← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:120

RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/6275 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2022 in de zaak tussen [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster (gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder (gemachtigde: mr. W. Breure). Procesverloop Met het besluit van 15 december 2021 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) gedurende één maand met 100% verlaagd. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 januari 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich via een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. Verzoekster ontving een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Per 2 november 2021 was verzoekster werkzaam als verkoopmedewerkster bij [naam bedrijf] (werkgeefster). Op 10 november 2021 heeft verzoekster door het ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst ingestemd met de beëindiging van het dienstverband per 14 november
  2. Op 26 november 2021 heeft verzoekster bij verweerder gemeld dat haar arbeidsovereenkomst is beëindigd. Verweerder heeft daarop de bijstandsverlening hervat, onder oplegging van een maatregel van 100% over de maand januari
  3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat verzoekster door eigen toedoen haar baan heeft verloren. Verweerder heeft geen aanleiding gezien wegens dringende redenen af te zien van het opleggen van een maatregel.
  4. Verzoekster ontkent dat zij door eigen toedoen haar baan is kwijtgeraakt. De arbeidsovereenkomst is op initiatief van de werkgever beëindigd en verzoekster heeft met de beëindiging ingestemd omdat zij vaak thuis moet zijn om voor haar zieke kinderen te zorgen. Verder stelt verzoekster dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. Verzoekster voert daartoe aan dat zij maandelijks terugkerende kosten heeft en dat zij twee kinderen moet verzorgen.
  5. Indien tegen een besluit bezwaar is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening speelt de spoedeisendheid daarom een belangrijke rol. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een louter financieel belang op zichzelf geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan echter wel het geval zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie.
  7. Gelet op de stukken in het dossier en wat partijen ter zitting hebben verklaard, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door verzoekster verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter vindt daarbij van belang dat verzoekster in december 2021 een (na)betaling van haar bijstandsuitkering heeft ontvangen van in totaal € 1.500,- en dat zij beschikt over huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag om de maand januari 2022 financieel te kunnen overbruggen. Dit leidt tot de conclusie dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
  8. De gevraagde voorziening kan verder alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. Verzoekster heeft niet (tijdig) besproken met haar gemachtigde en/of werkgeefster en/of verweerder dat er andere mogelijkheden dan beëindiging per direct van haar dienstverband waren om – met behoud van haar baan – tijdelijk voor haar zieke kinderen zorgen.
  9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari
  11. De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.