RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8857157 CV EXPL 20-39874 uitspraak: 19 maart 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, gemachtigde: mr. J. van Riet, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: mr. R.W. Hoevers. Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”. 1.Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 27 oktober 2020, met producties 1 tot en met 3; de conclusie van antwoord; het vonnis van 30 november 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; de brief van [eiser] van 8 januari 2021, met producties 4 tot en met 8 ten behoeve van de mondelinge behandeling; de aantekeningen van de op 18 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling. 1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast. 2.1 Op grond van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst heeft [eiser] aan [gedaagde] van 15 september 2015 tot en met 30 september 2020 woonruimte verhuurd aan de [adres] te Rotterdam, tegen een huurprijs van aanvankelijk € 700,- en later € 350,- per maand. 2.2 [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. 2.3 Omdat betaling ondanks aanmaning achterwege bleef, heeft [eiser] de vordering ter incasso uit handen gegeven aan zijn gemachtigde, die ook door middel van aanmaningen heeft geprobeerd het openstaande bedrag te innen. Dat is niet, althans niet volledig gelukt. 2.4 Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 1.650,-. Hangende de procedure heeft [gedaagde] € 1.400,- betaald aan [eiser] . 3.Het geschil 3.1 [eiser] vordert, na vermindering van eis, zoals begrepen door de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 250,- (€ 1.650,- minus € 1.400,-) aan resterende hoofdsom, € 26,11 aan verschenen rente tot en met 16 september 2020 en € 304,22 aan buitengerechtelijke kosten inclusief BTW, tezamen € 580,33, te vermeerderen met wettelijke rente, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2 Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan, waarvan het restant wordt gevorderd, naast verschuldigde rente en buitengerechtelijke incassokosten, omdat kosten zijn gemaakt om het openstaande bedrag buiten rechte te incasseren. 3.3 [gedaagde] erkent dat hij een huurachterstand heeft laten ontstaan en daarover rente verschuldigd is, maar hij betwist de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Volgens [gedaagde] had het niet tot een procedure hoeven te komen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 250,- heeft betaald. 4.De beoordeling 4.1 Niet is in geschil dat [gedaagde] een huurachterstand heeft. Het ten tijde van de dagvaarding openstaande bedrag is inmiddels grotendeels betaald. Er staat nog € 250,- open, waarop [eiser] aanspraak heeft. Daarom wordt dat bedrag toegewezen. Daarnaast is erkend dat [eiser] aanspraak heeft op de reeds verschenen rente ten belope van € 26,11 tot en met 16 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.