Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/251859-20 Datum uitspraak: 02 augustus 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte], Raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.
- Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 02 augustus
- Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
- Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd: bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar.
- Waardering van het bewijs 4.
- Vrijspraak 4.1.
- Standpunt officier van justitie Beide feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Medeverdachte [naam medeverdachte] (verder: [naam medeverdachte]) wijst verdachte [naam verdachte] aan als degene die hij kent als ‘[naam]’. [naam] is volgens [naam medeverdachte] de persoon die de hennepkwekerij heeft gefinancierd, opgezet en onderhouden. Daarnaast is de auto van de verdachte door een getuige bij de woning aan de [adres 1] gezien. 4.1.
- Beoordeling [naam medeverdachte] noemt tijdens zijn verhoor bij de politie de verdachte als degene die - onder meer - de hennepkwekerij heeft opgezet en herkent hem van een getoonde foto. Ter ondersteuning van die verklaring bevindt zich in het dossier het briefje dat door een onbekend gebleven getuige aan de verbalisanten is overhandigd. Op dit briefje staan twee kentekens genoteerd, die zouden horen bij bestuurders die de woning aan de [adres 1] hebben bezocht. De verbalisanten hebben de onbekend gebleven getuige niet (nader) ondervraagd, waardoor met name niet duidelijk is geworden op welk moment respectievelijk op welke periode de gestelde bezoeken zien. Voorts is door de verbalisanten in eerste instantie genoteerd dat de verdachte de tenaamgestelde van de auto, behorende bij één van deze twee kentekens (zijnde het kenteken [kentekennummer]) zou zijn. Uit een daags voor de terechtzitting overgelegd aanvullend proces-verbaal blijkt echter dat dit niet juist is. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs, om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen. 4.1.
- Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
- Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
- Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. R. Brand, voorzitter, en mr. Ch. Vogtschmidt en mr. D. van der Sluis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.W. Veldhoen-Flier, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1 hij, in of omstreeks de periode van 15 mei 2019 tot en met 2 oktober 2019 te Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 613 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; ( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2 hij, in of omstreeks de periode van 3 april 2020 tot en met 2 oktober 2019 te Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit (te weten ongeveer 122.459 kWh), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] ([adres 2]), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen hoeveelheid elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )