vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/570617 / HA ZA 19-284 Vonnis van 21 juli 2021 in de zaak van [persoon A] , wonende te [woonplaats A] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. M. Kooiman te Rotterdam, tegen 1. [bedrijf B] [bedrijf B] , gevestigd te [vestigingsplaats B] , 2. [persoon B], wonende te [woonplaats B] , gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat mr. R.F. Ronday te Mijdrecht. Partijen zullen hierna [persoon A] en [bedrijf B] c.s. genoemd worden. 1.De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 18 september 2019 en de daarin vermelde stukken; de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie zijdens [bedrijf B] c.s., met producties 1 t/m 15; de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van [persoon A] , met producties 20 t/m 25; de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie van [bedrijf B] c.s., met producties 1 t/m 11c; de conclusie van dupliek in reconventie van [persoon A] ; de brief van 2 november 2020 van mr. Ronday voornoemd, met bijlagen; het proces-verbaal van de op 12 november 2020 gehouden mondelinge behandeling; de spreekaantekeningen van mr. Kooiman voornoemd; de notities van mr. Ronday ten behoeve van de mondelinge behandeling. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2.De feiten 2.1. [bedrijf B] exploiteert een aannemingsbedrijf. [persoon B] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf B] . 2.2. [persoon A] heeft in de periode vanaf 2013 tot en met 2016 op diverse projecten in Nederland als onderaannemer voor [bedrijf B] gewerkt. 2.3. De door [persoon A] en [bedrijf B] in hun samenwerking gevolgde werkwijze was de volgende. [bedrijf B] wierf klanten om (ver)bouw(ings)werkzaamheden voor hen door haar te laten uitvoeren. [bedrijf B] vroeg [persoon A] de kosten van het werk te begroten. Als het werk door de opdrachtgever werd gegund, droeg [bedrijf B] [persoon A] op het werk uit te voeren. [persoon A] liet het werk mede door diverse werklieden uitvoeren. Deze werklieden waren afkomstig uit Slowakije, het land waaruit [persoon A] ook zelf afkomstig was. [persoon A] noteerde de uren die zijn mensen werkten en zond per Whatsapp of per e-mail aan [bedrijf B] foto’s van de door hem gedurende zekere perioden bijgehouden staatjes met aantallen van door zijn werklieden gewerkte uren. Het materiaal voor de uit te voeren werken werd door [persoon A] ingekocht. [bedrijf B] factureerde de opdrachtgever voor het uitgevoerde werk, mede op basis van de door [persoon A] opgegeven uren en kosten. [persoon A] factureerde [bedrijf B] periodiek geldbedragen - in ronde getallen -, die [bedrijf B] vervolgens per bank aan hem overmaakte. 2.4. [bedrijf B] heeft vanaf 2015 per bank ook betalingen gedaan - eveneens van ronde geldbedragen - aan [persoon C] , een broer van [persoon A] . 2.5. In het jaar 2016 heeft [bedrijf B] de door [persoon A] tot en met oktober 2016 verzonden facturen geheel voldaan. In november 2016 heeft [bedrijf B] als betaling op twee facturen van [persoon A] van respectievelijk 5 november en 12 november 2016 twee betalingen van respectievelijk € 10.000,= en € 7.500,= op de bankrekening van [persoon A] overgemaakt, met beide keren de betalingsomschrijving “factuur september”. 2.6. Vanaf 4 november 2016 tot en met 10 december 2016 heeft [persoon A] zeven facturen tot het totaalbedrag van € 144.145,86 aan [bedrijf B] gezonden die [bedrijf B] onbetaald heeft gelaten. Anders dan de eerder door [persoon A] verzonden facturen, waren deze facturen voorzien van een aanduiding van verrichte werkzaamheden en betaald materiaal. Het gaat om de volgende facturen: Factuurnummer: Datum: Bedrag: 2016046 4 november 2016 € 4.700,00 2016049 5 november 2016 € 3.700,86 2016055 26 november 2016 € 25.471,00 2016056 28 november 2016 € 26.448,00 2016058 3 december 2016 € 28.953,00 2016059 3 december 2016 € 23.065,00 2016061 10 december 2016 € 31.808,00 2.7. Per e-mail van 13 december 2016 heeft [persoon B] aan [persoon A] het volgende geschreven (de in de e-mail genoemde “ [persoon D] ” is de accountant van [bedrijf B] ): “ [persoon A] [persoon D] wacht op jou en je accountant zodat een aanvang gemaakt kan worden met het oplossen van de problemen tussen ons. Beide zitten we krap in onze financiën de reden is bij jou bekend. Nu er een situatie is ontstaan dat wordt gesteld dat er enorme bedragen nog verschuldigd zouden zijn maar geen medewerking wordt verleend om klachten op te lossen dan wel uitleg wordt gegeven welke werkzaamheden op projecten zijn verricht, blijft niets anders over dan de samenwerking op te schorten. Uit een eerste controle van de betalingen over dit jaar zijn van een aantal verschillen gebleken; mede om die reden zal de controle worden uitgebreid naar de jaren vanaf 2013. Zodra daaromtrent meer duidelijkheid is verkregen wordt dat gemeld en wordt bezien hoe verder wordt gehandeld.” 2.8. Tussen [persoon B] en [persoon A] zijn twee kortgedingprocedures gevoerd. De eerste procedure is geëindigd in een ter zitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 januari 2018 overeengekomen regeling, vastgelegd in een proces-verbaal. De tweede heeft geresulteerd in een vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 9 juli 2019. Van dat vonnis is [persoon B] in hoger beroep gegaan, waarna de zaak op 3 februari 2020 door het gerechtshof Den Haag is behandeld en toen, blijkens proces-verbaal, ambtshalve is geroyeerd. 2.9. Tussen partijen is naar aanleiding van de tweede gevoerde kortgedingprocedure op 27 februari 2020 in het bijzijn van hun advocaten overleg gevoerd over de tussen hen ontstane geschilpunten en impasse. Dit overleg heeft niet tot resultaat geleid. 