vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/595743 / HA ZA 20-432 Vonnis van 6 oktober 2021 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. R.F. Goemans te Amsterdam, tegen
(10)van de aandeelhoudersovereenkomst dient een betaling van EUR 500 door 2 bestuurders te worden verricht. De statuten (artikel 5.4 onder (p)) schrijven voor dat iedere betaling boven een bedrag van EUR 5.000 de goedkeuring behoeft van de AvA. Hierdoor is er niet alleen sprake van wanprestatie van [naam gedaagde 2] , maar levert dit handelen in strijd met de statuten en overeenkomst en verduisteren van gelden ook bestuurdersaansprakelijkheid op. Jegens de vennootschap zelf, maar ook haar (indirect) aandeelhouders en medebestuurder. [naam gedaagde 2] als bestuurder (en ieder van haar bestuurders) valt hiervan een persoonlijk ernstig verwijt te maken. Sommatie en aansprakelijkstelling Ik sommeer [naam gedaagde 2] hierbij dan ook om deze bedragen per ommegaande terug te storten naar de bankrekening van de vennootschap. Namens [naam eiseres] en [naam 1] stel ik [naam gedaagde 2] , en Iedere bestuurder van [naam gedaagde 2] in privé, hierbij formeel aansprakelijk voor deze verduistering van (in ieder geval) EUR 325.000 en alle door [naam eiseres] en [naam 1] geleden en nog te lijden schade. Betaling facturen [naam eiseres] en [naam 5] Omdat met het bovenstaande vast is komen te staan dat [naam gedaagde 1] niet meer behoorlijk wordt bestuurd (er worden immers ten onrechte gelden onttrokken aan de vennootschap) en [naam gedaagde 2] op ramkoers ligt, heeft [naam eiseres] zich genoodzaakt gezien als bestuurder in te grijpen en zelf zorg te dragen voor het uitschrijven van een nieuwe AvA én de nakoming van de contractuele verplichtingen van de vennootschap. [naam eiseres] heeft de tot op heden door de vennootschap niet behoorlijk nagekomen betalingen aan [naam eiseres] en [naam 5] alsnog verricht. De aangehechte facturen (*) zijn conform de onderliggende overeenkomsten voldaan. Geen cent meer. Zolang er sprake is van een impasse, zal [naam eiseres] de eerder door de vennootschap betaalde 'niet-betwiste' deelbetalingen (…) onder zich houden totdat duidelijkheid bestaat over de betaling van de provisies over de komende maanden. Deze zullen verrekend kunnen worden met de bedragen die verschuldigd zullen worden in de toekomst, indien partijen er niet alsnog samen uitkomen. Het vertrouwen van [naam eiseres] / [naam 1] (en waarschijnlijk ook van de overige aandeelhouders) heeft een grote deuk opgelopen en het is aan [naam gedaagde 2] om dit te herstellen om het voortbestaan van de onderneming veilig te stellen. Ik nodig u tenslotte uit om de advocaat die de vennootschap (blijkens de transactie van EUR 1.085,37 in de bankrekeningen) heeft geadviseerd, te verzoeken contact met mij op te nemen om te praten over een oplossing, in of buiten rechte.” 2.45. Bij e-mail van 1 april 2020 heeft [naam 2] namens [gedaagden] het volgende aan mr. Goemans bericht: “(…) Goemans gaf aan dat voortzetting van de relatie onmogelijk/ onwenselijk is, dus dat geldt als basis van het overleg. (…) De ‘sommaties' in uw voornoemde e-mail betreffen eigenlijk alle op financiële handelingen. Daarover het volgende: zelfs in uw eigen stellingen heeft [naam 1] c.s. zichzelf nu ruim méér geld toegeëigend dan waarop recht kan worden geclaimd, dus verdere betalingen zijn op korte termijn niet aan de orde. De bewaring van de cash-flow op derdenrekening was terecht (gezien de beslag dreiging) en is die nu nog méér (gezien de voortdurende beslag dreiging én de manipulatie van de Rabo door [naam eiseres] / [naam 1] ) dus kan het bestuur niet anders dan de bewaring thans te laten voortduren (in ieder geval totdat die dreiging uwerzijds is weggenomen). Om het dossier inhoudelijk voortgang te geven verzoek ik u uiterlijk morgen met een reactie te komen. (…) Vast is komen te staan: [naam 1] heeft daags voor vrijdag 20 maart jl. een bankpas bemachtigd van de [naam gedaagde 1] rekening zonder medeweten van de medebestuurders. Het niet op de hoogte stellen van de medebestuurders van deze aanvraag en het bestaan van deze pas, maakt zijn intenties van dat moment zeer verdacht. Er is geld onttrokken uit de rekening van [naam gedaagde 2] op 20 maart jl., terwijl [naam eiseres] / [naam 1] / [naam 5] daar op geen enkele wijze recht toe hebben / aanspraak op kunnen maken. Hiertoe is aan de balie bij de Rabobank opdracht gegeven door [naam 1] . Dit is strafrechtelijk vervolgbaar. Daarnaast heeft [naam 1] zelf de structuur van [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] opgezet en was zich 100% bewust geen eigendom te hebben over de Holding. [naam eiseres] / [naam 1] / [naam 5] hebben de kas van [naam gedaagde 1] onrechtmatig leeggemaakt (letterlijk tot € 0,-) met zogenaamde facturen die getoond werden aan een medewerker van de Rabobank, maar die nooit zijn aangeleverd aan [naam gedaagde 1] . Er is immers GEEN lopende vordering, factuur of aanmaning van deze partijen aan [naam gedaagde 1] bekend bij [naam gedaagde 1] . Daarnaast was er een overeenkomst gemaakt met de vertegenwoordiger van [naam eiseres] Mr. Goemans omtrent de betaling van onbetwiste provisie, in afwachting van een verder gesprek. Hiervoor zijn ook facturen opgemaakt die deze overeenstemming bevestigen. [naam eiseres] / [naam 1] / [naam 5] hebben NOGMAALS provisie aan zichzelf uitgekeerd waarvan het grootste gedeelte REEDS ontvangen was, nogmaals zonder enig overleg van kosten / facturen. Aangezien het hier niet om een derdenrekening gaat en het bedrijf met € 0,- op de rekening juist in gevaar is gebracht, is hier GEEN sprake van goed bestuur of handelen in het belang van [naam gedaagde 1] . [naam eiseres] / [naam 1] / [naam 5] hebben geen volmacht gehad van één of meer van de