RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9257152 / VV EXPL 21-252 uitspraak: 19 juli 2021 vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 juni 2021, gemachtigde: mr. J.G.J. Elslo te Utrecht, tegen [gedaagde] , h.o.d.n. [naam bedrijf 1] , tevens h.o.d.n. [naam bedrijf 2] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, verschenen in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’. 1.Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: de dagvaarding van 21 juni 2021, met producties 1 tot en met 11. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli 2021. Namens eiseres is de heer [persoon A] , in zijn hoedanigheid van commercieel verantwoordelijke, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Elslo. [gedaagde] is in persoon verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden. 1.3. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2.De vaststaande feiten In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. Tussen [eiseres] als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres] te Capelle aan den IJssel (hierna: het gehuurde). [gedaagde] is deze huurovereenkomst per 1 augustus 2014 aangegaan met de rechtsvoorgangster van [eiseres] . 2.2. [gedaagde] is [eiseres] op basis van deze huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling een huurprijs van laatstelijk € 2.334,88 verschuldigd en € 41,14 per maand aan servicekosten. Als de huur niet tijdig op de vervaldag is voldaan, is [gedaagde] ingevolge artikel 18.2 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden een direct opeisbare boete van 2% van de huurtermijn verschuldigd, met een minimum van € 300,- per maand. 2.3. Op 10 juli 2019 heeft de kantonrechter van deze rechtbank tussen partijen een vonnis op tegenspraak gewezen dat, voor zover van belang, als volgt luidt: “5. De beoordeling (…) 5.3 Ten tijde van dagvaarden bestond er een huurachterstand van twee maandelijkse huurtermijnen. Op het moment van de mondelinge behandeling stond alleen nog de huur voor de maand juni 2019 open. Verder staat vast dat [gedaagde] de huur in 2019 (zes maanden) nooit uiterlijk op de eerste dag van de periode waarop de betaling ziet heeft betaald, zoals wel is overeengekomen in het huurcontract. Daar heeft [gedaagde] wel ‘een verhaal’ bij. Volgens [gedaagde] is zijn betalingsgedrag voor de vorige verhuurder nooit een probleem geweest en hadden zij de afspraak dat hij per maand of per kwartaal mocht betalen, wat hem op dat moment goed uitkwam. [eiseres] wijst er terecht op dat [gedaagde] daarmee niet stelt dat er een afspraak is gemaakt dat er te laat betaald mocht worden. Dat klopt. Daarvan uitgaande is er sprake van een herhaalde tekortkoming in de tijdige nakoming van de betalingsverplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst door [gedaagde] . 5.4 Daar tegenover staat het volgende. Door de overname van het huurcontract door [eiseres] , is [eiseres] in alle rechten en verplichtingen van [voormalige huurder] getreden. Het is het goed recht van [eiseres] om op een zakelijke wijze met [gedaagde] om te gaan en correcte nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] te verlangen. Het bijzondere in deze zaak is echter dat de huurovereenkomst pas recent is overgenomen door [eiseres] en de vorige verhuurder hele andere, zeer coulante, benadering had. Dat neemt niet weg dat voor zover en zolang er geen van de huurovereenkomst afwijkende afspraken in rechte zijn vastgesteld, [gedaagde] de huur uiterlijk op de eerste dag van de nieuwe periode moet hebben betaald. Daarvan is [gedaagde] zich kennelijk nog niet voldoende bewust. Na dit vonnis kan daarover geen twijfel meer bestaan. Van belang is verder dat [gedaagde] door de exploitatie van zijn bedrijf in het levensonderhoud van zijn gezin voorziet, grote investeringen aan het gehuurde heeft gedaan ten behoeve van die exploitatie en personeel in dienst heeft. Bovendien zit [gedaagde] al zeer geruime tijd (bijna 20 jaar) met zijn bedrijf op deze locatie. Met inachtneming van al het voorgaande acht de kantonrechter het niet voldoende waarschijnlijk dat in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde geoordeeld zal worden om - met inachtneming van de onder 5.2 aangekondigde terughoudendheid - reeds nu een ontruiming uit te spreken. (…) 6. De beslissing De kantonrechter: bij wijze van voorlopige voorziening: veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 2.244,03, vermeerderd met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 121,00 aan griffierecht, € 86,40 aan dagvaardingskosten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.” 2.4. Bij herstelvonnis in kort geding van 23 augustus 2019 van de kantonrechter van deze rechtbank is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 573,81 aan buitengerechtelijke incassokosten. 2.5. Op 15 oktober 2019 heeft de kantonrechter van deze rechtbank tussen partijen een vonnis op tegenspraak gewezen dat, voor zover van belang, als volgt luidt: “4. De beoordeling 4.3 Vast staat dat [gedaagde] een huurachterstand heeft en de huur niet tijdig en volledig voor de eerste van de maand heeft voldaan en in zoverre tekort schiet in de nakoming van de huurovereenkomst. De hoogte van deze huurachterstand staat echter niet geheel vast. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] sinds het vorige vonnis van 10 juli 2019 geen enkele betaling meer heeft gedaan. Dit is echter door [gedaagde] betwist en ter zitting heeft [gedaagde] digitale betaalbewijzen getoond waaruit bleek dat de huur van de maand juni, juli en augustus 2019 in delen zijn betaald en de huurachterstand dus geringer is dan [eiseres] stelt. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij zich wel degelijk bewust is van het feit dat hij de huur volledig en op tijd dient te voldoen en daar hard voor aan het werk is. Daarnaast heeft [gedaagde] gewezen op zijn zeer grote belang bij het behoud van het gehuurde. Het is de broodwinning voor hem en zijn werknemers en daarnaast heeft hij forse investeringen moeten doen, die hij bij een ontruiming direct kwijt is en niet mee kan nemen. Ook zit zijn bedrijf reeds zeer lange tijd op deze locatie en heeft hij altijd alle huur betaald. 