RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8449635 CV EXPL 20-11555 uitspraak: 28 januari 2022 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam , in de zaak van [eiser01] , wonende te [woonplaats01] , eiser, gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger, tegen [gedaagde01] h.o.d.n. [handelsnaam01] , wonende te [woonplaats02] , gedaagde, gemachtigde: mr. S. Ramautar. Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser01] ” en “ [gedaagde01] ”. 1. Het verloop van de procedure 1.1 Bij tussenvonnis van 19 februari 2021 is een mondelinge behandeling via Skype bepaald. 1.2 Op 17 mei 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser01] is niet verschenen, maar wel zijn gemachtigde mr. Rhijnsburger. [gedaagde01] is verschenen, bijgestaan door mr. Ramautar. De mondelinge behandeling is aangehouden om [eiser01] in de gelegenheid te stellen bij de voortzetting ervan aanwezig te zijn. Desgevraagd heeft de gemachtigde van [eiser01] op 21 mei 2021 laten weten dat zijn cliënt geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling. Vervolgens is de zaak voor vonnis komen te staan. 1.3 Op 31 mei 2021 heeft de gemachtigde van [gedaagde01] om pleidooi gevraagd. Dat is reden geweest om op 16 juli 2021 geen vonnis te wijzen, maar een rolbeslissing te nemen, waarin te kennen is gegeven dat pleidooi kan plaatsvinden, maar dat voortzetting van de mondelinge behandeling of een extra schriftelijke ronde met aktes ook mogelijk was. Partijen is verzocht om middels een eensluidend verzoek te laten weten waarvoor zij kiezen. 1.4 Door de gemachtigde van [gedaagde01] is bericht dat partijen aktes willen nemen. Bij rolbeslissing van 27 augustus 2021 is daartoe gelegenheid geboden. 1.5 Uiteindelijk is op de rolzitting van 14 december 2021 een akte genomen door [gedaagde01] . Door [eiser01] is geen akte genomen. 1.6 De zaak is voor vonnis komen te staan. De datum van de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2. De verdere beoordeling 2.1 [eiser01] heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde01] te veroordelen: tot betaling aan hem van het overeengekomen loon van € 1.920,- bruto per maand, vanaf 5 november 2019, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de vervaldata; tot betaling aan hem van alle geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; tot betaling aan hem van een voorschot van € 7.500,- in verband met geleden schade; in de proceskosten. 2.2 Hieraan is ten grondslag gelegd dat [eiser01] als gevolg van een ongeval in de uitoefening van zijn werk voor [gedaagde01] letsel aan een oog heeft opgelopen. Hij houdt [gedaagde01] aansprakelijk voor de hierdoor door hem geleden en nog te lijden schade. Daarnaast vordert hij loon vanaf de datum van het voorval. 2.3 In het tussenvonnis is ten aanzien van de loonvordering overwogen dat [gedaagde01] niet gesommeerd is om loon te betalen en dat aanvankelijk ook geen loon gevorderd is, maar pas bij de vermeerdering van eis bij de conclusie van repliek. [gedaagde01] heeft aangevoerd dat het voor hem niet duidelijk was dat hij het loon gedurende ziekte moest doorbetalen, want voor hem staat ziekte gelijk aan niet oproepen. Daarnaast is betwist dat (nog) sprake is van ziekte en dat [eiser01] zich beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van arbeid. Onderbouwd met stukken is aangevoerd dat [eiser01] tweemaal is opgeroepen om op het spreekuur van de bedrijfsarts te komen maar daar niet is verschenen. Voorts heeft [gedaagde01] een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 7:629a lid 1 BW. Omdat geconstateerd is dat [eiser01] nog niet in de gelegenheid was gesteld om hierop te reageren, is een mondelinge behandeling bepaald. 2.4 In het tussenvonnis is ten aanzien van (het gevorderde voorschot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.