vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/634007 / HA ZA 22-157 Vonnis van 14 december 2022 in de zaak van
(2)[naam schip07]-/gps-software van dit schip; een verklaring van [naam01] , schipper van de [naam schip05] (prod. 8 [eisers01] ) een verklaring van [eiser01] van 4 januari 2022 (prod. 9 [eisers01] ); een verklaring van [naam02] , nautisch deskundige (prod. 11 [eisers01] ); een door de advocaat van [eisers01] op schrift gestelde feitenweergave met als titel “Reconstructie” (prod. 16 [eisers01] ); diverse in de processtukken opgenomen foto’s van de incidentregistratie van Rijkswaterstaat (de aangekondigde USB-stick van prod. 1 [gedaagden01] heeft de rechtbank niet aangetroffen); een door de advocaat van [gedaagden01] opgestelde notitie incidentregistratie na het bekijken van de beelden en het beluisteren van de marifoongesprekken; tijdens het bekijken van de beelden werd door de ambtenaar van Rijkswaterstaat steeds een vector op de schepen geplaatst om zo de onderlinge afstanden en de afstanden tot de wal op te meten (prod. 2 [gedaagden01] ); een verklaring van 25 juni 2021 van [naam03] , de roerganger van [naam schip02] (prod. 3 [gedaagden01] ); een rapportage van Rijkswaterstaat van 10 maart 2022 van de hand van [naam04] , senior adviseur Scheepvaart, Handhaving en vergunningverlening (eerste prod. 1 Staat); een aanvullende verklaring van 22 september 2022 van [naam04] voornoemd (prod. 5 Staat). Ter zitting zijn nog verklaringen afgelegd door [eiser01] en [eiser02] , [naam04] voornoemd en [naam05] (expert van [eisers01] ). 4.6. Op grond van de (onvoldoende gemotiveerd weersproken) stellingen van partijen en producties alsmede de ter zitting afgelegde verklaringen, stelt de rechtbank de toedracht van de aanvaring als volgt vast. 4.6.1. Op 15 september 2020 vaart de lege [naam schip02] in zuidelijke richting in het Amsterdam-Rijnkanaal. Achter het roer staat [naam03] . Om 15:20:00 uur en 15:21:59 uur roept [naam schip02] het motorschip [naam schip05] (hierna: de [naam schip05] ) op via de marifoon. 4.6.2. Vervolgens loopt [naam schip02] de [naam schip05] voorbij met een snelheid van 11,5 tot 12,5 km/u. 4.6.3. Na het passeren van de [naam schip05] verhoogt [naam schip02] haar snelheid. [naam schip02] nadert de eveneens in zuidelijke richting varende [naam schip01] met een snelheid van 16,3 tot 16,5 km/u. [naam schip01] is geladen met mais en steekt 2.40 à 2.50 meter diep. [eiser02] staat aan het roer in de stuurhut. [eiser01] bevindt zich op dek naast de stuurhut. 4.6.4. Ter hoogte van KM 10,7 is de afstand tussen [naam schip01] en haar stuurboordwal ongeveer 40 meter. 4.6.5. Om 15:34:38 uur en 15:34:47 uur roept [naam schip02] [naam schip01] op via de marifoon. Dit is ter hoogte van KM 11,1. De afstand tussen [naam schip01] (snelheid: 13,1 km/
- u)en de stuurboordwal is dan ongeveer 27 meter; de afstand tussen [naam schip02] (snelheid: 16,5 km/
- u)en haar stuurboordwal is dan 50 meter. Uit tegengestelde richting naderen [naam schip03] en [naam schip04] . 4.6.6. Om 15:35:15 uur reageert [naam schip01] . 4.6.7. Om 15:35:18 uur geeft [naam schip02] via de marifoon aan dat zij [naam schip01] wil voorbijlopen aan bakboord. 4.6.8. Om 15:35:21 uur reageert [naam schip01] : “Dat is goed. Laat maar komen”. 4.6.9. Om 15:36:08 uur begint het voorbijlopen. Ongeveer op dat moment passeert [naam schip03] (breed 10 meter) in noordelijke richting. De dwarsafstand van [naam schip02] (snelheid: 16,5 km/
- u)naar stuurboordwal is 43 meter; de dwarsafstand van [naam schip01] (snelheid: 13,1 km/
- u)naar stuurboordwal is ongeveer 23 meter. Deze afstanden zijn gemeten vanuit het hart van de schepen; gelet op de breedtes van de schepen betekent dit dat de dwarsafstand tussen [naam schip01] en [naam schip02] 16,5 meter was. 4.6.10. Om 15:37:07 uur vaart [naam schip02] met een snelheid van 16,5 km/u op een dwarsafstand van 44 meter uit stuurboordwal; [naam schip01] vaart met een snelheid van 13,1 km/u 28 meter uit stuurboordwal. De dwarsafstand tussen beide schepen ter hoogte van KM 11,4 is 12 meter. Ongeveer op dit moment passeert [naam schip04] (breedte 8 meter). 4.6.11. Om 15:38:05 vaart de “ [naam schip02] ” met een snelheid van 16,5 km/u op een dwarsafstand van 52 meter uit stuurboordwal; [naam schip01] vaart met een snelheid van 13,1 km/u 32 meter uit stuurboordwal. De dwarsafstand tussen beide schepen ter hoogte van KM 11,6 is ongeveer 16 meter. 4.6.12. Kort daarop wordt het achterschip van [naam schip01] door (de boeggolf van) [naam schip02] naar stuurboord gezet waardoor de kop naar bakboord gaat en naar de Elisabethstand toekomt. De dwarsafstand tussen beide schepen bedraagt dan nog maar enkele meters. [naam06] stapt de stuurhut in en neemt het roer van [eiser02] over. 4.6.13. Om 15:38:50 uur vaart [naam schip02] met een snelheid van 16,4 km/u op een dwarsafstand van 52 meter uit haar stuurboordwal; [naam schip01] vaart met een snelheid van 12,5 km/u. Door met de voortstuwingsmotor en het roer te werken weet [eiser01] het schip weer gestrekt te krijgen maar het schip draait direct door naar stuurboord. 4.6.14. Om 15:39:16 uur vaart [naam schip01] net voor KM 12 met de kop in haar stuurboordwal, de hoek is minder dan 90 graden. 4.6.15. Om 15:40:30 uur roept [naam schip02] [naam schip01] op via de marifoon. De [naam schip01] reageert om 15:40:31 uur. Om 15:40:38 uur vraagt [naam schip02] of [naam schip01] hulp nodig heeft; [naam schip01] reageert: "nog niet bekend". 4.6.16. Na het voorbijlopen neemt de snelheid van [naam schip02] toe tot 17,1 km/u. Om 15:46:19 uur roept [naam schip02] de [naam schip06] op om het incident te melden. 4.7. Voor alle hierboven genoemde tijdstippen, snelheden en afstanden geldt dat zij bij benadering gelden. Omwille van de leesbaarheid zijn de woorden “ongeveer” en “bij benadering” niet steeds vermeld. De tijdsaanduidingen van [naam schip07] en de incidenten-registratie wijken onderling hooguit 15 seconden van elkaar af (vast te stellen bij het passeren van [naam schip03] en [naam schip04] ). 4.8. Terecht hebben [eisers01] gesteld dat [naam schip07] -registratie en de incidentenregistratie van Rijkswaterstaat niet de radarbeelden maar alleen het verspringen van de AIS-zenders (op achterschepen) weergeven. In de incidentregistratie zijn de contouren van de schepen digitaal ingetekend. Deze contouren geven niet de werkelijke strekking ( heading ) en/of ligging van de schepen in het kanaal weer. [naam04] heeft namens de Staat hetzelfde aangegeven. [naam schip07] en incidentregistratie zijn voor de rechtbank wel bruikbaar voor het vaststellen van de gevarensnelheden en het inschatten van de onderlinge dwarsafstanden van [naam schip01] en [naam schip02] en de dwarsafstanden naar de wal toe, echter alleen zolang deze schepen eenzelfde koers voeren. Vanaf het moment waarop [naam schip01] bakboord uitging, acht de rechtbank om de hiervoor genoemde reden de door [gedaagden01] gemeten dwarsafstanden niet meer betrouwbaar. 4.9. Bij het vaststellen van de hierboven weergegeven toedracht heeft de rechtbank de strekking van [naam schip01] vastgesteld op basis van het aan boord van de [naam schip05] gemaakt filmpje. Door terug te rekenen vanaf het moment van het in de wal lopen van [naam schip01] kan de rechtbank bij benadering vaststellen op welke tijdstippen [naam schip01] eerder bakboord en iets later stuurboord uit is gegaan. Het moment van het in de wal lopen heeft de rechtbank overeenkomstig het standpunt van [eisers01] vastgesteld op 15.39.16 uur, omdat dan op [naam schip07] is te zien dat de richtingsvector van [naam schip01] is dwarsgevallen over stuurboord. Ongeveer een minuut eerder werd die bewegingsvector al onrustig, naar kan worden aangenomen, als gevolg van de opgetreden zuiging. 4.10. De hiervoor besproken mogelijke afwijkingen van de werkelijkheid acht de rechtbank niet dusdanig groot dat dat invloed kan hebben op onderstaande vaststelling van de onderlinge aansprakelijkheid. maatstaven voor aansprakelijkheid van [gedaagde01] en [gedaagde02] 4.11. Er is sprake van een schadevaring in de zin van artikel 8:1002 BW. Op grond van artikel 8:1004 lid 1 BW bestaat er slechts een verplichting tot vergoeding van schade als gevolg van een aanvaring/schadevaring, indien de schade is veroorzaakt door schuld. Uit het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3922, NJ 2002/143 ( Casuele/De Toekomst ) volgt dat sprake is van schuld van een schip, indien de schade het gevolg