RECHTBANK ROTTERDAM Locatie Rotterdam Zaaknummer: 10053419 VZ VERZ 22-10785 Datum uitspraak: 21 december 2022 Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [naam persoon 1] , woonplaats: [woonplaats] , verzoeker, tevens verweerder ingevolge het (deels voorwaardelijk gedane) tegenverzoek, gemachtigde: mr. T.J.W.M. Stals, tegen ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM, vestigingsplaats: Rotterdam , verweerster, tevens verzoekster ingevolge het (deels voorwaardelijk gedane) tegenverzoek, gemachtigde: mr. T.B.M. Kersten. Partijen worden hierna ‘ [naam persoon 1] ’ respectievelijk ‘ Erasmus MC ’ genoemd. 1.Het verloop van de procedure 1.
(58)stukken dient te worden vastgesteld dat het de afdeling - bij gebreke van een toelichting en een duidelijke structuur - weken tijd heeft gekost om deze te doorgronden. Veel van de stukken geven geen antwoord op de door uw leidinggevenden gestelde vragen. Daarbij komt, dat u ook hier bewust het risico heeft gecreëerd dat Erasmus MC mogelijk haar verplichtingen onder de AVG zou schenden door niet van te voren een DPIA te doen als dat aangewezen zou zijn. Protocollen zijn er niet voor niets. Die zijn er om de risico’s voor Erasmus MC te kanaliseren en minimaliseren. Wel blijkt uit de aangeleverde documentatie dat de persoonsgegevens van patiënten en vrijwilligers door middel van Google Forms worden geadministreerd en gecommuniceerd. Dit is weliswaar wettelijk niet verboden, maar in strijd met artikel 4.2, sub f Gedragscode voor het gebruik van Internet en ICT-faciliteiten en artikel 3.9 Informatiegids Erasmus MC . Daarnaast blijkt uit de door u toegezonden stukken dat er geen afspraken zijn gemaakt met betrokken derden ten aanzien van verantwoordelijkheden en rollen en de vraag hoe om te gaan met vertrouwelijke informatie. Door u benaderde collega’s voor het onderzoek stellen een andere functie met u besproken te hebben dan dat zij volgens de door u ingevulde papieren vervullen. U heeft hen niet schriftelijk, en van te voren, geïnformeerd over de door hen te vervullen rol. Bedrijfsonderdelen die doorgaans op de hoogte moeten zijn van een aankomend onderzoek, zoals het secretariaat en de afdeling [naam afdeling 2] , zijn niet door u geïnformeerd. Een DPIA, Data Protection Impact Assessment, ontbreekt. U heeft geen informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de Avans Hoogeschool bij de studie is betrokken. De dringende reden tot ontslag De bovengenoemde feiten vormen afzonderlijk, maar ook in samenhang bezien, een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Voor de onderbouwing naar de dringende reden verwijzen wij u naar het uitvoerige feitencomplex. Het Erasmus MC verwijt u in ieder geval dat: u stelselmatig met u gemaakte afspraken niet nakomt. Dit terwijl op 6 december 2021 met u is afgesproken dat u gemaakte afspraken voortaan opvolgt, dan wel tijdig zult aangeven waarom het u niet lukt de afspraak na te komen; u in strijd heeft gehandeld met de wetenschappelijke integriteit en de met prof. [naam persoon 12] gemaakte afspraak, die nog eens op 6 december 2021 door uw huidige leidinggeven is herhaald, door zonder een gedegen wetenschappelijke onderbouwing conclusies te trekken en deze publiekelijk te maken; u voorafgaand aan het interview over uw eigen conclusies geen contact heeft gezocht met uw eigen afdeling; u steeds opnieuw op uw verplichtingen moet gewezen en dit er niet toe leidt dat u uit eigen beweging, open en transparant en volledig informatie verstrekt; u in strijd met de wetenschappelijke integriteit en de interne Research Code en andere (interne) regels van het Erasmus MC heeft gehandeld door de verkregen data van de verstrekte samples voor andere doeleinden te gebruiken, dan waarvoor zij aan u ter beschikking waren gesteld; u in strijd met de wetenschappelijke integriteit én de op 19 juli 2021 gemaakte afspraak heeft gehandeld door u wederom op het gebied van de afdeling Virologie te begeven en daarmee buiten uw expertisegebied en het gebied van de afdeling [naam afdeling 1] ; u in strijd met de wetenschappelijke integriteit heeft gehandeld door zonder medeweten van de medeauteurs hun naam te vermelden tijdens een (al gegeven) interview; u - bij herhaling en ondanks waarschuwingen - hardnekkig niet voldoet aan redelijke bevelen of opdrachten die door uw werkgever zijn gegeven, u door uw handelen bewust de relatie met collega-wetenschappers (onder andere van de Journal Club) op het spel zet en hen in diskrediet brengt of hen voor voldongen feiten stelt; dat u in de ogen van uw werkgever, misbruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die u bij de uitoefening van uw functie ten dienste staan; u de afdeling [naam afdeling 2] , collega’s en uw leidinggevenden willens en wetens onjuist geïnformeerd (ook door bewust weglaten van informatie) met als uitsluitende doel dat u uw persoonlijke opvattingen, waarvan u weet dat deze in strijd zijn met de gerechtvaardigde opvattingen van het Erasmus MC en in strijd zijn met uitdrukkelijke instructies, naar buiten toe te kunnen brengen. Daarmee brengt u willens en wetens de eer en goede (wetenschappelijke) naam van het Erasmus MC , gerenommeerde collega’s, en leidinggevenden in diskrediet. U creëert daarmee bovendien een grote maatschappelijke onrust, waarbij ook het Erasmus MC bij betrokken raakt, zonder dat sprake is van een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing. (…) Uw handelen komt daarmee in elk geval in strijd met: artikel 7:678, aanhef en onder b. van het Burgerlijk Wetboek, het in ernstige mate missen van de bekwaamheid of geschiktheid tot de arbeid waarvoor u zich verbonden heeft; artikel 7:678, aanhef en onder j. van het Burgerlijk Wetboek, het hardnekkig weigeren te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, die u door of namens de werkgever zijn verstrekt; artikel 7:678, aanhef en onder k. van het Burgerlijk Wetboek, het op andere wijze grovelijk veronachtzamen van de plicht welke de arbeidsovereenkomst en de interne richtlijnen aan u oplegt. De in deze brief genoemde redenen vormen elk afzonderlijk, maar ook in samenhang bezien, een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Ook als een of meer van de in deze brief genoemde omstandigheden niet komt vast te staan, zijn wij van mening dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Bij de afweging van alle omstandigheden hebben wij tevens rekening gehouden met uw (persoonlijke) omstandigheden, waaronder de duur van uw dienstverband bij het Erasmus MC en de (financiële) gevolgen van dit ontslag. Het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat uw arbeidsovereenkomst met ingang van 21 juni 2022 ten einde is gekomen. Door uw handelen heeft u een dringende reden veroorzaakt, die aan u te wijten valt, zodat u aan het Erasmus MC een vergoeding verschuldigd bent op basis van artikel 7:677 lid 2 in combinatie met artikel 7:677 lid 3 sub a van het Burgerlijk Wetboek. Deze vergoeding is gelijk aan een bedrag aan loon over de opzegtermijn die ingeval van regelmatige opzegging in acht had moeten worden genomen. Het Erasmus MC behoudt zich het recht voor om dit bedrag op u te verhalen en te verrekenen met eventueel aan u verschuldigde bedragen. In zoverre dient u deze brief tevens als een verrekeningsverklaring te beschouwen. Uw handelen merken wij tevens aan als ernstig verwijtbaar, als gevolg waarvan uw arbeidsovereenkomst (met dit ontslag op staande voet) onverwijld is opgezegd. Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW heeft u geen recht op een transitievergoeding. Wij zullen een eindafrekening opstellen van uw dienstverband, waarbij de opeisbare (schade)vergoeding(