andere feitelijke bestuursleden om deze transactie uit te voeren. Daarmee is dus niet alleen strafrechtelijk, maar ook tegen de onderling gemaakte afspraken in de aandeelhoudersovereenkomst gehandeld. (…) In samenspraak met en op advies van de Rabobank hebben wij aangifte gedaan bij de Politie Rotterdam Rijnmond inzake de vastgestelde diefstal en verduistering tegen: - [naam eiseres] - [naam 1] - [naam 5] (…) Zoals aangegeven dient een bestuurder van onbesproken gedrag blijk te geven en daarom zien wij, als bestuurders van [naam gedaagde 1] , hangende het onderzoek richting verdachte [naam 1] , ons genoodzaakt om, totdat er uitspraak is in de zaak, [naam 1] als bestuurder van [naam gedaagde 1] per direct te schorsen. Bestuurders die zijn geschorst ontvangen geen management fee, omdat zij vanuit hun positie niet in staat zijn/het niet gewenst is om bij te dragen aan de organisatie. [naam eiseres] / [naam 1] / [naam 5] wordt expliciet gevraagd om alle verduisterde gelden PER DIRECT te restitueren op de rekening van [naam gedaagde 1] , waarna pas enige vorm van onderhandeling / gesprek mogelijk is. Ons dringende verzoek is tot inkeer te komen, voordat het echt voor deze partijen té laat is [naam gedaagde 1] is in het verleden in de media meerdere malen gelieerd aan [naam 1] en gezien de recente ontwikkelingen baart ons dat zorgen. Bestuurders willen graag voorkomen dat [naam gedaagde 1] in verband wordt gebracht met het plegen van strafbare feiten met mogelijk een veroordeling als gevolg. [naam gedaagde 1] zal daarom proactief transparant zijn naar buiten toe omtrent hetgeen is voorgevallen en zal tevens publiekelijk bekendmaken dat hangende het onderzoek [naam 1] geschorst is als bestuurder totdat er een uitspraak ligt.” 2.46. [naam eiseres] heeft op 8 april 2020 conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagden] 2.47. Op 18 juni 2020 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden. De algemene vergadering heeft het vaststellen van de jaarstukken 2019 uitgesteld en geen decharge verleend aan het bestuur van [naam gedaagde 1] voor het jaar 2019. 2.48. [naam gedaagde 1] heeft de netto-provisievergoeding voor de maanden januari 2020 en verder verrekend met wat [naam eiseres] onder zich heeft gehouden. Vanaf de verkopen in de maand juni 2020 heeft [naam gedaagde 1] de netto-provisie weer aan [naam eiseres] betaald. 3. Het geschil in conventie 3.1. [naam eiseres] vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Ten aanzien van [naam gedaagde 1]: 1. voor recht verklaart dat [naam gedaagde 1] primair toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst, managementovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst, dan wel subsidiair onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiseres] , en daardoor gehouden is de door [naam eiseres] geleden schade te vergoeden; en 2. zowel op de primaire als de subsidiaire grondslag, [naam gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van: de provisie over de Xbox verkopen over september, oktober, november en december 2019 voor een bedrag van € 15.511,57 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over januari 2020 ad € 1,633,55 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over februari, maart, april 2020 en de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de provisie over de Steam verkopen over januari 2020 ad € 16.953,47 (inclusief btw); de provisie over de Steam verkopen voor februari 2020 ad € 23.579,69; de provisie over de Steam verkopen over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de managementfees over januari, februari en maart 2020 ad in totaal € 3.630,00 (inclusief btw); de managementfees over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de door [naam gedaagde 1] verbeurde boetes over de te late aanlevering van het provisieoverzicht en te late betaling van de provisie over de maand februari 2020 ad € 50.000,00, te vermeerderen met € 2.500,00 per dag, vanaf 1 april 2020, alsmede over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de overigens door [naam eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat; Ten aanzien van [naam gedaagde 2]: 3. te verklaren voor recht dat [naam gedaagde 2] primair toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst, dan wel subsidiair onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiseres] , en daardoor gehouden is de door [naam eiseres] geleden schade te vergoeden; 4. op grond van de primaire grondslag, [naam gedaagde 2] te veroordelen hoofdelijk, voor zover [naam gedaagde 1] betaalt, [naam gedaagde 2] zal zijn gekweten, tot betaling van: de provisie over de Xbox verkopen over september, oktober, november en december 2019 voor een bedrag van € 15.511,57 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over januari 2020 ad € 1,633,55 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over februari, maart, april 2020 en de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de provisie over de Steam verkopen over januari 2020 ad € 16.953,47 (inclusief btw); de provisie over de Steam verkopen voor februari 2020 ad € 23.579,69; de provisie over de Steam verkopen over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de betaling van de door [naam gedaagde 1] verbeurde boetes over de te late aanlevering van het provisieoverzicht en te late betaling van de provisie over de maand februari 2020 ad € 50.000,00 te vermeerderen met € 2.500,00 per dag vanaf 1 april 2020, alsmede over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de overigens door [naam eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat; 5. op grond van de subsidiaire grondslag, [naam gedaagde 2] te veroordelen tot vergoeding van de door [naam eiseres] geleden schade, waaronder in ieder geval: de provisie over de Xbox