RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10156360 CV EXPL 22-32203 datum uitspraak: 30 december 2022 Vonnis in incident van de kantonrechter in de zaak van [bedrijf A] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ( [land] ), eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, gemachtigde: mr. J.C. van Zuethem, tegen 1 [bedrijf B] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , 2 [bedrijf C] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident gemachtigde: mr. A.J.A.M. Haandel. De partijen worden hierna ‘ [bedrijf A] ’ en (gezamenlijk) ‘ [bedrijf B en C] ’ genoemd. 1De procedure Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 29 juli 2022, met bijlagen; het verstekvonnis van deze rechtbank van 23 augustus 2022 met zaaknummer 10036575 CV EXPL 22-23882; de verzetdagvaarding, tevens houdende incidentele vordering van 27 september 2022, met bijlagen; de conclusie van antwoord in het incident. 2Het geschil in het incident 2.
- Volgens [bedrijf B en C] is met [bedrijf A] een huurkoopovereenkomst gesloten voor een teboekstaand binnenschip in de zin van artikel 8:800 lid 1 BW. De kantonrechter is niet bevoegd om van een geschil over een dergelijke huurkoopovereenkomst kennis te nemen. [bedrijf B en C] eist daarom dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak naar (de kantonrechter begrijpt) de handelskamer van de rechtbank verwijst. 2.
- [bedrijf A] is het hiermee niet eens. Volgens haar is de kantonrechter wel bevoegd, omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst ook elementen van huur bevat. Daarbij komt dat volgens de wetsgeschiedenis ook de huurkoopovereenkomsten met betrekking tot te boek gestelde binnenschepen onder artikel 93 Rv valt. 3De beoordeling 3.
- Naast vorderingen met een beloop tot € 25.000,00 is de kantonrechter op grond van artikel 93 onder c Rv bevoegd om aardzaken te behandelen. Deze aardzaken betreffen onder andere huurovereenkomsten en overeenkomsten van goederenkrediet als bedoeld in artikel 7:84 BW. 3.
- Het verweer van [bedrijf A] dat de onderhavige overeenkomst (ook) een huurovereenkomst is omdat deze elementen van huur bevat, gaat niet op. Inherent aan een huurkoopovereenkomst, is dat deze ook regelingen over de huur bevat. De koopprijs van het binnenschip, de [naam schip] , wordt betaald in maandelijkse termijnen van € 20.000,00, met een verplichting tot koop na uiterlijk drie jaar. Hierdoor moet de overeenkomst worden gekwalificeerd als een scheepshuurkoopovereenkomst ex artikel 8:800 BW. Dat de overeenkomst wordt aangeduid als een overeenkomst “voor huur en verhuur”, maakt dit niet anders. 3.
- De overeenkomst kan evenmin worden gekwalificeerd als een overeenkomst van goederenkrediet als bedoeld in artikel 7:84 BW. De definitie daarvan is een kredietovereenkomst ter zake van het verschaffen van het genot van een roerende zaak, niet zijnde een registergoed. Vaststaat dat de [naam schip] een teboekstaand schip is. Teboekstaande schepen zijn op grond van artikel 8:790 lid 1 BW registergoederen, zodat geen sprake kan zijn van een overeenkomst van goederenkrediet. Voor zover is aangevoerd dat de kantonrechter volgens wetgeschiedenis wel bevoegd is van dit soort overeenkomsten kennis te nemen, wordt dat verworpen. Enige steun daarvoor ontbreekt namelijk. 3.
- Omdat het ook over een vordering gaat boven de € 25.000,00 moet de conclusie zijn dat de kantonrechter onbevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Deze zal daarom op grond van artikel 71 Rv worden verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank ter verdere behandeling. 3.
- [bedrijf A] krijgt ongelijk en moet daarom proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten vast op € 75,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 75,00 tarief). 4De beslissing De kantonrechter: 4.
- verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [bedrijf A] en [bedrijf B en C] kennis te nemen; 4.
- verwijst de zaak naar de rolzitting van de handelskamer van deze rechtbank van woensdag 11 januari 2023 om 10.00 uur waar de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt; 4.
- wijst [bedrijf A] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd, namelijk € 5.737,00, waardoor de verhoging dus € 4.353,00 bedraagt en dat dit bedrag binnen vier weken na de voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort; 4.
- wijst [bedrijf B en C] erop dat na verwijzing een griffierecht van € 5.737,00 is verschuldigd, welk bedrag binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort; 4.
- draagt de griffier op de processtukken en een afschrift van dit vonnis tijdig voor de genoemde rolzitting te doen toekomen aan de griffier van de handelskamer; 4.
- veroordeelt [bedrijf A] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [bedrijf B en C] begroot op € 75,
- Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken. 50744