vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/636841 / HA ZA 22-316 Vonnis van 21 december 2022 in de zaak van ABN AMRO BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. R. Dijkema te Hilversum, tegen [gedaagde01] , wonende te [woonplaats01] , gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. P.A. Visser te Rotterdam. Partijen zullen hierna ABN AMRO en [gedaagde01] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 30 maart 2022, met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord in conventie tevens bevattend eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties 1 tot en met 19; - de oproepingsbrief van de rechtbank van 2 augustus 2022 voor de mondelinge behandeling; de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties 9 en 10; de akte overleggende producties van [gedaagde01] , met producties 20 tot en met 24; de mondelinge behandeling op 14 oktober 2022 en de niet genummerde productie, waarop de handtekeningen staan die [gedaagde01] toen zette en de kopieën van haar rijbewijs die op de zitting zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van mr. P.A. Visser. 1.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Op de rol van 9 november 2022 hebben partijen de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Op 4 juli 2012 heeft ABN AMRO met [bedrijf01] (hierna: [bedrijf01] ) een kredietovereenkomst gesloten tot verkrijging van kredietfaciliteiten voor een totaalbedrag van € 300.000,00. 2.2. [gedaagde01] en [naam01] (hierna: [naam01] ) waren ten tijde van het aangaan van het onder 2.1 bedoelde krediet (middellijk) bestuurders van [bedrijf01] . 2.3. De hierboven onder 2.1 genoemde kredietovereenkomst vermeldt onder “zekerheden en verklaringen” voor zover van belang: “Borgstelling van EUR 100.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van [naam01] , wonende aan de [adres01] te Hellevoetsluis.” “Borgstelling van EUR 100.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van [gedaagde01] , wonende aan de [adres02] te Capelle aan den IJssel.” Onderaan de kredietovereenkomst staan twee handtekeningen met daarbij de namen “ [gedaagde01] ” en “ [naam01] ”. 2.4. Op 2 juli 2012 is een op papier met het logo van ABN AMRO afgedrukte tekst van een “Borgstelling” ondertekend. De tekst van dit stuk, dat hierna wordt aangeduid als de borgstelling, luidt - voor zover relevant - als volgt: “Borgstelling Ondergetekende(n): [gedaagde01] , wonende aan de [adres02] te Capelle aan den IJssel, hierna te noemen "Borg", verklaart zich te stellen tot borg voor: [bedrijf01] , gevestigd te Hellevoetsluis, hierna te noemen "Hoofdschuldenaar", ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V., statutair gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen "Bank". Deze borgstelling wordt aangegaan onder de hierna volgende bepalingen: (…) 2. Deze borgtocht geldt voor al hetgeen de Hoofdschuldenaar aan de Bank nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn, uit welken hoofde ook, zo in als buiten rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, echter maximaal EUR 100.000,00, te vermeerderen met de rente daarover berekend op basis van het door de Hoofdschuldenaar verschuldigde rentepercentage, en alle kosten op de invordering vallend. De particuliere Borg is evenwel naast de hoofdsom tot niet meer gehouden dan de kosten als in dit artikel bedoeld en de rente op grond van de wet verschuldigd. (…) 10. De Borg verklaart bekend te zijn met de financiële positie van de Hoofdschuldenaar en met de inhoud van de verbintenis van de Hoofdschuldenaar jegens de Bank. De Bank heeft aan de Borg doel en strekking van de borgstelling medegedeeld. De Borg verklaart de mogelijke consequenties van de borgstelling ten volle te beseffen. (…).” Onderaan dit stuk staat vermeld: “ [gedaagde01] (Borg)”. Bij de naam van [gedaagde01] is een handtekening geplaatst. 2.5. Op 8 juli 2013 is de onder 2.1 vermelde kredietovereenkomst gewijzigd c.q. aangevuld. De kredietovereenkomst van 4 juli 2012 is daarbij niet beëindigd. 2.6. De kredietovereenkomst van 8 juli 2013 vermeldt, voor zover hier van belang: ‘‘(…) Zekerheden en verklaringen Borgstelling van EUR 100.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van de heer [naam01] , wonende aan de [adres01] te Hellevoetsluis. Borgstelling van EUR 100.000,00 te vermeerderen met rente en kosten, van mevrouw [gedaagde01] , wonende aan de [adres02] te Capelle aan den IJssel. (…).’’ Onderaan deze kredietovereenkomst staat onder de woorden “Ten blijke van mijn instemming” de naam “ [gedaagde01] ” vermeld. Bij de naam van [gedaagde01] is een handtekening geplaatst. 2.7. Op 21 juli 2015 is [bedrijf01] in staat van faillissement verklaard. 2.8. Op 23 juli 2015 heeft [naam02] , de incassogemachtigde van ABN AMRO , vanwege het faillissement van [bedrijf01] de kredietfaciliteit opgezegd. 2.9. Op 29 juli 2015 heeft [naam02] een brief gezonden aan [gedaagde01] waarin, voor zover relevant, het volgende staat: ‘‘(…) Wij maken u attent op het feit dat mocht [bedrijf01] niet voldoen aan het in de brief gestelde, wij genoodzaakt zijn u aan te spreken onder de door u afgegeven borgstelling ten behoeve van het aan [bedrijf01] verstrekte krediet. (…).’’ 2.10. Bij brief van 7 januari 2016 heeft [naam02] [gedaagde01] verzocht om als borg een bedrag van € 100.000,00 te voldoen. [gedaagde01] heeft aan dit verzoek niet voldaan. 3. Het geschil in conventie 3.1. ABN AMRO vordert veroordeling van [gedaagde01] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van: I. € 113.005,43, te vermeerderen met de wettelijke rente per jaar daarover vanaf 24 maart 2022 tot de dag van algehele voldoening; II. de kosten van deze procedure, de eventuele btw over de deurwaarderskosten daarin begrepen. 3.2. ABN AMRO voert voor haar vorderingen samengevat het volgende aan. ABN AMRO heeft aan [bedrijf01] een krediet verstrekt waarvan op 24 maart 2022 € 275.357,71 nog open staat. Omdat [bedrijf01] die schuld niet heeft voldaan, is [gedaagde01] vanwege de borgstelling aansprakelijk voor de betaling van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente (die over de periode van 21 januari 2016 tot en met 24 maart 2022 € 13.005,43 bedraagt). 3.3. [gedaagde01] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van ABN AMRO in de proceskosten. 3.4. [gedaagde01] voert samengevat het volgende aan. [gedaagde01] heeft de kredietovereen-komst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.