verkopen over september, oktober, november en december 2019 voor een bedrag van € 15.511,57 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over januari 2020 ad € 1,633,55 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over februari, maart, april 2020 en de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de provisie over de Steam verkopen over januari 2020 ad € 16.953,47 (inclusief btw); de provisie over de Steam verkopen voor februari 2020 ad € 23.579,69; de provisie over de Steam verkopen over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de managementfees over januari, februari en maart 2020 ad in totaal € 3.630,00 (inclusief btw); de managementfees over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de betaling van de door [naam gedaagde 1] verbeurde boetes over de te late aanlevering van het provisieoverzicht en te late betaling van de provisie over de maand februari 2020 ad € 50.000,00 te vermeerderen met € 2.500,00 per dag vanaf 1 april 2020, alsmede over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de overigens door [naam eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat; Ten aanzien van de studenten: 6. te verklaren voor recht dat de studenten primair toerekenbaar tekort zijn geschoten in nakoming van de provisieovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst, dan wel subsidiair onrechtmatig hebben gehandeld jegens [naam eiseres] en daardoor gehouden zijn de door [naam eiseres] geleden schade te vergoeden; 7. op grond van de primaire grondslag, de studenten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: hetgeen [naam gedaagde 1] niet voldoet uit hoofde van de provisieovereenkomst en al hetgeen [naam eiseres] overigens van [naam gedaagde 1] te vorderen heeft of zal verkrijgen conform het vorengaande, voor een maximumbedrag van € 50.000,00 per persoon voor het jaar 2019 en een maximumbedrag van € 50.000,00 per persoon voor het jaar 2020; de door [naam eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat; 8. op grond van de subsidiaire grondslag, de studenten te veroordelen tot vergoeding van de door [naam eiseres] geleden schade, waaronder in ieder geval: de provisie over de Xbox verkopen over september, oktober, november en december 2019 voor een bedrag van € 15.511,57 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over januari 2020 ad € 1,633,55 (inclusief btw); de provisie over de Xbox verkopen over februari, maart, april 2020 en de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de provisie over de Steam verkopen over januari 2020 ad € 16.953,47 (inclusief btw); de provisie over de Steam verkopen voor februari 2020 ad € 23.579,69; de provisie over de Steam verkopen over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de managementfees over januari, februari en maart 2020 ad in totaal € 3.630,00 (inclusief btw); de managementfees over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de betaling van de door [naam gedaagde 1] verbeurde boetes over de te late aanlevering van het provisieoverzicht en te late betaling van de provisie over de maand februari 2020 ad € 50.000,00 te vermeerderen met € 2.500,00 per dag vanaf 1 april 2020, alsmede over de maanden die verstrijken gedurende deze procedure; de overigens door [naam eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat; Ten aanzien van [gedaagden] al het voorgaande binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, aan [naam eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 april 2020 tot de dag van volledige betaling. 3.2. [gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiseres] , althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam eiseres] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling. in reconventie 3.3. In reconventie vorderen [eisers] – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Ten aanzien van de provisieovereenkomst primair: I. de provisieovereenkomst partieel vernietigt c.q. wijzigt, zodat: 1. [naam eiser 1] enkel provisie is verschuldigd over het eerste betaalde spel; 2. De boeteclausule (artikel 1.8) wordt verwijderd, althans gematigd; 3. De artikelen 2.2, 2.3, 3.3 en 3.4 worden verwijderd; II. verklaart voor recht dat [naam eiser 1] alleen de netto-provisie over het eerste betaalde spel verschuldigd is aan [naam verweerster] ; III. [naam verweerster] veroordeelt tot (terug)betaling van € 164.076,28 ter zake van de tot en met 4 november 2020 door [naam verweerster] ontvangen bruto-, c.q. netto-provisie die geen betrekking heeft op het eerste betalende spel, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve ontvangstdata van de te veel ontvangen provisie tot en met de dag van volledige betaling en vermeerderd met het bedrag dat [naam verweerster] ter zake heeft / zal ontvangen in de periode tot en met de dag van dit vonnis; IV. de provisieovereenkomst tussen partijen te beëindigen per de datum van dit vonnis, althans te verklaren voor recht dat [naam eiser 1] gerechtigd is de provisieovereenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden; Ten aanzien van de provisieovereenkomst subsidiair: V. de provisieovereenkomst partieel vernietigt c.q. wijzigt, zodat: 1. De boeteclausule (artikel 1.8) wordt verwijderd, althans gematigd; 2. De artikelen 2.2, 2.3, 3.3 en 3.4 worden verwijderd; VI. verklaart voor recht dat [naam eiser 1] alleen de netto-provisie verschuldigd is aan [naam verweerster] ; VII. [naam verweerster] veroordeelt tot (terug)betaling van € 23.479,18 ter zake van het verschil tussen bruto- en de netto-provisie zoals die tot en met 4 november 2020 door [naam verweerster] is ontvangen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve ontvangstdata van de te veel ontvangen provisie tot en met de dag van volledige betaling. Ten aanzien van het aandelenbelang voor zover nodig VIII. [naam verweerster] veroordeelt om, met inachtneming van de aanbiedingsregeling, het onbezwaarde recht op de aandelen over te dragen aan [naam eiser 2] , althans aan [naam eiser 2] en [naam bedrijf 2] indien [ [naam bedrijf 2] ] reflecteert, zulks binnen twee weken na betekening van dit vonnis waarbij de prijs van de aandelen is bepaald; IX. één of meer deskundige(
