subsidieaanvraag blijkt dat eiseres deze aanvraag namens de stichting heeft ingediend. Uit de bij de aanvraag overgelegde machtiging van 8 juni 2019, ondertekend door [naam 1] , blijkt dat eiseres is gemachtigd als intermediair. De stichting zou in augustus 2019 worden opgericht en uit de bijlage uittreksel KvK volgt dat de toekomstige bestuursleden [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] zijn. Los van de vraag op welke naam de weigeringsbeschikking was gesteld en naar welk adres deze werd gestuurd, trad eiseres bij de subsidieaanvraag op als de gemachtigde van de stichting. Anders dan eiseres stelt was zij dus niet in persoon de meest gerede partij om bezwaar te maken tegen de weigeringsbeschikking, maar trad zij op als gemachtigde van de stichting. Dat brengt met zich dat verweerder op grond van artikel 2:1 van de Awb van (de gemachtigde van) eiseres een schriftelijke machtiging kon verlangen toen bezwaar werd gemaakt tegen de weigeringsbeschikking. 3.3. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift is ondertekend door mr. M.L.W.J. Willemsen (de medewerker). Bij brief van 16 december 2019 is hij uitgenodigd om uiterlijk 30 december 2019 een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat niet ouder is dan één jaar en een kopie van de statuten of enig ander bewijs waaruit de zelfstandige bevoegdheid namens de organisatie een bezwaarschrift in te dienen blijkt. Tevens is vermeld dat indien uit de opgevraagde informatie blijkt dat de ondertekenaar(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.