vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/589069 / HA ZA 20-5 Vonnis van 6 januari 2021 in de zaak van 1. [naam eiser 1] , 2. [naam eiser 2], beiden wonende te [woonplaats eisers] , eisers, advocaat mr. W.P. Brussaard te Oud-Beijerland, tegen 1. [naam gedaagde 1] , gevestigd te [vestiginsplaats gedaagde 1] , 2. [naam gedaagde 2], wonende te [woonplaats gedaagde 2] , 3. [naam gedaagde 3], wonende te [woonplaats gedaagde 3] , gedaagden, advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk worden [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 10 december 2019, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het B3-formulier van [gedaagden] van 16 juni 2020, met producties; de akte overlegging producties van [eisers] van 17 juni 2020; de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 juli 2020; de akte overlegging productie van [eisers] van 8 juli 2020, met productie; de antwoordakte van [gedaagden] van 29 juli 2020, met producties; de nadere akte van [eisers] van 26 augustus 2020, met producties; de antwoordakte op nadere akte van [gedaagden] van 11 november 2020. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eisers] wonen op het adres [adres eisers] . 2.2. [naam gedaagde 1] exploiteert een houtverwerkingsbedrijf op het adres [adres] . [naam gedaagde 1] huurt het betreffende perceel met bedrijfspand van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] , die ieder voor de onverdeelde helft eigenaar daarvan zijn. 2.3. De achtertuin van de vrijstaande woning van [eisers] grenst aan het bedrijventerrein waar [naam gedaagde 1] is gevestigd. [eisers] ervaren sinds begin 2019 geluidsoverlast van [naam gedaagde 1] en hebben hierover sinds 11 mei 2019 verschillende meldingen gedaan bij de gemeente Albrandswaard en DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR). 2.4. Op 22 mei 2019 heeft DCMR een geluidmeting verricht. In zijn rapport over deze meting concludeert DCMR dat [naam gedaagde 1] de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit vermelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 50 dB(A) in de dagperiode, ter plaatse van de woning van [eisers] heeft overschreden met 5 dB. In de avondperiode is de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 45 dB(A), met 4 dB overschreden. 2.5. Op 19 augustus 2019 hebben [eisers] [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] een brief geschreven over de geluidsoverlast die zij ervaren van [naam gedaagde 1] . Daarop hebben zij geen reactie ontvangen. 2.6. Op 26 augustus 2019 heeft DCMR opnieuw een geluidmeting verricht. In zijn rapport over deze meting concludeert DCMR dat [naam gedaagde 1] de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de woning van [eisers] heeft overschreden met 2 dB. Deze overschrijding valt binnen de meetnauwkeurigheid van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (hierna: HMRI) van ongeveer 2 dB. 2.7. Op 29 oktober, 30 oktober en 29 november 2019 heeft Strooming B.V. (hierna: Strooming) op verzoek van [eisers] geluidmetingen verricht. In haar rapportages over deze metingen concludeert Strooming dat [naam gedaagde 1] op deze drie dagen de grenswaarden van het Activiteitenbesluit heeft overschreden. In haar rapportages vermeldt Strooming dat onder meer tonaal geluid en laagfrequent geluid zijn waargenomen. 2.8. Op 21 januari 2020 heeft DCMR opnieuw een geluidmeting verricht. In zijn rapport over deze meting concludeert DCMR dat [naam gedaagde 1] de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van ‘de gevoelige gebouwen’ (twee woningen, waaronder die van [eisers] ) heeft overschreden met respectievelijk 9 en 8 dB, onder meer door de aanwezigheid van tonaal geluid. 2.9. Naar aanleiding van de uitkomst van deze meting heeft de gemeente Albrandswaard bij besluit van 7 april 2020 een last onder dwangsom aan [naam gedaagde 1] opgelegd met de strekking dat zij binnen zes weken de nodige maatregelen moet treffen om de overschrijding van de geluidnormen in de dagperiode te beëindigen. 2.10. In mei 2020 heeft [naam gedaagde 1] wijzigingen aangebracht in de inrichting van de bedrijfshal. 2.11. Van 4 tot 11 juni 2020 heeft Strooming op verzoek van [eisers] opnieuw geluidmetingen verricht. In haar rapportage concludeert Strooming dat [naam gedaagde 1] in deze periode de grenswaarden van het Activiteitenbesluit heeft overschreden. Ook in deze rapportage maakt Strooming melding van tonaal geluid en laagfrequent geluid. 