- n)benoemt die over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht uitbrengen aan de rechtbank; X. en, nadat de deskundige(
- n)bericht heeft / hebben uitgebracht, de prijs van de aandelen vast te stellen. met veroordeling van [naam verweerster] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding, de kosten van de deskundige(
- n)en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling. 3.4. [naam verweerster] voert verweer en concludeert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van de vordering als bedoeld in artikel 6:336 BW zich primair onbevoegd verklaart en subsidiair de vorderingen van [eisers] afwijst en ten aanzien van alle overige vorderingen [eisers] niet ontvankelijk verklaart, althans de vorderingen afwijst, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding in reconventie, en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling. 4. De beoordeling In conventie Ten aanzien van de provisieovereenkomst 4.1. [naam eiseres] legt aan haar vorderingen met betrekking tot de provisieovereenkomst primair ten grondslag dat [gedaagden] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst. [naam eiseres] verwijst ter onderbouwing daarvan naar de door haar in de dagvaarding geschetste feiten. 4.2. Subsidiair legt [naam eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [naam eiseres] . Hiertoe stelt zij het volgende. 4.2.1. [naam gedaagde 1] heeft onrechtmatig jegens [naam eiseres] gehandeld door
- i)het al dan niet opzettelijk wanpresteren onder de overeenkomsten/het niet betalen van de openstaande facturen van [naam eiseres] en (
- ii)het verrichten van de onverschuldigde betalingen aan [naam bedrijf 3], waardoor [naam gedaagde 1] niet meer in staat is aan haar verplichtingen jegens [naam eiseres] en [naam 5] (en haar andere schuldeisers) te voldoen en geen verhaal meer biedt voor de vorderingen van [naam eiseres] . Deze achtergehouden betalingen én verduistering, met gevolg de benadeling van [naam eiseres] en overige schuldeisers van [naam gedaagde 1] , kwalificeert als een handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht dan wel in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en kwalificeert als een onrechtmatige daad van [naam gedaagde 1] . 4.2.2. Ten aanzien van het vermeende onrechtmatig handelen van [naam gedaagde 2] en (op grond van artikel 2:11 BW) de studenten stelt [naam eiseres] dat [naam gedaagde 2] en de studenten als bestuurder van [naam gedaagde 1] (
- i)bewust de wanprestatie van [naam gedaagde 1] hebben gepleegd door de betalingen aan [naam eiseres] niet te verrichten dan wel (
- ii)hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [naam gedaagde 1] contractuele verplichtingen niet nakomt en bovendien gelden heeft onttrokken aan [naam gedaagde 1] , met als doel [naam eiseres] te benadelen, om hun eigen belang te dienen. Daarnaast geldt dat [naam gedaagde 2] en de studenten bij het verrichten van de onverschuldigde betalingen wisten of behoorden te begrijpen dat [naam eiseres] als gevolg van hun handelen schade zou lijden. Hiervan kan hen een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. 4.3. De rechtbank oordeelt als volgt. 4.4. De uitleg die [naam eiseres] aan artikel 1 lid 1 van de provisieovereenkomst geeft, zoals vermeld in de onder 2.27 weergegeven e-mail, komt neer op een bruto-provisie. Deze uitleg is naar het oordeel van de rechtbank niet logisch. Het lag in de rede om aan te nemen dat [naam gedaagde 1] aanspraak kon maken op een royalty vergoeding van 70% van bijvoorbeeld hetgeen Valve (Steam; is naast Xbox een verkoopkanaal) van haar klanten ontving en dat [naam eiseres] aanspraak kon maken op 10% daarvan. Dit is ook in lijn met wat [naam eiseres] zelf in nr. 47, 48 en 49 van de dagvaarding schrijft, kort gezegd dat [naam gedaagde 1] 70% ontvangt van de “Net Game Fee”. Op grond van de Haviltex-maatstaf had [naam eiseres] dan ook rekening moeten houden met een andere interpretatie van [gedaagden] ten aanzien van artikel 1 lid 1 van de provisieovereenkomst. 4.5. Hoewel de studenten bij e-mail van 11 april 2018, zoals weergegeven onder 2.28, akkoord zijn gegaan met de ‘bruto-uitleg’ en zij tot oktober 2019 altijd de bruto-provisie hebben betaald, komt daar in deze zaak geen doorslaggevend gewicht aan toe, gelet op het intimiderende gedrag van [naam 1] . De rechtbank neemt daarbij het volgende in acht. 4.5.1. De studenten hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij zich onder druk gezet voelden om akkoord te gaan met de bruto-uitleg. Gedaagde 4 respectievelijk gedaagde 5 respectievelijk gedaagde 6 hebben daartoe verklaard: “(…) Als we aangaven dat we het ergens niet mee eens waren, kregen we hele felle reacties van [naam 1] . Als we zakelijk iets wilden aankaarten, reageerde hij met agressie. Wij voelden ons altijd geïntimideerd en hadden er moeite mee daarmee om te gaan.” en “ In eerste instantie gingen wij niet akkoord met de provisieberekening van [naam 1] . De discussie die wij daarover hadden met hem heeft bij ons veel spanning veroorzaakt. Uiteindelijk hebben we onder druk toegegeven, omdat we verder moesten en anders geen betalingen konden verrichten. [naam 1] zei dat wij niks mochten betalen, zolang er geen duidelijkheid was over de berekening van de provisievergoeding.” en “Wij hebben heel lang hard gewerkt en al die tijd konden wij onszelf niet uitbetalen. Iedereen zat er ten tijde van de discussie met [naam 1] persoonlijk doorheen. Wij stonden voor het blok, omdat alle betalingen waren geblokkeerd, zolang de discussie met [naam 1] speelde. Dat was de reden dat we hem zijn zin maar hebben geven, niet omdat we het eens waren met zijn uitleg. Wij stonden daar allemaal hetzelfde in.” 4.5.2. Dat [naam 1] de studenten daadwerkelijk onder druk heeft gezet om akkoord te gaan met de door hem aangehangen bruto-uitleg, wordt bevestigd door de onder 2.26 weergegeven e-mail van 6 april 2018 van [naam 1] waarin onder meer staat: “Tot die tijd staan de inkomsten van [naam gedaagde 1] bevroren en dit lijkt me niet verstandig. Ik had graag gezien dat jullie jezelf konden betalen op de correcte manier, mezelf te kunnen uitkeren, rekeningen te kunnen betalen en te plannen voor alle leuke dingen in de toekomst.” 