Rechtbank Rotterdam Team insolventie opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 30 augustus 2021 [verzoekster] , [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoekster, curator: mr. R.R.M. van den Heuvel. 1.De procedure Door verzoekster is een verzoekschrift ingediend tot opheffing van haar op 31 december 2019 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden. 2.De beoordeling Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoekster een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarden die de wet in dit artikel stelt zijn dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of dat het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar. In dit geval is niet aan de genoemde voorwaarden voldaan. Immers, het faillissement is niet op eigen aangifte van verzoekster uitgesproken en verzoekster heeft juist wel een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw ingediend. Verzoekster heeft namelijk, nadat haar faillissement was aangevraagd door een schuldeiser, op grond van artikel 3 Fw, een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit verzoek is door de rechtbank bij vonnis van 30 augustus 2019 afgewezen. Door verzoekster is hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Bij arrest van Gerechtshof Den Haag van 29 oktober 2019 is het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Er is door verzoekster geen cassatie ingesteld. Verzoekster is vervolgens bij vonnis van deze rechtbank van 31 december 2019 in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. Met inachtneming van het voorgaande komt aan verzoekster dus geen beroep op artikel 15b, eerste lid, Fw toe, zodat verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek. De rechtbank merkt op dat het verzoekster vrij staat om, na opheffing van haar faillissement, een nieuw verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. 3.De beslissing De rechtbank: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2021. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.