- en)worden verrekend met hetgeen het Erasmus MC eventueel nog aan u is verschuldigd. (…)”. 3.Het geschil 3.1. [naam persoon 1] heeft (na verduidelijking van zijn verzoeken ter zitting) verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv: - Erasmus MC te veroordelen tot betaling aan [naam persoon 1] van het salaris van € 6.741,84 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten, vanaf 21 juni 2022 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd; en voorts: primair: het ontslag op staande voet te vernietigen, Erasmus MC te verplichten om [naam persoon 1] binnen 24 uur na betekening van de te geven beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat Erasmus MC hiermee in gebreke mocht blijven, en Erasmus MC te veroordelen tot betaling aan [naam persoon 1] van zijn laatstgenoten salaris (eventueel verhoogd met de gebruikelijke cao-verhogingen) vanaf 21 juni 2022 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW, dan wel subsidiair: - Erasmus MC te veroordelen tot betaling aan [naam persoon 1] van de transitievergoeding, door hem berekend op € 42.078,52 bruto, en zowel primair als subsidiair: Erasmus MC te veroordelen tot betaling aan [naam persoon 1] van de wettelijke rente over genoemde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening, Erasmus MC te veroordelen tot betaling aan [naam persoon 1] van de door haar verrekende bedragen ter hoogte van € 12.085,15 bruto, en Erasmus MC te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2. Erasmus MC heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat tot afwijzing van het door [naam persoon 1] verzochte strekt. Voorts heeft zij een aantal, deels voorwaardelijk gedane, tegenverzoeken ingesteld. Die strekken ertoe: haar ten laste van [naam persoon 1] de gefixeerde schadevergoeding toe te kennen, met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid, de arbeidsovereenkomst met [naam persoon 1] , voor zover geoordeeld zou worden dat die niet door het ontslag op staande voet is geëindigd, op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair op de zogeheten e-grond, subsidiair op de zogeheten g-grond en meer subsidiair op de zogeheten i-grond, en voor recht te verklaren dat een door haar eventueel aan [naam persoon 1] verschuldigde vergoeding mag worden verrekend met door [naam persoon 1] aan haar verschuldigde bedragen en dat [naam persoon 1] haar € 6.543,70 netto dient te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, dit alles, ook voor wat betreft het door [naam persoon 1] jegens Erasmus MC verzochte, met veroordeling van [naam persoon 1] in de kosten van de procedure en in de nakosten, met rente. 3.3. Op hetgeen partijen over en weer ter onderbouwing van de eigen verzoeken dan wel ter afwering van die van de ander naar voren hebben gebracht, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de belang, teruggekomen. 4.De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het op 21 juni 2022 door Erasmus MC aan [naam persoon 1] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Daarna moet bezien worden wat het antwoord op die vraag betekent voor het over en weer verzochte. 4.2. Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking dienen te worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. 4.3. Erasmus MC heeft aan het ontslag meerdere redenen ten grondslag gelegd die volgens haar, zo blijkt uit haar ontslagbrief (waarin zij - zeer uitvoerig - de feiten en omstandigheden heeft opgesomd die haar tot dit ontslag hebben doen besluiten), tezamen maar ook elk afzonderlijk een dringende reden daarvoor vormen. 4.4. Een van de verwijten die het ontslag volgens Erasmus MC zelfstandig kunnen dragen, bestaat uit het door [naam persoon 1] hardnekkig weigeren te voldoen aan hem door Erasmus MC gegeven redelijke bevelen of opdrachten (artikel 7:678 lid 2 sub j BW). In dat verband heeft zij gewezen op een door haar als productie 12 overgelegd overzicht van harerzijds vanaf 11 november 2021 ondernomen pogingen om met [naam persoon 1] in contact te komen en het resultaat daarvan. 4.5. Bij de beoordeling van dit verwijt is van belang dat uit de in zoverre onbetwist gelaten processtukken blijkt dat nadat [naam persoon 1] op 11 november 2021 een niet bij alle deelnemers van de (interne) Journal Club van [naam afdeling 1] ‘goed gevallen’ lezing gehouden had en dr. [naam persoon 13] , eveneens deelnemer van de Journal Club, daarop zelfs aan [naam persoon 1] had medegedeeld dat hij in verband daarmee op de afdeling van dr. [naam persoon 13] niet meer als docent welkom was (zie ook 2.3), [naam persoon 1] op 12 november 2021 zijn leidinggevenden [naam persoon 3] en [naam persoon 4] heeft toegezegd de deelnemers van de Journal Club een de-escalerende e-mail te zullen sturen om het bij hen bij de lezing geschapen beeld te corrigeren, althans te nuanceren. Vastgesteld kan ook worden dat [naam persoon 1] die toezegging ondanks herhaalde verzoeken van Erasmus MC daartoe geen gestand heeft gedaan. 