4.5.3. Uiteindelijk zijn de studenten de door [naam eiseres] aangehangen uitleg alsnog ter discussie gaan stellen. Dat heeft tot een geschil geleid waarbij door [naam eiseres] jegens [gedaagden] (deels hoofdelijk) aanspraak wordt gemaakt op vermeende achterstallige provisie en boetes. Daartoe wordt ook een beroep gedaan op de borgstellingen. De studenten hebben zich steeds bereid verklaard de provisie volgens hun interpretatie op factuur van [naam eiseres] te betalen. 4.6. Niet enkel ten aanzien van de bruto-uitleg hebben de studenten zich laten intimideren en overdonderen door [naam 1] , maar ook ten aanzien van het ondertekenen van de in opdracht van [naam eiseres] opgestelde provisieovereenkomst. Hiertoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. 4.6.1. De wijze van communiceren van [naam 1] , zoals weergegeven onder 2.12 – met betrekking tot de volmacht die de studenten op verzoek van [naam 1] hebben getekend voor de oprichting van [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] voorafgaand aan het tekenen van de provisieovereenkomst – te weten “UITPRINTEN EN ONDERTEKENEN” komt de rechtbank intimiderend voor. 4.6.2. Met zijn onder 2.9 weergegeven e-mail van 26 mei 2017 heeft [naam 1] de druk bij de studenten tot het sluiten van de provisieovereenkomst opgevoerd, door hen te verzoeken binnen tweeënhalf uur een terugkoppeling te geven op het concept van de provisieovereenkomst. Dat de studenten eerst op 31 mei 2017 akkoord zijn gegaan met het concept, maakt niet dat [naam 1] met die e-mail geen druk op hen heeft uitgeoefend. Daarbij komt dat [naam eiseres] in de provisieovereenkomst – voor [gedaagden] – zeer nadelige bepalingen, zoals weergegeven onder 2.20, heeft laten opnemen. Ook heeft [naam eiseres] , zoals door [gedaagden] gesteld en door [naam eiseres] niet (voldoende) betwist, nieuwe bepalingen aan de definitieve provisieovereenkomst toegevoegd nadat de studenten op 31 mei 2017 akkoord waren gegaan met het concept van 26 mei 2017, waaronder de bepaling dat [naam gedaagde 1] de overeenkomst niet mag beëindigen, ontbinden en/of opzeggen, zonder dat specifiek te noemen op het moment dat de overeenkomst werd getekend. 4.7. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de op zakelijk gebied veel meer ervaren [naam 1] de studenten vanaf het moment dat hij de in zijn opdracht opgestelde en door de studenten te ondertekenen overeenkomsten aan de studenten heeft voorgelegd, heeft overdonderd en geïntimideerd, zodanig dat de studenten ertoe zijn gebracht een wurgcontract te ondertekenen en uiteindelijk hebben gezegd dat ze ook uitgaan van de bruto-uitleg. Dat brengt, zoals reeds vermeld onder 4.5, in de gegeven omstandigheden niet mee dat die uitleg ook in rechte moet worden gevolgd. Rechtsverhoudingen worden mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. 4.8. De op de tekst van de provisieovereenkomst gebaseerde vorderingen van [naam eiseres] , de vorderingen tot (al dan niet uit hoofde van de borgstellingen; artikelen 3.3 en 3.4) betaling van de bruto-provisie (artikel 1.1) en de boete (artikel 1.8), zijn in het licht van alle omstandigheden van het geval dermate onbillijk en onredelijk dat zich de situatie van artikel 6:248 lid 2 BW voordoet: Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. 4.9. Van belang in dit verband is de manier waarop de studenten onder druk gezet zijn en zich ook daadwerkelijk onder druk gezet voelden, zoals hiervoor uiteengezet. Er is geen rechtvaardiging voor het feit dat de overeenkomst zeer eenzijdig is. Nadat bij de studenten meer en meer het besef begon te groeien dat zij zich hadden laten overdonderden en intimideren, was [naam 1] nog steeds in staat om hen eronder te houden door te dreigen met juridische actie op basis van onder meer contractueel vastgelegde enorme boetes gekoppeld aan onder meer persoonlijke borgstellingen van per student € 50.000,00 per jaar voor een periode van vijf jaar. Waar [naam 1] zich voordeed als mentor van de studenten was hij in werkelijkheid eenzijdig bezig met het dienen van zijn eigen belang. Op deze manier de studenten onder druk zetten, is onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. 4.10. Daarbij geldt dat [naam 1] in het begin weliswaar een bepaalde bijdrage heeft geleverd, maar van aanvang af de studenten ook onjuist heeft geïnformeerd. Dat laatste blijkt onder meer uit de onder 2.10 weergegeven correspondentie, waarin [naam 1] de studenten voorhoudt dat artikel 3 van de provisieovereenkomst alleen gebruikt kan worden in de situatie dat (één van) de studenten zou besluiten om het spel te exploiteren vanuit een andere onderneming. Ook blijkt dit uit de door [naam 1] gezonden e-mail van 6 april 2018, waarin hij de studenten doet laten geloven dat er geen betalingen konden worden verricht, zolang de discussie over de bruto/netto-uitleg speelde (zie ook onder 4.5.1 en 4.5.2). 