is van: a. een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de artikelen 6:169-6:171 BW; b. een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; c. de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen. Een genoemde fout die schuld van een schip oplevert, kan bestaan in het overtreden van het toepasselijke BPR. 4.12. In deze zaak zijn de volgende artikelen van het BPR relevant: Artikel 1.04 BPR De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat: het leven van personen in gevaar wordt gebracht; schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden; de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht. Artikel 1.05 BPR De schipper moet in het belang van de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, voorzover dit door de bijzondere omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt is geboden, volgens goede zeemanschap afwijken van de bepalingen van dit reglement. Artikel 6.03 lid 1 BPR Schepen mogen slechts elkaar voorbijvaren op tegengestelde koersen dan wel elkaar voorbijlopen, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen. Artikel 6.03 lid 6 BPR Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet het de eigen koers en snelheid zodanig regelen, dat andere schepen niet worden genoodzaakt hun koers of snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen. Artikel 6.03 lid 7 BPR Wanneer een schip bij het uitvoeren van een manoeuvre medewerking van een ander schip mag verlangen, moet het andere schip voorzover mogelijk door koerswijziging of snelheidsverandering zodanig meewerken, dat deze manoeuvre veilig kan geschieden. Artikel 6.09 lid 1 BPR Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen, nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden. Artikel 6.09 lid 2 BPR Een groot schip dat wordt opgelopen door een groot schip en elk klein schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voorzover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd. vaststelling aansprakelijkheid 4.13. Uit de vastgestelde toedracht volgt dat [naam schip02] haar snelheid na het oplopen van de [naam schip05] heeft verhoogd van 11,5 à 12,5 tot 16,3 à 16,5 km. Hoewel dat nog net onder de ter plaatse geldende maximumsnelheid was (in de processtukken wordt zowel 18 als 20 km per uur als maximum genoemd), acht de rechtbank die snelheid gezien de omstandigheden te hoog. De roerganger van [naam schip02] had zich moeten realiseren dat met de naderende [naam schip03] en de naderende [naam schip04] én het feit dat [naam schip01] op dat moment (Zie 4.6.4) nog ongeveer 40 meter uit haar stuurboordwal voer er gevaar voor zuiging zou kunnen ontstaan. Naar als bekend mag worden verondersteld neemt het gevaar van zuiging in het kwadraat toe naarmate de snelheid hoger is. Omdat [naam schip02] vanwege de tegenliggers niet veel ruimte had om over de as van het vaarwater te gaan, overtrad zij artikel 6.09 lid 1 BPR door [naam schip01] toch al voorbij te gaan lopen. Op grond van het bepaalde in artikel 6.09 lid 6 BPR mocht zij niet van [naam schip01] verwachten dat die op stel en sprong alles zou doen om het voorbijlopen mogelijk te maken (zie onder meer Hof Den Haag 15 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2348, S&S 2021/21). 4.14. Daarentegen heeft [naam schip01] niet voldaan aan de verplichting van artikel 6.09 lid 2 BPR om het voorbijlopen te vergemakkelijken en de snelheid te verminderen opdat het voorbijlopen zonder gevaar en in korte tijd kon geschieden. De [naam schip01] heeft namelijk niet of nauwelijks snelheid geminderd en zij is onvoldoende uitgeweken naar stuurboord, terwijl zij op de hoogte was van en zelfs toestemming had gegeven voor het voorbijlopen van [naam schip02] . Tussen partijen staat vast dat het Amsterdam-Rijnkanaal ter plaatse ongeveer 90 á 100 meter breed is en uit een dwarsprofiel bestaat waardoor het over de volle breedte bevaarbaar is. Op grond van de onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaring van de heer [naam04] van Rijkswaterstaat kon [naam schip01] daar tot ongeveer 10 meter uit de kant veilig varen. Uit hoofdstuk 3.2.van het door [eisers01] overgelegde Marin-rapport (over zuiging in het Amsterdam-Rijnkanaal) leidt de rechtbank af dat voor [naam