4.6. Verder acht de kantonrechter hier van belang vast te stellen dat hoewel bij een op 6 december 2021 in dat kader gehouden gesprek tussen [naam persoon 1] en (onder anderen) zijn meergenoemde leidinggevenden op 16 december 2021 een vervolggesprek afgesproken werd (zie het als productie 7 door Erasmus MC overgelegde gespreksverslag: “(…) Er dient een vervolggesprek te komen over welke vervolgstappen nodig zijn om vertrouwen tussen [voornaam persoon 1] en collega’s te herstellen. Daarna dienen er verdere werkafspraken voor de toekomst te worden gemaakt. Het gaat dan om de vrijheid die de wetenschapper heeft om een andere mening op wetenschappelijk integere wijze te uiten en de wederzijdse verwachtingen die afdeling en medewerker hebben over de bewegingsvrijheid. Dit alles om risico op imago schade voor de afdeling en organisatie te minimaliseren en tegelijk op professioneel correct wijze wetenschappelijk onderzoek te kunnen blijven doen. (…)”), [naam persoon 1] die vervolgafspraak op 14 december 2021 per e-mail heeft geannuleerd omdat “er nog steeds niet over het uit mijn onderwijsfunctie zetten wordt gesproken”. Daarbij schrijft hij ook dat hij daarom “vanaf nu deze kwestie over[laat] aan zijn advocaat.’. 4.7. Erasmus MC heeft onweersproken gesteld dat zij [naam persoon 1] vervolgens heeft opgeroepen voor een gesprek op 30 december 2021, eventueel met zijn advocaat, en dat [naam persoon 1] toen zonder bericht van afwezigheid niet is verschenen terwijl Erasmus MC ook niets mocht vernomen van zijn advocaat. Op 4 januari 2022 heeft zij (althans de heer [naam persoon 3] ) vervolgens verzocht uiterlijk 6 januari 2022, waarvan later (vanwege een out-of-office reply van [naam persoon 1] ) 10 januari 2022 is gemaakt, telefonisch contact op te nemen maar dat heeft [naam persoon 1] , zo heeft hij onbetwist gelaten, toen niet gedaan. Toen zij daarop op 11 januari 2022 aan [naam persoon 1] voorstelde een interne mediator in te schakelen, was dit voor hem niet akkoord omdat hij een externe mediator wilde en toen Erasmus MC vervolgens op 13 januari 2022 een externe mediator voorstelde, wilde [naam persoon 1] , zo maakte hij op 17 januari 2022 kenbaar, toch de interne mediator, aldus - onbetwist - Erasmus MC , waarbij zij er ook op heeft gewezen dat hij, na verkennende gesprekken, op 1 februari 2022 de interne mediator heeft bericht niet open te staan voor mediation. 4.8. Voorts heeft Erasmus MC onweersproken gesteld dat zij op 8 februari 2022 [naam persoon 1] heeft gemeld dat zij door derden kritisch is aangesproken op een door hem aangevraagde en gestarte klinische studie en daarbij aan hem heeft gevraagd om op 11 februari 2022 ter zake opheldering te verschaffen, dat [naam persoon 1] daarop aanvankelijk (op 9 februari 2022) heeft geantwoord in geen geval aan die instructie te zullen voldoen maar later heeft gesteld eerst met dr. [naam persoon 13] te willen spreken over de gebeurtenissen in de Journal Club, en dat hij, hoewel de heer [naam persoon 3] had laten weten dat hij en de heer [naam persoon 4] , die als leidinggevenden verantwoordelijk zijn, alle informatie over de studie nodig hadden om vragen van derden te kunnen beantwoorden, zonder (verder) bericht niet is verschenen op (vrijdag) 11 februari 2022. Hiervan heeft hij, aldus Erasmus MC onbetwist, daarna gesteld dat hij niet op vrijdagen werkt, maar dat heeft hij niet ten tijde van de uitnodiging voor dit gesprek kenbaar gemaakt en ook heeft hij geen voorstel gedaan voor een ander moment om de door Erasmus MC verlangde openheid van zaken te geven. 4.9. Het door Erasmus MC verlangde gesprek heeft, zo heeft zij onweersproken toegelicht, op 17 februari 2022 (wel) plaatsgehad en bij die gelegenheid, die ging over zowel de lezing in de Journal Club als de gang van zaken bij de klinische studie, heeft zij [naam persoon 1] opgedragen uiterlijk de volgende dag aan te leveren: ‘