4.11. Als gevolg van het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat [gedaagden] toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst, namelijk niet zijn tekortgeschoten in hetgeen de wederpartij in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hen mocht verwachten. 4.12. Ten aanzien van het door [naam eiseres] gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagden] overweegt de rechtbank als volgt. 4.12.1. Zoals hiervoor is geoordeeld, is [naam gedaagde 1] niet tekortgeschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst. Er is dus geen sprake van, zoals [naam eiseres] stelt “het al dan niet opzettelijk wanpresteren onder de overeenkomsten / het niet betalen van de openstaande facturen van [naam eiseres] ”, zoals door [naam eiseres] ten aanzien van [naam gedaagde 1] gesteld. 4.12.2. Uit het oordeel dat [naam gedaagde 1] niet toerekenbaar is tekortschoten in de nakoming van de provisieovereenkomst vloeit ook voort dat [naam gedaagde 2] en de studenten niet “bewust de wanprestatie van [naam gedaagde 1] hebben gepleegd door de betalingen aan [naam eiseres] niet te verrichten dan wel hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [naam gedaagde 1] contractuele verplichtingen niet nakomt“. 4.12.3. In zoverre is dus geen sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagden] jegens [naam eiseres] . 4.12.4. Evenmin is sprake van door [naam gedaagde 1] verrichtte onverschuldigde betalingen, nu, zoals door [gedaagden] gesteld en door [naam eiseres] niet (voldoende) betwist, aan de betalingen een overeenkomst met Stichting Beheer Derdengelden “ [naam 7] ” ten grondslag ligt. 4.12.5. Het is aan [naam eiseres] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door het achtergehouden van betalingen en door verduistering, met als doel (van [naam gedaagde 2] en de studenten) en als gevolg de benadeling van [naam eiseres] en overige schuldeisers van [naam gedaagde 1] , ten gunste van [naam gedaagde 2] en de studenten. De rechtbank is van oordeel dat [naam eiseres] haar stellingen dat door het in beheer geven van de gelden [naam gedaagde 1] niet meer in staat is om aan haar verplichtingen te voldoen en geen verhaal meer biedt voor de vorderingen van [naam eiseres] , dat het aandelenbelang van [naam eiseres] in [naam gedaagde 1] minder waard is geworden en dat [naam gedaagde 2] en de studenten een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt, niet (voldoende) heeft onderbouwd. Het had, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door [gedaagden] , op de weg van [naam eiseres] gelegen om deze stellingen nader te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat ook in zoverre niet kan worden geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagden] 4.12.6. Het onder 4.12 overwogene brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagden] jegens [naam eiseres] . 4.13. Gelet op het voorgaande, worden de vorderingen met betrekking tot de provisieovereenkomst, zoals weergegeven in 3.1 onder 1 tot en met 8, afgewezen. Ten aanzien van de managementovereenkomst 4.14. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [naam eiseres] erkend dat de managementvergoeding tot de datum van de zitting door [naam gedaagde 1] is betaald, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Nu de managementvergoeding tot maart 2021 gewoon door [naam gedaagde 1] aan [naam eiseres] is betaald, is er geen reden om aan te nemen dat dit meer niet het geval is geweest voor de managementvergoeding verschuldigd na maart 2021. Als gevolg hiervan kan niet worden geoordeeld dat [naam gedaagde 1] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de managementovereenkomst. Evenmin is, zoals geoordeeld onder 4.12, sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagden] jegens [naam eiseres] , nog afgezien van het feit dat, nu de betalingen op grond van de managementovereenkomst zijn verricht, de rechtbank niet inziet hoe ten aanzien van de vorderingen op grond van de managementovereenkomst sprake kan zijn van door [naam eiseres] geleden schade. Dat is door [naam eiseres] ook niet onderbouwd. De vorderingen ten aanzien van de managementovereenkomst, zoals weergegeven in 3.1 onder 1 en 2, 5 en 8, worden derhalve afgewezen. Ten aanzien van de aandeelhoudersovereenkomst 4.15. Zoals geoordeeld in het vonnis in incident van 30 september 2020 van deze rechtbank, is de rechtbank niet bevoegd om van de vorderingen ten aanzien van de aandeelhoudersovereenkomst kennis te nemen, zodat [naam eiseres] in deze vorderingen (zoals weergegeven in 3.1 onder 1 tot en met 8) niet-ontvankelijk wordt verklaard. Proceskosten 4.16. [naam eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op: - griffierecht € 4.131,00 - salaris advocaat € 7.998,00 (2,0 punten × tarief € 3.999,00) Totaal € 12.129,00 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals gevorderd. 4.18. De gevorderde veroordeling in de nakosten, en de daarover gevorderde wettelijke rente, wordt toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld. In reconventie Ten aanzien van de provisieovereenkomst 4.19. [eisers] vorderen, onder meer, zowel primair als subsidiair partiële vernietiging, dan wel wijziging van de provisieovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW en 3:54 lid 2 BW, dan wel dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW jo. artikel 6:230 lid 2 BW. 4.20. In conventie is reeds geoordeeld dat toepassing van de bepalingen onder de artikelen 1.8, 2.2, 2.3, 3.3 en 3.4 van de provisieovereenkomst, conform het verweer van [eisers] , naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht. Hieruit vloeit voort dat [eisers] bij de vorderingen tot het verwijderen de artikelen 1.8, 2.2, 2.3 3.3 en 3.4, zoals weergegeven in 3.3 onder I.2, I.3, V.1 en V.2, geen belang meer hebben. De rechtbank zal deze vorderingen daarom afwijzen wegens gebrek aan belang. De desbetreffende bepalingen zijn immers niet van toepassing. 