4.4 Hoewel de kantonrechter de kans dat de bodemrechter, later oordelend, de huurovereenkomst zal ontbinden wegens de gestelde tekortkomingen zeker niet uitgesloten acht, is ook de kans dat een dergelijke ontbinding niet zal worden uitgesproken op grond van het feit dat (ten tijde van het begin van die bodemprocedure) de huur (nagenoeg) volledig is betaald met daarbij een afweging van de belangen in het voordeel van [gedaagde] niet uit te sluiten. Daarbij komt dat toewijzing van de ontruiming leidt tot verstrekkende en onomkeerbare gevolgen voor [gedaagde] , zodat de kantonrechter zeer terughoudend dient om te gaan met het op voorhand toewijzen van een ontruiming in kort geding. Om deze reden acht de kantonrechter thans onvoldoende gronden aanwezig om op voorhand tot ontruiming van de bedrijfsruimte over te gaan, zodat de vordering daartoe zal worden afgewezen. Dit betekent dat ook de vordering tot schadevergoeding tot dat de bedrijfsruimte opnieuw is verhuurd zal worden afgewezen. (…) 5. De beslissing De kantonrechter, rechtdoende in kort geding: veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.615,82 aan huur september en oktober 2019 en € 1.500,00 aan boete; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € … aan verschotten en € … aan salaris van de gemachtigde; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.” 2.6. In de periode vanaf het vonnis van 15 oktober 2019 tot en met juni 2021 heeft [gedaagde] de huur niet (althans niet tijdig) voldaan. 2.7. Kort voor de mondelinge behandeling op 5 juli 2021 is door [gedaagde] een bedrag van € 23.465,67 aan [eiseres] voldaan. 3. De vordering 3.1. [eiseres] heeft bij dagvaarding – verkort weergegeven – gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen I. het gehuurde gelegen aan de [adres] , [postcode] te Capelle aan den IJssel binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen, met machtiging van [eiseres] om de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen op kosten van [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente; II. tot betaling aan [eiseres] van € 23.879,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente; III. tot betaling aan [eiseres] van € 2.334,88 per maand zijnde een gebruiksvergoeding vanaf 1 juli 2021 tot de datum van ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; IV. tot betaling aan [eiseres] van een boete van € 300,- voor iedere keer dat [gedaagde] het gevorderde onder III niet tijdig en volledig heeft voldaan; V. tot betaling aan [eiseres] als voorschot op de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade vanaf de datum van de daadwerkelijke ontruiming totdat het gehuurde opnieuw is verhuurd een bedrag van € 2334,88, te vermeerderen met de wettelijke rente; VI. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Aan de vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is ondanks herinneringen en aanmaningen in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de verschuldigde huurpenningen en de servicekosten. Berekend over de maanden januari tot en met juni 2021 bedraagt de achterstand € 14.009,28 en bedragen de servicekosten € 233,34. De betalingsregeling die [gedaagde] na het vonnis van 15 oktober 2019 met (de incassogemachtigde van) [eiseres] heeft getroffen, is hij niet tijdig nagekomen. Sinds 14 april 2020 zijn 34 herinneringen en sommaties naar [gedaagde] gestuurd om hem te wijzen op zijn betalingsverplichtingen. De hoogte van de (herhaalde) achterstand rechtvaardigt een veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van het gehuurde. Tevens is [gedaagde] op grond van artikel 18 van de algemene voorwaarden een contractuele boete van € 300,- per maand verschuldigd vanwege niet-tijdige betalingen. Vanaf januari 2019 is de huur dertig maanden lang niet tijdig betaald, waarvan bij vonnis van 15 oktober 2019 reeds een contractuele boete ter zake vijf maanden is toegewezen, zodat vijfentwintig maanden resteren met een totaalbedrag van € 7.500,-. Omdat betalingen uitbleven, heeft [eiseres] haar vordering ter incasso uit handen moeten geven en zijn buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. De daaraan verbonden kosten van € 2.136,39 komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor rekening van [gedaagde] . Het totaalbedrag van € 23.879,01 (€ 14.009,28 + € 233,34 + € 7.500,- + € 2.136,39) dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente. Ten slotte is [gedaagde] de proceskosten verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.3. Voorts is [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 2.334,88 per maand verschuldigd vanaf 1 juli tot de datum van ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en is hij voor iedere keer dat hij voornoemde vergoeding niet tijdig en volledig voldoet, een boete van € 300,- verschuldigd. 3.4. [gedaagde] dient voorts een schadevergoeding van € 2.334,88 per maand te betalen vanaf de datum van de daadwerkelijke ontruiming totdat het gehuurde opnieuw is verhuurd, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.5. Ten slotte is [gedaagde] de proceskosten verschuldigd, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. 4. Het verweer [gedaagde] heeft de vordering betwist en daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling betalingen gedaan waardoor de huurachterstand is voldaan. Door de coronapandemie is hij niet in staat geweest de huur tijdig te betalen en heeft hij zich niet kunnen bewijzen als een huurder met goede bedoelingen. Volgens [gedaagde] zijn huurders van [eiseres] tijdens de coronapandemie niet gelijk behandeld. [gedaagde] diende de volledige huur te voldoen, uitgezonderd een periode van zes maanden waarin hij slechts een bedrag van € 1.000,- van de maandelijkse huurprijs hoefde te betalen, terwijl [eiseres] derden tegemoet is gekomen door een betalingsregeling overeen te komen, dan wel (een gedeelte van) de huur kwijt te schelden. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] al (een) nieuwe huurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.