- a)alle documentatie over de studie teneinde te controleren of deze aan de eisen voldoet,
- b)een volledige lijst van betrokkenen met een beschrijving van hun rol/verantwoordelijkheid binnen de studie,
- c)afspraken rondom de op het ‘PIF’ aangegeven taakverdeling tussen de ME/CVS vereniging en [naam afdeling 1] ,
- d)een beschrijving van de taken van de heer [naam persoon 21] , die volgens de beschrijving van [naam persoon 1] drie functies moest vervullen, hetgeen niet kan,
- e)documentatie waaruit blijkt dat de afdeling [naam afdeling 2] is geïnformeerd en
- f)documentatie waaruit blijkt dat het secretariaat geïnformeerd is’. De volgende dag heeft [naam persoon 1] een grote hoeveelheid bestanden toegezonden, maar - hoogst ongebruikelijk - zonder een duidelijke vorm van structuur en zonder toelichting. Zij heeft [naam persoon 1] , zo heeft Erasmus MC ook onbetwist aangevoerd, mede vanwege door deze stukken (waaruit de betrokkenheid van ‘Avans Hogeschool’ bij de studie bleek) opgekomen vragen, daarop tot 15 maart 2022 de gelegenheid geboden veel achterliggende, ontbrekende documentatie omtrent de studie aan te leveren. Toen [naam persoon 1] daarop kenbaar maakte dit alleen in mediation te willen doen, heeft de heer [naam persoon 3] hem medegedeeld dit niet te accepteren. Erasmus MC heeft immers recht op die stukken terwijl de verlangde informatie bovendien al van tevoren zichtbaar had moeten zijn in haar systemen, zodat er geen onduidelijkheid is over de aard en inhoud van de studie en over de vraag of deze aan alle interne protocollen voldoet. Op 29 maart 2022 weigerde [naam persoon 1] echter opnieuw de verstrekking van de verlangde informatie en daarmee een instructie van Erasmus MC , waarop zij hem op 1 april 2022 wederom de gelegenheid heeft geboden de informatie voor 5 april 2022 te verstrekken. [naam persoon 1] stuurt op 4 april 2022 dan 58 documenten toe maar opnieuw zonder structuur of toelichting en op een verzoek van de heer [naam persoon 3] van de volgende dag om alsnog de gevraagde antwoorden met een duidelijke verwijzing naar de bijgevoegde stukken toe te sturen, reageert hij niet. Volgens Erasmus MC blijkt uit de aangeleverde informatie dat de persoonsgegevens van patiënten en vrijwilligers in strijd met de daarvoor geldende (interne) regels worden geadministreerd en dat er geen afspraken zijn gemaakt met betrokken derden ten aanzien van verantwoordelijkheden en rollen en de vraag hoe om te gaan met vertrouwelijke informatie. Aldus de door [naam persoon 1] onbetwist gelaten toelichting van Erasmus MC op de gang van zaken omtrent haar pogingen om met [naam persoon 1] over genoemde onderwerpen in contact te komen en het resultaat daarvan, waarvan dan ook bij de verdere beoordeling uitgegaan wordt. 4.10. Met Erasmus MC is de kantonrechter van oordeel dat [naam persoon 1] met zijn hiervoor weergegeven (non)reacties jegens Erasmus zich geen goed werknemer heeft getoond door niet aanstonds en, ook niet na herhaaldelijke verzoeken, behoorlijk (dat wil zeggen: voor wat betreft de gevraagde documentatie omtrent de studie voorzien van een behoorlijke structuur en toelichting) gevolg te geven aan de hem door zijn werkgever Erasmus MC gegeven instructies. Overigens staat niet ter discussie dat die instructies redelijk waren en ook niet dat Erasmus MC recht had op, en (groot) belang had bij, de door haar verlangde documentatie, terwijl [naam persoon 1] ook niets heeft aangevoerd waaraan de conclusie kan worden verbonden dat hij in redelijkheid niet in staat was om aanstonds en behoorlijk te voldoen aan de hem door zijn werkgever gedane verzoeken en gegeven instructies. 