Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/091439-21 Datum uitspraak: 14 december 2022 Tegenspraak (279 Sv) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] (Albanië) op [geboortedatum01] 1995, niet ingeschreven in de basisregistratie personen, zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, gemachtigd raadsman mr. A.J. Admiraal, advocaat te Amsterdam.
- Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 december
- Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
- Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest.
- Motivering vrijspraak Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte was aanwezig in een woning waar ruim twee kilogram cocaïne en 200 gram heroïne is aangetroffen. Daarnaast is er op vier verschillende plekken/goederen – te weten op een handvat, een schuifknop, een handvat van een mes en op de randen van een stempel – DNA-materiaal gevonden dat matcht met (onder andere) het DNA van de verdachte. In de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte zijn twee foto’s met betrekking tot verdovende middelen aangetroffen, waarop voorwerpen te zien zijn die te relateren zijn aan de aangetroffen goederen in de woning. Beoordeling Vast staat dat de verdachte op 1 april 2021 is aangehouden in een woning aan de [adres01] in Rotterdam, waarin op dat moment ook ruim twee kilogram cocaïne en 200,9 gram heroïne is aangetroffen. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is in ieder geval vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van die verdovende middelen in de woning. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de aangetroffen verdovende middelen niet in het zicht lagen in de woning, maar zijn gevonden in dichte kasten in zowel de slaap- als woonkamer. Evenmin blijkt uit het dossier dat mogelijk drugsgerelateerde goederen in het zicht van de verdachte lagen. Uit de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte(n) is verder gebleken dat de verdachte niet de bewoner was van de woning, maar ten tijde van de aanhouding daar slechts op bezoek was. In het licht van het vorenstaande kan de rechtbank dan ook niet vaststellen dat de verdachte wetenschap heeft gehad of heeft moeten hebben van het feit dat zich op dat moment verdovende middelen in de woning bevonden. Die wetenschap kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat uit het DNA-onderzoek is gebleken dat DNA van (onder meer) de verdachte op diverse goederen, waaronder de rand van een stempel, is aangetroffen. De rechtbank kan namelijk op basis van het dossier niet vaststellen waar die goederen zijn aangetroffen, noch wanneer het DNA van de verdachte op die goederen terecht gekomen zou zijn, mede omdat de verdachte – naar zijn zeggen – in het verleden al twee keer eerder in die woning zou zijn geweest. Tot slot kunnen ook de foto’s die in de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte zijn aangetroffen de vereiste wetenschap bij de verdachte niet ondersteunen, omdat op basis van die foto’s niet kan worden vastgesteld dat deze door de verdachte zijn gemaakt, noch dat zij betrekking hebben op de toen en daar aangetroffen verdovende middelen. De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat niet is bewezen dat de verdachte wetenschap en/of (enig) beschikkingsmacht heeft gehad van/over de verdovende middelen in de woning. Ook het medeplegen is niet bewezen. Conclusie Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
- Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
- Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Stolk, voorzitter, en mrs. C.G. van de Grampel en J. van de Klashorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 1 april 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2287,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 200,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. (art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)