← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:11881

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/003453-21 Datum uitspraak: 16 november 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde: [veroordeelde01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] [plaats01] , raadsman mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam.

  1. Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 november
  2. Gelijktijdige veroordeling Bij vonnis van deze rechtbank van 16 november 2022(vul datum in)is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
  3. Vordering De vordering van de officier van justitie, mr. K.W. van Damme, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel ter hoogte van € 7.
  4. De vordering van de officier van justitie betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
  5. Verweren De raadsman heeft aangevoerd dat het door de veroordeelde genoemde bedrag van de opbrengst van een eerdere oogst, te weten een bedrag van € 7.000, door twee moet worden gedeeld, aangezien de veroordeelde de hennepkwekerij met een derde onderhield. Verder heeft de raadsman verzocht het aan [bedrijf01] betaalde bedrag ter hoogte van € 2.580,55 af te trekken van het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel.
  6. Strafbare feiten waarop de voordeelberekening is gebaseerd Blijkens voormeld vonnis is de veroordeelde onder 1 veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het kweken van hennep), gepleegd in de periode van 1 september 2020 tot en met 3 januari
  7. De veroordeelde is vrijgesproken van het medeplegen van dit feit. In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde, alleen, is begaan.
  8. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het hiervoor vermelde strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen. Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op € 7.
  9. Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, te weten de verklaring die de verdachte op 4 januari 2021 heeft afgelegd tegenover de politie (proces-verbaal nummer [proces-verbaalnummer01] , p. 5), voor zover die inhoudt: V: Wat had het opgeleverd in december? A: Iets meer dan 7000 euro (…). V: Dus als ik het goed begrijp heeft u niet betaald voor de goederen voor de kwekerij en is dat achteraf verrekend. Dat zat dan bij die 7000 euro? A: Die 7000 euro daar zijn de kosten al vanaf. Dus de goederen en de planten (…). Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen. De rechtbank gaat (dus) uit van de verklaring van de veroordeelde tijdens zijn verhoor door de politie en op de terechtzitting van 16 november
  10. Hij heeft verklaard dat de eerste oogst van de hennepkwekerij een bedrag van € 7.000 heeft opgeleverd. [bedrijf01] heeft van de veroordeelde een schadebedrag ontvangen van € 2.580,
  11. Dit bedrag zal als gemaakte kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op bovenstaande wordt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, afgerond vastgesteld op € 4.400 .
  12. Vaststelling van het te betalen bedrag De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van € 4.400 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
  13. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
  14. Beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 4.400 (zegge: vierenveertighonderd euro); - legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 4.400 (zegge: vierenveertighonderd euro); - bepaalt dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, 50 (zegge: vijftig) dagen bedraagt. Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter, en mrs. G.P. van de Beek en F. van Laanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.