4.11. Vervolgens, op 20 juni 2022, zo staat eveneens vast, heeft Erasmus MC [naam persoon 1] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek de volgende dag, dat zou gaan over een door [naam persoon 1] op 20 mei 2022 bij de afdeling [naam afdeling 2] gemelde ‘wetenschappelijke meeting’ waaraan hij zou deelnemen en waarvan een opname te bekijken zou zijn op de website www.potkaars.nl alsook over de conclusies over de opzet en het verloop van meergenoemde klinische studie. Daarbij zouden naast de heren [naam persoon 3] (als unithoofd de leidinggevende van [naam persoon 1] ) en [naam persoon 4] (plaatsvervangend afdelingshoofd) ook mevrouw [naam persoon 2] , afdelingshoofd, aanwezig zijn. 4.12. Vast staat ook dat [naam persoon 1] haar de volgende ochtend per e-mail heeft geschreven: “Beste [voornaam 3] , dank voor deze uitnodiging, ik zal niet aanwezig zijn bij dit gesprek, mijn advocaat wacht nog op een antwoord van [voornaam persoon 3] [ [naam persoon 3] , kantonrechter] en betreffende dit onderwerp en eventueel andere zaken kan contact gelegd worden met mijn advocaat (…)”, waarop mevrouw [naam persoon 2] hem binnen het uur het volgende heeft teruggeschreven (productie 18 Erasmus MC ): “Beste [voornaam persoon 1] , het gesprek van vanmiddag staat volledig los van de [naam afdeling 2] met jouw advocaat over een (mogelijke) mediation. Bij deze dan ook de uitdrukkelijk[e] instructie om 14.00 uur bij het gesprek aanwezig te zijn. Indien je niet verschijnt, gaan we er vanuit dat je afziet van de mogelijkheid om te worden gehoord. Wij behoudens ons in dat geval het recht voor om verdere arbeidsrechtelijke maatregelen te nemen, waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. (…)”. [naam persoon 1] is vervolgens echter, zo staat ook vast, zonder enig (verder) bericht, niet verschenen bij het gesprek om 14.00 uur, waarop Erasmus MC is overgegaan tot het onderhavige ontslag op staande voet, dat zij hem diezelfde dag ook heeft medegedeeld (zie 2.3). 4.13. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [naam persoon 1] zich door ondanks de juist daarvoor door mevrouw [naam persoon 2] , in reactie op zijn afwijzing van de uitnodiging van 20 juni 2022, uitdrukkelijk gegeven instructie - waarbij hij ook nadrukkelijk gewezen is op de mogelijk vérstrekkende arbeidsrechtelijke gevolgen van het daaraan geen gevolg geven - niet te verschijnen op het gesprek van 21 juni 2022 te 14.00 uur zodanig gedragen dat van Erasmus MC , gegeven het daarvoor door hem al gedurende langere tijd getoonde ontwijkende en in strijd met goed werknemerschap zijnde gedrag (zie hierboven), onder de gegeven omstandigheden - zijn leeftijd en (overigens) goede en lange staat van dienst bij Erasmus MC daaronder begrepen maar ook gelet op (het niveau van) zijn functie en de daarbij behorende verantwoordelijkheden - in redelijkheid niet kon worden gevergd om de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Duidelijk is dat dit ontslag voor [naam persoon 1] vervelende (ook financiële) gevolgen heeft maar er zijn geen (persoonlijke) omstandigheden aangevoerd die zo zwaarwegend zijn dat deze, gegeven de recente geschiedenis die tot haar beslissing heeft geleid, Erasmus MC hier van deze sanctie hadden behoren af te houden. 4.14. Dat er binnen Erasmus MC geen ‘cultuur van instructies’ heerste, naar [naam persoon 1] nog heeft aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden. Uit de oproep voor dit gesprek, dat dit keer (bovendien) niet alleen met de heren [naam persoon 3] en [naam persoon 4] zou plaatsvinden maar ook met de hogergeplaatste mevrouw [naam persoon 2] , en zeker uit de toon en strekking van de hem daarna door mevrouw [naam persoon 2] gegeven instructie, had voor [naam persoon 1] immers meer dan duidelijk moeten zijn dat het hier bepaald niet ging om een gesprek dat hij naar believen kon afzeggen, of van ‘een werkbespreking’, zoals hij het onder punt 6.14 van het verzoek duidt, maar een - belangrijk - gesprek betrof waar hij zich (nader) diende te verantwoorden over de hierboven genoemde kwesties. [naam persoon 1] heeft echter de keuze gemaakt om in strijd met die instructie en waarschuwing, zonder enig verder bericht, toen niet te verschijnen, of, zoals zijn gemachtigde het ter zitting heeft verwoord, ‘daaraan geen prioriteit te geven’. In dat verband heeft hij ter zitting nog wel gesteld dat hij graag wilde dat zijn gemachtigde bij dit gesprek aanwezig zou zijn, maar uit niets blijkt dat hij dat voorafgaand aan het gesprek aan Erasmus MC heeft kenbaar gemaakt, hetgeen, als dat werkelijk de reden zou zijn voor het niet verschijnen bij dat gesprek, hier toch zeker op zijn weg zou hebben gelegen. Ook is namens hem nog aangevoerd dat hij ‘niet wist dat men voornemens was hem te ontslaan’ maar daarmee gaat [naam persoon 1] geheel en al voorbij aan de hierboven aangehaalde waarschuwing van mevrouw [naam persoon 2] , waarin (immers) duidelijk wordt gewezen op het risico van een ontslag op staande voet ingeval van niet-verschijnen. 