← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:9068

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/2800 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2021 als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster, gemachtigde: mr. C.R. Post, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. A.F. Kabiri. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een boete opgelegd van € 4.500,- vanwege een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 23 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 27 augustus 2021 heeft verweerder het bestreden besluit herzien. Verweerder verklaart de bezwaren tegen het primaire besluit alsnog gegrond en herroept het boetebesluit van 29 november

  1. Op 1 september 2021 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege wordt gelaten. Overwegingen
  2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoekster is tegemoetgekomen, dat verzoekster om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat verzoekster proceskosten heeft gemaakt.
  3. De rechtbank ziet dan ook aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In het herziene besluit van 27 augustus 2021 heeft verweerder aan verzoekster al een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.496,- voor de gemaakte kosten in de bezwaarprocedure (opstellen van bezwaarschrift en verschijnen op de hoorzitting). De rechtbank zal verweerder opdragen ook de kosten van de beroepsprocedure te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1). Het beroep is niet op een zitting behandeld, dus de opgegeven reiskosten voor het bijwonen van de zitting komen niet voor vergoeding in aanmerking.
  4. De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- aan haar dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 22 september
  5. de rechter is verhinderd deze uitspraak te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.