schip01] (met een Yo/B van 1,8) bij een dergelijke korte afstand waakzaamheid geboden blijft. [naam schip01] had bij een dergelijke korte afstand tot de wal dus ook haar snelheid verder moeten verminderen om gevaar van oeverzuiging te voorkomen. Niet aannemelijk is dat direct onder de 13 km per uur de sturende werking van haar roer zou verminderen. In ieder geval staat vast dat [naam schip01] na haar akkoordverklaring met de oploopmanoeuvre met nagenoeg onverminderde snelheid tussen ongeveer 23 en 32 meter ( [eiser01] verklaarde zelf 20 á 30 meter) uit haar stuurboordwal bleef varen, waardoor zij de artikelen 1.04 en 6.09 lid 2 BPR heeft overtreden. 4.15. Anders dan [gedaagden01] hebben aangevoerd, heeft de schipper van [naam schip01] zich niet gehouden aan de regel van goed zeemanschap van artikel 1.04 BPR door zich niet in de stuurhut maar op het dek te bevinden. Ter zitting is immers vast komen te staan dat ook [eiser02] over een geldig vaarbevoegdheidsbewijs als stuurman beschikt. 4.16. Evenmin volgt uit het sterker dan verwacht draaien naar bakboord van [naam schip01] dat er sprake was van een technisch mankement. Van de kant van [eisers01] zijn diverse stukken overgelegd, waaronder certificaten van goedkeuring van de stuurmachine d.d. 14 mei 2018 en 20 april 2021 en een inspectierapport van een proefvaart d.d. 6 juli 2018. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden01] hiertegenover genoemde stelling onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Het sterk naar bakboord uitgaan van [naam schip01] wordt door de rechtbank volledig verklaard door de opgetreden zuiging, zoals ook uitgewerkt door de expert [naam02] . Ook de roerganger van [naam schip02] verklaarde: “[naam schip01] was sucked towards our bow”. 4.17. De wederzijds gemaakte fouten tegen elkaar afwegend komt de rechtbank op een schuldverdeling van 60:40 ten nadele van [naam schip02] . Bij deze afweging speelt een grote rol dat [naam schip02] de initiële fout heeft gemaakt. 4.18. Aangezien de rechtbank dus van oordeel is dat beide schepen schuld aan de schadevaring van [naam schip01] met de damwand hebben, is het primair gevorderde niet toewijsbaar en moet de rechtbank ook het subsidiair gevorderde beoordelen. Het subsidiair gevorderde zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum is bepaald. Wat betreft de omvang van de schade aan [naam schip01] gaat de rechtbank uit van het door [eisers01] terzake gevorderde bedrag van € 29.522,05, aangezien de hoogte van dat bedrag niet gemotiveerd is betwist door [gedaagden01] 4.19. Omdat [eisers01] en [gedaagden01] en de Staat alle voor een aanzienlijk deel in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5. De beslissing De rechtbank 5.1. stelt de schuldverdeling tussen [naam schip02] en [naam schip01] vast op 60:40, in welke verhouding [gedaagde01] en [gedaagde02] respectievelijk [eisers01] aansprakelijk zijn voor de aan [naam schip01] toegebrachte schade ter grootte van € 29.522,05; 5.2. veroordeelt [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiseres01] van dat aldus vastgestelde bedrag van € 17.713,23 (0,6 x € 29.522,05), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2020; 5.3. veroordeelt [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk om [eisers01] te vrijwaren tegen vorderingen van de Staat tot vergoeding van de schade aan de damwand, voor zover die vorderingen strekken tot betaling door [eisers01] van een hogere vergoeding van de schade aan de damwand dan waartoe [eisers01] in hun interne verhouding tot [gedaagde01] en [gedaagde02] op grond van de door de rechtbank vast te stellen schuldverdeling tussen beide schepen gehouden zijn; 5.4. veroordeelt [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eisers01] van de bedragen waarvan de Staat betaling vordert van [eisers01] , voor zover die bedragen hoger zijn dan waartoe [eisers01] in hun interne verhouding tot [gedaagde01] en [gedaagde02] op grond van de door de rechtbank vast te stellen schuldverdeling tussen beide schepen gehouden zijn 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af; 5.6. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.7. verklaart alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2022. 901/32