4.15. Evenmin kon [naam persoon 1] , naar hij onder 6.3 van het verzoek heeft gesteld, naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid menen dat Erasmus MC bereid zou zijn de beide aangekondigde onderwerpen in mediation te bespreken. Uit de door hemzelf als productie 18 overgelegde correspondentie blijkt immers dat de heer [naam persoon 3] , in reactie op de brief van 19 april 2022 van de voormalige gemachtigde van [naam persoon 1] waarin deze op het initiëren van mediation aanstuurt, onomwonden kenbaar heeft gemaakt pas met [naam persoon 1] in het kader van mediation in gesprek te willen over de vraag op welke wijze naar de toekomst toe invulling kan worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst nádat de heren [naam persoon 3] en [naam persoon 4] met hem over hun bevindingen rondom de klinische studie in gesprek zijn gegaan. 4.16. Nu derhalve (reeds) de hierboven besproken (dringende) reden die Erasmus MC ook afzonderlijk aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, het ontslag onder de gegeven omstandigheden kan dragen, worden de door [naam persoon 1] verzochte vernietiging van het ontslag en veroordeling van Erasmus MC tot wedertewerkstelling en tot betaling van het loon vanaf de ontslagdatum, met rente, afgewezen. Het voorgaande betekent ook dat de overige redenen die Erasmus MC aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, zoals in deze procedure door haar onderbouwd (en door [naam persoon 1] bestreden), en die volgens haar dat ontslag zeker tezamen maar ook zelfstandig kunnen dragen, zoals divers (gesteld) handelen van [naam persoon 1] in strijd met de wetenschappelijke integriteit en de interne Researchcode, onbesproken kunnen blijven. 4.17. Voor deze uitkomst heeft [naam persoon 1] (subsidiair) verzocht om toekenning van de wettelijke transitievergoeding, door hem gesteld op € 42.078,52 bruto. Erasmus MC heeft gemotiveerd bestreden die te zijn verschuldigd. 4.18. De kantonrechter overweegt dat omdat Erasmus MC de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, [naam persoon 1] op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW in beginsel recht op de wettelijke transitievergoeding. Hoewel betoogd kan worden dat een dringende reden niet - zonder meer - samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van de werknemer, is de kantonrechter echter met Erasmus MC van oordeel dat, gezien de hierboven behandelde en beoordeelde feiten en omstandigheden, het eindigen van de arbeidsovereenkomst hier het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [naam persoon 1] . Voor die situatie bepaalt artikel 7:673 lid 7 BW dat Erasmus MC geen transitievergoeding aan [naam persoon 1] is verschuldigd. Nu de door [naam persoon 1] aangevoerde en overigens gebleken omstandigheden de kantonrechter geen aanleiding geven te oordelen dat het geheel of ten dele niet toekennen van de transitievergoeding hier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, komt hij tot het oordeel dat Erasmus MC [naam persoon 1] geen transitievergoeding is verschuldigd. Het daartoe strekkende verzoek van [naam persoon 1] wordt dan ook afgewezen. 4.19. Nu de hoofdzaak met deze beschikking is beslist, behoeft het door [naam persoon 1] gedane provisionele verzoek (ex artikel 223 Rv) geen beoordeling meer. Dat wordt dan ook, bij gebrek aan belang, afgewezen. 4.20. Erasmus MC heeft (sub
- b)op de voet van artikel 7:671b BW een voorwaardelijk, namelijk voor het geval geoordeeld zou worden dat de arbeidsovereenkomst niet door het op 21 juni 2022 door haar verleende ontslag is geëindigd, verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan. Aan de behandeling daarvan wordt niet toegekomen omdat, gezien het hiervoor overwogene, de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld. Dat zal hierna in het dictum tot uitdrukking worden gebracht. 4.21. Voorts heeft zij (sub