2.12. Op 9 juni 2020 heeft DCMR wederom een geluidmeting verricht, waarbij evenals op 21 januari 2020 tonaal geluid is vastgesteld. DCMR concludeert dat [naam gedaagde 1] de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) in de dagperiode bij de woning van [eisers] niet heeft overschreden. 2.13. Op verzoek van [naam gedaagde 1] heeft Adromi B.V. (hierna: Adromi) op enkele dagen (onder meer 15 juli 2019 en 30 juni 2020) geluidmetingen verricht, waarbij volgens Adromi geen overschrijdingen van grenswaarden zijn vastgesteld. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vorderen samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:1) voor recht verklaart dat [gedaagden] vanaf mei 2019 onrechtmatige geluidhinder hebben toegebracht aan [eisers] ; 2) [gedaagden] hoofdelijk gebiedt de geluidwaarden zoals omschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet te overschrijden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] hieraan niet voldoen, te betalen aan [eisers] ; 3) [gedaagden] hoofdelijk verbiedt laagfrequent geluid en tonaal geluid te produceren met een geluidwaarde van meer dan 50 dB(A), op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] hieraan niet voldoen, te betalen aan [eisers] ; 4) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan [eisers] een schadevergoeding van € 1.250,- per maand te betalen, met ingang van 1 mei 2019 tot de datum waarop [gedaagden] aan het vonnis hebben voldaan, althans een schadebedrag dat de rechtbank redelijk acht; 5) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan [eisers] een bedrag van € 11.856,57 aan buitengerechtelijke kosten te betalen, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht; 6) [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente als zij niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis betalen. 3.2. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten en nakosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] hun betwisting van de ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen laten vallen. toetsingsmaatstaf 4.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen in essentie ten grondslag dat [naam gedaagde 1] vanaf mei 2019 onrechtmatige geluidhinder veroorzaakt, dat daaraan een einde moet komen en dat de daardoor veroorzaakte schade moet worden vergoed. 4.2.1. Art. 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens art. 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen, zoals door het verspreiden van (in de woorden van artikel 5:37 BW) rumoer. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, is niet zonder meer bepalend of wordt voldaan aan de geldende publiekrechtelijke regelgeving waarop een partij zich beroept (vergelijk Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106). 4.2.2. Voor het antwoord op de vraag of [naam gedaagde 1] onrechtmatige geluidhinder veroorzaakt is dus niet zonder meer bepalend of zij de voor haar geldende regelgeving op dit gebied, waaronder artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, in acht heeft genomen. De rechtbank zal deze regelgeving echter wel als uitgangspunt hanteren bij haar beoordeling. Ten eerste onderbouwen partijen hun stellingen voornamelijk met rapporten waarin geluidmetingen zijn beschreven en aan het Activiteitenbesluit zijn getoetst. Ten tweede kunnen de in het Activiteitenbesluit neergelegde grenswaarden worden gezien als het resultaat van een abstracte afweging van de belangen van, kort gezegd, ondernemingen en omwonenden. Ten derde hebben [eisers] weliswaar terecht naar voren gebracht dat het al dan niet voldoen aan het Activiteitenbesluit niet zonder meer doorslaggevend is en dat geluidhinder ook onrechtmatig kan zijn als geen overschrijding van de grenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit plaatsvindt, maar hebben zij niet gesteld welke andere concrete maatstaf als uitgangspunt kan gelden bij de beoordeling. Waar nodig zal de rechtbank beoordelen of het in 4.2.1 vermelde criterium tot een andere uitkomst leidt dan de toets aan het Activiteitenbesluit. de overgelegde rapporten 4.3. Aan hun stelling dat [naam gedaagde 1] sinds mei 2019 onrechtmatige geluidhinder heeft veroorzaakt, leggen [eisers] vooral ten grondslag dat uit verschillende rapporten van DCMR en Strooming volgt dat [naam gedaagde 1] de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit herhaaldelijk heeft overschreden. 4.3.1. [gedaagden] betwisten de deugdelijkheid van de rapporten van Strooming en stellen zich op het standpunt dat de rapporten van DCMR en Adromi niet wijzen op structurele problemen. Bovendien heeft [naam gedaagde 1] haar bedrijfsvoering in mei 2020 aangepast ter beperking van de geluidhinder. 