4.21. Ten aanzien van de primaire vordering tot het partieel vernietigen dan wel wijzigingen van de provisieovereenkomst, zodat [naam eiser 1] enkel provisie is verschuldigd over het eerst betaalde spel (zoals weergegeven in 3.3 onder I.1), oordeelt de rechtbank als volgt. 4.22. De aanspraak van [naam eiseres] beperkt achten tot het eerste spel is naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. Van belang in dit verband is het volgende. Er is over dit aspect met de jurist aan de zijde van de studenten, [naam 2] , gecorrespondeerd (zie onder 2.7). In de overeenkomst is bovendien helder opgenomen dat het ook om vervolgen van het eerste spel gaat. Dat moet ook voor de studenten duidelijk zijn geweest. Aannemelijk is dat dat voor hen toen ook acceptabel was. Van dwaling is geen sprake. Het door [gedaagden] gedane beroep op misbruik van omstandigheden kan evenmin slagen. De vordering zoals weergegeven in 3.3 onder I.1 zal derhalve worden afgewezen. 4.23. Gelet op het onder 4.22 geoordeelde, kan ook de primair gevorderde verklaring voor recht dat [naam gedaagde 1] alleen de netto-provisie over het eerst betaalde spel verschuldigd is aan [naam eiseres] en de primair gevorderde veroordeling – kort gezegd – tot terugbetaling van de door [naam eiseres] ontvangen provisie die geen betrekking heeft op het eerst betaalde spel (weergegeven in 3.3 onder II respectievelijk III) niet worden toegewezen. 4.24. In conventie is geoordeeld dat de op de tekst van artikel 1.1 van de provisieovereenkomst gebaseerde vordering van [naam eiseres] tot betaling van de bruto-provisie in het licht van alle omstandigheden van het geval dermate onbillijk en onredelijk is dat zich de situatie van artikel 6:248 lid 2 BW voordoet. Dit brengt mee dat de bepaling, zoals vermeld in artikel 1.1 van de provisieovereenkomst niet van toepassing is voor zover daaraan de bruto-uitleg is/wordt gegeven. Welke uitleg dan wel aan deze bepaling kan worden gegeven, dient te worden bepaald aan de hand van het Haviltex-criterium. Het gaat er uiteindelijk om wat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Zoals in conventie reeds overwogen (zie 4.4) lag het in de rede om aan te nemen dat [naam gedaagde 1] aanspraak kon maken op een royalty vergoeding van 70% van bijvoorbeeld hetgeen Valve (Steam; is naast Xbox een verkoopkanaal) van haar klanten ontving en dat [naam eiseres] aanspraak kon maken op 10% daarvan. Dit brengt mee dat artikel 1.1 wel van toepassing is voor zover daaraan de netto-uitleg wordt gegeven. De subsidiair gevorderde verklaring voor recht, dat [naam gedaagde 1] alleen de netto-provisie verschuldigd is aan [naam eiseres] , zoals weergegeven in 3.3 onder VI, zal daarom wel worden toegewezen. De rechtbank merkt daarbij volledigheidshalve op dat de netto-provisie verschuldigd is over de gehele spellenreeks en, zoals geoordeeld in 4.23, niet enkel over het eerst betaalde spel. 4.25. Nu artikel 1.1 van de provisieovereenkomst niet van toepassing is voor zover daaraan de bruto-uitleg is gegeven, heeft betaling van de bruto-provisie in zoverre zonder rechtsgrond plaatsgevonden en is de betaling daarvan onverschuldigd geschied (artikel 6:203 BW). Het onverschuldigde moet in beginsel dan ook worden gerestitueerd. De vordering tot veroordeling van [naam eiseres] tot terugbetaling van het – door [naam eiseres] onbetwist gelaten – bedrag van € 23.479,18, te weten het verschil tussen de bruto- en netto-provisie zoals tot en met 4 november 2020 door [naam eiseres] ontvangen, zoals weergegeven in 3.3 onder VII, zal dan ook worden toegewezen. Ter zake van de verbintenis tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen is [naam eiseres] zonder ingebrekestelling in verzuim (artikel 6:205 BW). De rechtbank zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de gevorderde bedragen toewijzen. 4.26. Ten aanzien van de primaire vordering tot – kort gezegd – beëindiging van de provisieovereenkomst, althans dat voor recht wordt verklaard dat [naam gedaagde 1] de provisieovereenkomst mag opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden (zoals weergegeven in 3.3 onder IV), oordeelt de rechtbank als volgt. 4.27. [gedaagden] leggen aan deze vorderingen artikel 6:248 BW ten grondslag. De rechtbank volgt [gedaagden] in hun stelling dat de bepaling dat [naam gedaagde 1] de provisieovereenkomst niet mag beëindigen, ontbinden en/of opzeggen (en [naam eiseres] overigens wel), zoals vermeld in de artikel 2.2 en 2.3 van de provisieovereenkomst, jegens [gedaagden] dient te worden aangemerkt als onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ten aanzien van de totstandkoming van de opzeggingsregeling is daarbij van belang dat de bepalingen in opdracht van [naam 1] zijn opgenomen in het door de studenten te ondertekenen concept, nadat de studenten akkoord waren gegaan met een eerder concept, waarin deze bepaling niet was opgenomen, en zonder dat zij over (het opnemen van) deze bepaling zijn geïnformeerd. Daarnaast geldt ten aanzien van de overige, in 2.20 weergegeven bepalingen van de provisieovereenkomst dat uit de stellingen van partijen niet valt op te maken dat voor die zeer eenzijdige bepalingen een rechtvaardiging bestaat. Door het handelen van [naam 1] is een contract tot stand gekomen dat op geen enkele wijze rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de studenten. [naam 1] kan door de wijze waarop hij jegens de studenten heeft gehandeld, als gevolg waarvan het vertrouwen in hem volledig is tenietgegaan, geen positieve bijdrage (meer) leveren aan de vennootschap. Het voor onbepaalde tijd voortduren van de provisieverplichting kan in de gegeven omstandigheden dermate onevenwichtig worden geacht dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het onaanvaardbaar is dat gedaagden de provisieovereenkomst niet kunnen opzeggen. De provisieovereenkomst, die een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden opgezegd, met inachtneming van een redelijke termijn, waarbij de rechtbank, mede gelet op de relatief geringe investering die [naam eiseres] heeft gedaan, opzegging per 1 januari 2022 redelijk acht. Ten aanzien van het aandelenbelang 4.28. [gedaagden] vorderen op grond van artikel 2:336 BW veroordeling van [naam eiseres] tot – kort gezegd – overdracht van haar aandelen in [naam gedaagde 1] aan [naam gedaagde 2] , althans aan [naam gedaagde 2] en [naam eiseres] [naam gedaagde 2] . Zij stelt daartoe dat [naam 1] vanaf het begin van de samenwerking in [naam gedaagde 1] niet heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen van een redelijk handelend aandeelhouder, die ook bestuurder van de vennootschap is, mag worden verwacht en in overtreding is van artikel 2:8 BW, de bepalingen van de aandeelhoudersovereenkomst en de statuten. 4.29. [naam eiseres] doet allereerst een beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vordering, nu in de aandeelhoudersovereenkomst een arbitragebeding is opgenomen, zodat vorderingen die betrekking hebben op de aandeelhoudersovereenkomst middels arbitrage dienen te worden beslecht. 4.30. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de vordering tot overdracht van de aandelen, zoals weergegeven in 3.3 onder VIII, als volgt. 4.30.1. De rechtbank verwerpt het beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank. Zoals ook door [gedaagden] gesteld, miskent [naam eiseres] hiermee dat de statuten of de aandeelhoudersovereenkomst geen specifieke bepaling bevatten dat geschillen als bedoeld in artikel 2:335 e.v. BW aan arbitrage zijn onderworpen. Nu een bepaling gelijk aan artikel 2:336 BW ontbreekt, is de rechtbank bevoegd om van de vordering als bedoeld in artikel 2:336 BW kennis te nemen. 4.30.2. Zoals [gedaagden] heeft gesteld, is op grond van de statuten ten minste driekwart meerderheid nodig voor een veelheid aan besluiten. De rechtbank constateert dat [naam gedaagde 2] weinig opschiet met een kostbare exercitie om de aandelen van [naam eiseres] over te nemen, nu zij na een overname van de aandelen van [naam eiseres] nog steeds onder de drempel van 75% stemrecht zit. Immers, zoals weergegeven in 2.23 houdt aandeelhouder [naam bedrijf 2] 25,33% van de stemrechten en dat zal niet veranderen bij toewijzing van de vordering. [gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat [naam eiseres] de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst heeft geschonden door de verkoop van een gedeelte van haar aandelen en stemrechten aan [naam bedrijf 2] , maar heeft bij de gelegenheid van de mondeling behandeling desgevraagd verklaard dat hieraan geen rechtsgevolgen worden verbonden door [gedaagden] en dat het niet haar intentie is om de transactie, waarbij de aandelen van [naam eiseres] deels zijn overgedragen aan [naam bedrijf 2] , terug te draaien. De patstelling die volgens [gedaagden] is ontstaan doordat [naam eiseres] , al dan niet samen met [naam bedrijf 2] , alle ontwikkelingen van [naam gedaagde 1] tegenhoudt door hun doorslaggevende stem te misbruiken, is niet opgelost door toewijzing van de vordering, zeker gelet op het feit dat [naam 1] ook aandeelhouder is van [naam bedrijf 2] . 4.30.3. Gelet op het voorgaande zal de vordering, wegens gebrek aan belang, worden afgewezen. De rechtbank wijst partijen er echter op dat het in de rede ligt dat de aandeelhouders met elkaar in overleg treden over de mogelijkheid van een structurele oplossing, al was het maar omdat anders voorzienbaar is dat de geschillen tussen de aandeelhouders tot nieuwe kostbare procedures gaan leiden en mogelijk uiteindelijk tot het einde van de onderneming en het tenietgaan van de waarde ervan waar geen van de aandeelhouders bij is gebaat. 4.31. Aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, worden de kosten van deze procedure in reconventie tussen partijen ingevolge artikel 237 lid 1 Rv gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In conventie en in reconventie 4.32. Tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring is geen verweer gevoerd, terwijl [gedaagden] geacht moeten worden daarbij belang te hebben, zodat deze wordt toegewezen. 5. De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. verklaart [naam eiseres] ten aanzien van de vorderingen die zien op de aandeelhoudersovereenkomst (weergegeven in 3.1 onder 1 tot en met 8) niet-ontvankelijk, 5.2. wijst af het meer of anders gevorderde, 5.3. veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 12.129,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt [naam eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.5. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.6. verklaart voor recht dat [naam eiser 1] alleen de netto-provisie verschuldigd is aan [naam verweerster] , 5.7. veroordeelt [naam verweerster] tot (terug)betaling van € 23.479,18 ter zake van het verschil tussen de bruto- en de netto-provisie zoals die tot en met 4 november 2020 door [naam verweerster] is ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectieve ontvangstdata van de teveel ontvangen provisie tot en met de dag der algehele betaling, 5.8. verklaart voor recht dat [naam eiser 1] gerechtigd is de provisieovereenkomst op te zeggen per 1 januari 2022, 5.9. compenseert de kosten van deze procedure in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.10. wijst af het meer of anders gevorderde, 5.11. verklaart de veroordeling onder 5.7 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze op Het6 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar. 3242/1729