- a)verzocht haar de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:677 lid 4 jo. lid 1 BW - de kantonrechter begrijpt: artikel 7:677 lid 2 jo. lid 3 sub a BW - toe te kennen. Daar is bepaald dat de partij die door opzet of schuld de wederpartij een dringende reden heeft gegeven de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, de wederpartij die van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft een vergoeding verschuldigd is, die ingeval van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, gelijk is aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Volgens artikel 11.3 van cao bedraagt de opzegtermijn voor beide partijen hier drie maanden, waarbij opzegging dient plaats te vinden tegen het einde van de maand. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging nog ruim drie maanden zou hebben voortgeduurd (tot 1 oktober 2022). 4.22. Volgens Erasmus MC (punt 6.4 van het verweerschrift) kwalificeert het handelen van [naam persoon 1] als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 2 BW en is daarmee gegeven dat de dringende reden verband houdt met opzet of schuld van [naam persoon 1] , zodat volgens Erasmus MC (ook) voldaan is aan de in artikel 7:677 lid 2 BW voor toekenning van de gefixeerde schadevergoeding gestelde eis van opzet of schuld. Daarin kan zij echter niet worden gevolgd. 4.23. Daartoe wordt overwogen dat hiervoor weliswaar werd geoordeeld dat [naam persoon 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en Erasmus MC daarmee een dringende reden heeft gegeven de arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen. Ernstige verwijtbaarheid is, bezien in het licht van de relevante arbeidsrechtelijke bepalingen, echter iets anders dan opzet of schuld. Erasmus MC heeft wel gesteld dát, maar - hoewel dat ter onderbouwing van haar aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding toch op haar weg had gelegen - niet concreet toegelicht waaróm hier aan de zijde van [naam persoon 1] sprake zou zijn van opzet of schuld in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW. Daarop stuit de door haar jegens [naam persoon 1] gemaakte aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding dan ook af. 4.24. Dat betekent dat het door [naam persoon 1] verzochte - en in hoogte door Erasmus MC onbestreden gelaten - bedrag van € 12.085,15 bruto aan loon dat door Erasmus MC werd verrekend met haar aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, wordt toegewezen en dat de door Erasmus MC verzochte verklaring voor recht (te weten: ‘dat een door haar eventueel aan [naam persoon 1] verschuldigde vergoeding mag worden verrekend met door [naam persoon 1] aan haar verschuldigde bedragen en dat [naam persoon 1] haar € 6.543,70 netto dient te betalen, vermeerderd met wettelijke rente’, zie 3.2 onder
- c)wordt afgewezen. 4.25. Hetgeen verder nog is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking. 4.26. Gelet op de aard van de procedure, de mate waarin partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld en alle (overige) omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van de procedure te compenseren zodat beide partijen de eigen kosten dragen. In die zin wordt dan ook beslist. 4.27. Deze beschikking wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, voor zover het althans een veroordeling betreft. 5.De beslissing De kantonrechter: ten aanzien van het door [naam persoon 1] verzochte - veroordeelt Erasmus MC tot betaling aan [naam persoon 1] van € 12.085,15 bruto; ten aanzien van het door Erasmus MC verzochte - verstaat dat de voorwaarde waaronder Erasmus MC het ontbindingsverzoek heeft gedaan, niet is vervuld; en verder - wijst het overigens door [naam persoon 1] en Erasmus MC verzochte af; - compenseert de kosten van de procedure zodat beide partijen de eigen kosten dragen; - verklaart deze beschikking voor zover het de hierboven genoemde veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 654