4.3.2. De rechtbank zal eerst de rapporten en de stellingen van partijen daarover beoordelen voor zover die relevant zijn voor de beslissing op de vorderingen. Daarna zal zij ingaan op de verschillende vorderingen. 4.4. Vaststaat dat [naam gedaagde 1] artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit op 22 mei 2019 en 21 januari 2020 heeft overtreden, nu DCMR dit heeft vastgesteld. De stelling van [eisers] dat de situatie op 22 mei 2019 feitelijk nog ernstiger was omdat DCMR ten onrechte geen tonaal geluid heeft vastgesteld en ook geen laagfrequent geluid heeft gemeten, behoeft in dit verband geen bespreking. 4.5. [eisers] hebben vervolgens gesteld dat [naam gedaagde 1] ook op 26 augustus 2019 in overtreding was, omdat DCMR bij de betreffende meting ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat sprake was van tonaal geluid. Als tonaal geluid wordt vastgesteld, moet bij het meetresultaat 5 dB worden opgeteld. Het meetresultaat had dus 57 dB(A) moeten bedragen in plaats van 52 dB(A). 4.5.1. [gedaagden] betwisten de gestelde overschrijding op 26 augustus 2019. Zij wijzen erop dat DCMR in een bestuursrechtelijke procedure tussen [eisers] en de gemeente Albrandswaard heeft toegelicht dat op 26 augustus 2019 weliswaar tonaal geluid is gemeten, maar niet is waargenomen. Er is dus geen reden voor een correctie van het meetresultaat met 5 dB vanwege tonaal geluid. Het gemeten geluidsniveau valt binnen de te hanteren onzekerheidsmarges, zodat per saldo geen sprake was van een overtreding op 26 augustus 2019. 4.5.2. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van DCMR op zijn rapport over de meting op 26 augustus 2019 dat op die datum weliswaar tonaal geluid is geregistreerd, maar dat niet is waargenomen/vastgesteld dat dit geluid afkomstig was uit de inrichting van [naam gedaagde 1] . [eisers] stellen in reactie hierop dat DCMR in januari en juni 2020 wel tonaal geluid heeft waargenomen dat is geproduceerd door [naam gedaagde 1] en dat [naam gedaagde 1] er toen geen andere bedrijfsvoering op nahield dan voorheen, zodat het niet anders kan dan dat [naam gedaagde 1] ook op 26 augustus 2019 tonaal geluid produceerde. 4.5.3. Deze redenering volgt de rechtbank niet. [gedaagden] stellen onweersproken, zodat dit vaststaat, dat [naam gedaagde 1] tijdens de meting op 21 januari 2020 kampte met een defecte ventilator, waardoor extra geluid werd geproduceerd. Voorts stellen [gedaagden] onweersproken, zodat dit vaststaat, dat [naam gedaagde 1] de bedrijfshal in mei 2020 anders heeft ingericht, wat kan hebben bijgedragen aan een ander meetresultaat in juni 2020. Ook verder hebben [eisers] hun stelling dat DCMR op 26 augustus 2019 ten onrechte geen tonaal geluid heeft toegerekend aan [naam gedaagde 1] tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende nader onderbouwd, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt wat zij in 4.7.2 en 4.7.3 zal overwegen over de rapporten van Strooming. 4.5.4. [eisers] stellen verder dat de rapporten van DCMR ondeugdelijk zijn omdat daarin melding wordt gemaakt van een houtmotinstallatie terwijl [naam gedaagde 1] andere installaties heeft. [eisers] hebben echter niet onderbouwd waarom dit relevant is voor het meetresultaat of de toepasselijke geluidsnormen, zodat de rechtbank deze stelling passeert. 4.5.5. Voorts stellen [eisers] dat [naam gedaagde 1] op de hoogte was van de metingen van DCMR en de meetresultaten kon beïnvloeden door tijdelijk minder geluid te produceren. [gedaagden] betwisten dat zij op de hoogte waren van de metingen en DCMR heeft in de bestuursrechtelijke procedure hetzelfde gedaan. Tegenover deze betwisting hebben [eisers] hun stelling niet nader onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] wisten wanneer DCMR geluidmetingen verrichtte. 4.5.6. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [naam gedaagde 1] op 26 augustus 2019 artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit heeft overtreden. 4.6. Op 9 juni 2020 heeft DCMR ondanks de toerekening van tonaal geluid aan [naam gedaagde 1] geen overtreding van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit vastgesteld. [eisers] hebben onvoldoende gemotiveerd gesteld dat DCMR ten onrechte tot deze conclusie is gekomen, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt wat in 4.5.4, 4.5.5, 4.7.2 en 4.7.3 is of wordt overwogen. 4.7. Aan hun vorderingen leggen [eisers] voorts de rapporten van Strooming ten grondslag. 4.7.1. [gedaagden] betwisten de deskundigheid van de onderzoeker(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.