vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/598823 / HA ZA 20-593 Vonnis in incident van 27 januari 2021 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat) zetelend te Den Haag, eiser in de hoofdzaak, verweerder in de vrijwaringsincidenten, advocaat mr. M. van Rijn te 's-Gravenhage, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SHELL NEDERLAND VERKOOPMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident, 2. de naamloze vennootschap SHELL PETROLEUM N.V., gevestigd te Den Haag, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident, advocaat mr. Chr.F. Kroes te Amsterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KUWAIT PETROLEUM (NEDERLAND) B.V., gevestigd te Den Haag, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident, advocaat mr. M.A. Jacobs te Rotterdam, 4. de naamloze vennootschap TOTAL NEDERLAND N.V., gevestigd te Den Haag, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident, advocaat mr. H.M. Cornelissen te Amsterdam. Partijen zullen hierna de Staat, SNV, Shell, Kuwait en Total genoemd worden. SNV en Shell zullen hierna gezamenlijk Shell c.s. genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 juni 2020, met producties; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Shell c.s.; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Kuwait; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Total, met producties; de incidentele conclusie van antwoord en akte wijziging van eis in de hoofdzaak van de Staat; de akte tevens houdende vermindering van de vordering tot oproeping in vrijwaring van Shell c.s.; de akte tevens houdende vermindering van eis in het incident van Kuwait; de akte uitlating en tevens houdende wijziging eis in het incident van Total; de akte overlegging producties van de Staat. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2. De feiten in het incident In het kader van dit incident gaat de rechtbank uit van het volgende: 2.1. Rijkwaterstaat - een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en daarmee een onderdeel van de Staat - is beheerder van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken waaronder het hoofdwegennet. Hij heeft onder meer in de periode van 1994 tot en met 2002 (indirect) grote hoeveelheden wegenbouwbitumen - een bestanddeel van asfalt - afgenomen voor verwerking in de aanleg en het onderhoud van wegen. 2.2. Shell c.s., Kuwait en Total dreven destijds ondernemingen die zich (al dan niet via een of meer dochtervennootschappen) onder meer hebben bezig gehouden met de verkoop van wegenbouwbitumen. 2.3. In 2002 heeft een Parlementaire Enquêtecommissie onderzoek gedaan naar de aard en omvang van onregelmatigheden in de bouwnijverheid, met name de grond-, weg- en waterbouwsector (de bouwfraude). In vervolg daarop hebben (onder meer) de Staat, provincies, waterschappen en een aantal gemeenten op 29 april 2005 met Bouwend Nederland, waarin bouwondernemingen zijn verenigd, een akkoord gesloten, getiteld "Akkoord collectieve regeling bouwnijverheid" (hierna: het Collectief Akkoord). Daarbij heeft Bouwend Nederland zich verbonden om een bedrag van in totaal € 73,5 miljoen te betalen. In ruil daarvoor heeft onder meer de Staat toegezegd af te zien van elke civielrechtelijke aanspraak jegens de bouwbedrijven op grond van handelen in strijd met het mededingingsrecht dat heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2003 met betrekking tot opdrachten tot uitvoering van werken. Hij heeft zich daarbij verplicht een eventuele vordering op grond van het mededingingsrecht zo in te richten dat de mogelijk betrokken bouwbedrijven worden bevrijd van hun bijdrageplicht. Het Collectief Akkoord heeft werking voor onder meer de hierna onder 2.4 te noemen W5-wegenbouwers. 2.4. Bij beschikking van 13 september 2006 (hierna: de Beschikking) heeft de Europese Commissie boetes opgelegd aan acht leveranciers (hierna de Bitumenleveranciers) van wegenbouwbitumen, te weten: BP, Esha, Klöckner, Kuwait, Nynäs, Shell, Total en Wintershall en zes grote wegenbouwers (hierna de W5-wegenbouwers), te weten: Ballast Nedam, BAM, Dura Vermeer, HBG, Heijmans en KWS wegens overtreding van (thans) artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De beschikking houdt in dat de betrokkenen zich in de periode van ten minste 1 april 1994 tot ten minste 15 april 2002 schuldig hebben gemaakt aan het rechtstreeks of indirect vaststellen van de aan- en verkoopprijzen en het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, waardoor die handelspartners nadeel werd berokkend bij de mededinging. Het door de Bitumenleveranciers en W5-wegenbouwers gevormde kartel (hierna: het Bitumenkartel) bestreek het hele grondgebied van Nederland. 2.5. Tegen de Beschikking zijn diverse beroepen ingesteld bij het Gerecht en daarna bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit heeft geleid tot verlaging van de aan Shell c.s. opgelegde boete, voor het overige is de Beschikking in stand gebleven. Inmiddels is deze onherroepelijk geworden. 3. Het geschil in de hoofdzaak 3.1. De Staat vordert - na wijziging van eis - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat Shell c.s., Kuwait en Total ter zake hun deelname aan het Bitumenkartel onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Staat en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de Staat dientengevolge heeft geleden; 2. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door de Staat ten gevolge van het Bitumenkartel geleden schade a. primair welke schade (inclusief btw) € 30.274.414,88 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente conform de grondslag zoals opgenomen in tabel j (paragraaf 7.72 dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening; althans subsidiair welke schade een bedrag van € 30.300.000,00 bedraagt, te verminderen met 1,2432% wegens omslag van de faillieten (6:13 BW) en te vermeerderen met btw en de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; althans meer subsidiair welke schade de rechtbank zo nodig schattenderwijs moge bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; althans uiterst subsidiair welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; 3. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten ter vervaardiging van het schaderapport van prof. dr. Schinkel, tot op heden begroot op € 234.336,38, zulks met bepaling dat over die kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de data waarop de betreffende facturen door de Staat betaald zijn; 4. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen vonnis; waarbij ten aanzien van het gevorderde sub 2, 3 en 4 geldt dat deze vorderingen vóór toewijzing moeten worden verminderd met een door de rechtbank te bepalen bedrag gelijk aan enig bedrag dat de Bitumenleveranciers van de W5-wegenbouwers hadden kunnen vorderen op basis van welke wettelijke grondslag dan ook (waaronder begrepen de artikelen 6:10, 6:12 en 6:13 BW) voor zover die vermindering naar het oordeel van de rechtbank niet reeds is verdisconteerd in het door de Staat gevorderde. 3.2. De Staat heeft daaraan - zeer kort samengevat - ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de mededingingsinbreuk zoals door de Europese Commissie vastgesteld bij de Beschikking van 13 september 2006. Doordat de deelnemers aan het Bitumenkartel gezamenlijk de prijzen en kortingen voor de verkoop van wegenbouwbitumen hebben afgestemd heeft de Staat (indirect) te hoge prijzen betaald. 3.3. Shell c.s., Kuwait en Total hebben nog geen verweer gevoerd, 4. Het geschil in de incidenten de incidentele vordering van Shell c.s. 4.1. Shell c.s. vorderen - na vermindering van eis - dat hen wordt toegestaan: Total, statutair gevestigd te Den Haag, de Europese Naamloze Vennootschap BP Europa SE, statutair gevestigd te Hamburg (Duitsland). Deze rechtspersoon is de rechtsopvolger van BP Nederland B.V. en van BP Refining & Petrochemicals GmbH, de Duitse vennootschap Wintershall AG, statutair gevestigd te Celle (Duitsland), e Zweedse vennootschap Nynas Belgium AB, statutair gevestigd te Stockholm, Kuwait, statutair gevestigd te Den Haag, te dagvaarden tegen een door de rechtbank te bepalen terechtzitting teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen; Shell c.s. toe te staan desverzocht nieuwe entiteit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.