← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:10164

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven Zittingsplaats Dordrecht zaaknummer / rolnummer: C/10/627456 / HA ZA 21-928 Vonnis van 23 november 2022 in de zaak van de naamloze vennootschap N.V. REINIS , gevestigd te Spijkenisse, eiseres, advocaat mr. M.C.V. Dornstedt te Hellevoetsluis, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEUTE PAPIERRECYCLING B.V. , gevestigd te Dordrecht, gedaagde, advocaat mr. V. van den Bos te Rotterdam. Partijen zullen hierna Reinis en Peute worden genoemd.

  1. De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 17 augustus 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de akte houdende uitlating bewijs van de zijde van Reinis. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
  2. De verdere beoordeling 2.1 De rechtbank neemt hier over en blijft bij wat in het tussenvonnis van 17 augustus 2022 is overwogen en beslist. 2.2 In dat vonnis is Reinis toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan blijken dat de extra sorteerwerkzaamheden die Peute Reinis in 2020 in rekening heeft gebracht door Klein Recycling niet zijn uitgevoerd. In verband daarmee is de zaak verwezen naar de rol. 2.3 Reinis heeft bij akte afgezien van bewijslevering. Daarom neemt de rechtbank, zoals in het tussenvonnis van 17 augustus 2022 onder 5.7.2 is overwogen, aan dat de werkzaamheden waarop de door Peute aan Reinis in rekening gebrachte sorteerkosten zien, daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Van tekortschieten van Peute is dan ook geen sprake. Zoals in het tussenvonnis van 17 augustus 2022 onder 5.7.3 en 5.7.5 is overwogen zal de vordering in hoofdsom worden afgewezen. Dat brengt mee dat de beslagkosten voor rekening van Reinis moeten blijven en dat voor vergoeding van door Reinis gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en advocaatkosten geen plaats is. Over de gevorderde wettelijke handelsrente en verklaring voor recht is in eerder genoemd vonnis reeds beslist (5.8 en 5.9). 2.4 Aan een beslissing over de executie van de bankgarantie komt de rechtbank, nu de vorderingen van Reinis alle zullen worden afgewezen, niet toe. 2.5 Reinis wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van Peute op € 4.200,- aan griffierecht en op € 5.310,- (3 punten à € 1.770,-) aan salaris voor de advocaat. Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover. De beslissing De rechtbank wijst de vorderingen af; veroordeelt Reinis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Peute begroot op € 4.200,- aan griffierecht en op € 5.310,- aan salaris voor de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, waarna bij niet-betaling wettelijke rente is verschuldigd; verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken op 23 november
  3. 2632

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.