3.Het geschil in conventie 3.1. [persoon A] vordert samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: i. voor recht verklaart dat [persoon B] onrechtmatig jegens [persoon A] heeft gehandeld en dat zij gehouden is de daardoor geleden schade aan [persoon A] te vergoeden; ii. [bedrijf B] c.s. hoofdelijk, althans [bedrijf B] , althans [persoon B] , zal veroordelen om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 144.145,86, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de vervaldata van de facturen, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag dat de gehele vordering is voldaan; iii. [bedrijf B] c.s. hoofdelijk, althans [bedrijf B] , althans [persoon B] , zal veroordelen om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 2.216,46 aan buitengerechtelijke incassokosten; iv. [bedrijf B] c.s. hoofdelijk, althans [bedrijf B] , althans [persoon B] , zal veroordelen om aan [persoon A] te betalen de kosten van deze procedure; v. [persoon B] zal veroordelen om aan [persoon A] te betalen de kosten van de gelegde beslagen, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te dezen te wijzen (eind)vonnis; en vi. [bedrijf B] c.s., hoofdelijk, althans [bedrijf B] , althans [persoon B] , zal veroordelen in de nakosten van deze procedure. 3.2. [bedrijf B] c.s. hebben tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd 3.3. Op de stellingen van [persoon A] en het door [bedrijf B] c.s. gevoerde verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [bedrijf B] c.s. vorderen samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. [persoon A] zal veroordelen tot verstrekking aan [bedrijf B] van de facturen en inkoopbonnen over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 binnen 4 weken na het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [persoon A] hiermee in gebreke blijft, althans binnen een zodanige termijn en op straffe van een zodanige dwangsom als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; Subsidiair: II. [persoon A] zal veroordelen tot betaling aan [bedrijf B] van het bedrag van € 348.871,=; III. met onmiddellijke opheffing van de gelegde beslagen; en IV. met veroordeling van [persoon A] in de kosten van het geding, althans V. zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. 3.5. [persoon A] heeft tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf B] c.s. geconcludeerd. 3.6. Op de stellingen van [bedrijf B] c.s. en het door [persoon A] gevoerde verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Er bestaat aanleiding om de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te bespreken, omdat zij met elkaar samenhangen. 4.2. De rechtbank is van oordeel dat de tussen partijen ontstane geschilpunten op dit moment niet kunnen worden beslist, aangezien de daarvoor benodigde informatie ontbreekt. 4.3. [persoon A] vordert betaling van zeven door hem vanaf 4 november 2016 aan [bedrijf B] verzonden facturen. De facturen hebben betrekking op een aantal bij naam genoemde door [bedrijf B] aangenomen projecten. Met betrekking tot deze projecten hebben partijen in deze procedure nagenoeg geen informatie verstrekt. Daardoor kan niet met de daarvoor vereiste nauwkeurigheid worden vastgesteld of [bedrijf B] [persoon A] terecht betaling van deze facturen achterwege heeft gelaten. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in eerste instantie op de weg van [bedrijf B] om duidelijkheid te verschaffen over hoe de onder 4.3 bedoelde projecten door haar zijn aangenomen en hoe zij deze vervolgens met haar opdrachtgevers financieel heeft afgewikkeld. 4.5. Uit de door [persoon A] overgelegde facturen volgt dat hij daarin werkzaamheden en materiaal in rekening heeft gebracht met betrekking tot de navolgende projecten: project [adres 1] , Den Haag; opdrachtgever: [naam opdrachtgever 1] ( [adres 2] Den Haag). Facturen [persoon A] nummers 2016048, 2016049, 2016055 (onder 5), 2016056 (onder 4), 2016058 (onder 2); project [adres 3] , Vlaardingen: opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] nummer 2016055 (onder 1); project [adres 4] , Den Haag, opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] 2016055 (onder 2); project [adres 5] , Rockanje, opdrachtgever: [naam opdrachtgever 2] , inzake [bedrijf] . Factuur [persoon A] 2016055 (onder 3), 2016056 (onder 2); 2016059 (onder 1); project [adres 6] , Numansdorp, opdrachtgever: [naam opdrachtgever 3] . Factuur [persoon A] 2016055 (onder 4); project [adres 7] , Den Haag, opdrachtgever: onbekend. Factuur 2016055 (onder 6); project [adres 8] , Leiden, opdrachtgever: [naam opdrachtgever 2] . Factuur [persoon A] 2016 056 (onder 1); project [adres 9] , Delft, opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] 2016056 (onder 3); I. project [adres 10] , Den Haag, opdrachtgever: [naam opdrachtgever 2] , inzake [bedrijf] . Factuur [persoon A] 2016056 (onder 5); [adres 11] , Den Haag, opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] 2016058 (onder 1); [adres 12] , Arnhem, opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] 2016059 (onder 4); [adres 13] , Den Haag, opdrachtgever: onbekend, Factuur [persoon A] 2016059 (onder 5); [adres 14] , Den Haag, opdrachtgever: onbekend. Factuur [persoon A] 2016061. 4.6. Ter zake van deze dertien projecten dienen [bedrijf B] c.s. ter onderbouwing van hun verweer dat de facturen van [persoon A] onvoldoende zijn gespecificeerd en onderbouwd, alle bij haar voorhanden bescheiden te overleggen, gespecificeerd en geordend naar project (derhalve per elk hierboven genoemde project), telkens onder bijvoeging van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.