Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 10/101414-21, 10/296050-19 en 10/071439-21 (ttz gevoegd) Datum uitspraak: 6 september 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Rotterdam, raadsman mr. W.H.J.W. de Brouwer, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2021. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis heeft de rechtbank de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Deze nummering wordt in dit vonnis aangehouden. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd: partiële vrijspraak van de onder 1 tenlastegelegde woordelijke bedreiging; bewezenverklaring van het overige onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en daarbij de bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 24 juni 2021; aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten een contactverbod met mevrouw [naam slachtoffer] en een locatieverbod voor zowel het woonadres van mevrouw [naam slachtoffer] ( [adres slachtoffer] in Rotterdam) als haar werkadres ( [werkadres slachtoffer] in Rotterdam), te bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 week per overtreding, met een totale duur van ten hoogste 26 weken en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren; 4.Waardering van het bewijs 4.1. Feit 1 4.1.1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de aangeefster woordelijk heeft bedreigd, zodat hij partieel dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte heeft een vuurwapen getoond aan de aangeefster. Overeenkomstig een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6585) kan het tonen van een wapen, ook zonder het toevoegen van dreigende woorden, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, opleveren. Door het tonen van het wapen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangeefster dat zou opvatten als een bedreiging. Uit de aangifte, het geluidsfragment op de tablet van de aangeefster en de appjes die zij direct heeft verzonden volgt dat zij bang was en dat door het tonen van het vuurwapen bij haar de redelijke vrees is ontstaan dat zij het leven zou verliezen of zwaar gewond zou raken. De onder 1 tenlastegelegde bedreiging door het tonen van een vuurwapen kan wettig en overtuigend worden bewezen. 4.1.2. Beoordeling De bedreigende woorden, waarover de aangeefster heeft verklaard, worden niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde bedreigende bewoordingen heeft geuit. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het tonen van een vuurwapen in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, of met zware mishandeling, jegens de aangeefster oplevert. Daartoe is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde persoon in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en dat de bedreigde persoon daarbij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank oordeelt dat daar onvoldoende bewijs voor is. Vast staat dat de verdachte een vuurwapen heeft getoond aan aangeefster. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat het niet zijn intentie was om aangeefster te bedreigen en dat hij het vuurwapen bij zich had om haar te beschermen tegen haar (ex-)vriend. Uit een door aangeefster in haar woning opgenomen geluidsfragment ten tijde van het voorval is ook te horen dat hij tegen haar zegt: “ik doe je niks”. Zowel uit de verklaringen van de aangeefster als uit het hiervoor genoemde geluidsfragment van de aangeefster volgt dat zij weliswaar is geschrokken van de aanwezigheid van het vuurwapen in haar woning en dat zij er nerveus van werd, maar dat de verdachte haar niet heeft bedreigd. De verdachte heeft volgens de aangeefster ook op geen enkel moment gezegd dat hij het wapen tegen haar zou gebruiken en heeft het wapen nooit op haar gericht. Bovendien heeft de aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte altijd voor haar opkomt en voor haar zorgt. Onder die omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de handelingen van de verdachte niet van dien aard zijn geweest dat bij de aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij door het handelen van de verdachte het leven zou verliezen of zwaar gewond zou raken. 4.1.3. Conclusie De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: 2 hij, op 12 april 2021 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Feg Mod Browning, kaliber 7.65 mm en voor dat vuurwapen geschikte munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 2 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad; 3 ( parketnummer 10-296050-19) hij, op 11 december 2019 te Rotterdam meerdere verpakkingen zalm en kaas, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 4 ( parketnummer 10/071439-21) hij op 14 maart 2021 te Rotterdam, meerdere blikken bier en meerdere verpakkingen garnalen, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan Albert Heijn B.V. gelegen aan het [adres delict] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5.Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; 3. diefstal; 4. diefstal. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. 6.Strafbaarheid verdachte 6.1.1. Standpunt verdediging Door de raadsman is op grond van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een beroep gedaan op (subjectieve) psychische overmacht. Daartoe is het commentaar op dit artikel uit T&C Strafrecht overgelegd. 6.1.2. Beoordeling Het beroep van de raadsman is niet onderbouwd en er is bovendien geen conclusie aan verbonden. 6.1.3. Conclusie Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen. Nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten. 7.Motivering straf en maatregel 7.1. Algemene overweging De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Naar aanleiding van een melding van zijn ex-vriendin, dat de verdachte haar in haar woning een vuurwapen heeft laten zien, is de verdachte voor het portiek van haar woning aangehouden. Hij had een laptoptas bij zich met daarin een vuurwapen met patroonhouder, gevuld met 2 kogelpatronen. Het bezit van een wapen is een eerste stap naar het gebruik ervan. Bovendien brengt het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat gevoel wordt versterkt door het feit dat vuurwapens in toenemende mate worden gebruikt. Daarom dient tegen het voorhanden hebben van een vuurwapen streng te worden opgetreden. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Het zich toe-eigenen van andermans eigendommen zijn ergerlijke feiten die naast financiële schade ook overlast opleveren voor de getroffen winkeliers. 7.2. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.2.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een 24 pagina’s tellend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. 7.2.2. Rapportages Antes, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 juni 2021. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Het risico op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Het risico op letselschade en op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 2 juli 2021. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek. De psycholoog onthoudt zich van uitspraken over een eventueel verband tussen de geestestoestand van de verdachte en het tenlastegelegde alsmede over de kans op herhaling, omdat de verdachte beperkt onderzoekbaar is gebleken en de overige informatie beperkt is. Risicofactoren die wel naar voren komen zijn de beperkte vaardigheden van de verdachte en zijn lange strafblad. Daarnaast maakt zijn neiging tot wantrouwen dat hij minder snel voor zichzelf om hulp zal vragen in geval van oplopende spanningen. Met name zijn gerichtheid op de situatie van de aangeefster is zorgelijk. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Vanuit zorgoogpunt is er wel een indicatie voor begeleiding bij het opbouwen van beschermende factoren en (waar mogelijk) behandeling gericht op het vergroten van vaardigheden. Een eventueel toezicht door de reclassering zou kunnen helpen om te voorkomen dat de verdachte vroegtijdig afhaakt bij behandeling. Daarnaast kan binnen een toezicht enig zicht gehouden worden op zijn behoefte aan contact met de aangeefster. Psychiater [naam psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 juli 2021. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte blijkt moeilijk onderzoekbaar. Bij de verdachte is sprake van een functioneren op een licht verstandelijk beperkt (LVB) niveau. Doordat slechts beperkt zicht is verkregen op de belevingswereld en het functioneren van de verdachte komt onderzoeker niet tot een onderbouwd advies omtrent een behandeling binnen een strafrechtelijk kader dat bij zou kunnen dragen aan het verlagen van de kans op herhaling. In meer algemene zin zou kunnen worden overwogen de al bestaande zorgkaders op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.