Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/3842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2022 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder, gemachtigde: mr. S. Yavuzyiğitoğlu. Procesverloop Bij besluit van 28 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 18 januari 2021 (het primaire besluit), waarbij de aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag) voor eigenaren is afgewezen, ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen
- De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- De rechtbank stelt voorop dat eiseres in 2020 meermaals aanvragen om woonkostentoeslag heeft ingediend. Die zijn alle afgewezen. De voorliggende aanvraag is op 31 december 2020 ingediend en vermeldt niet op welke periode de aanvraag ziet. Verweerder heeft de aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag voor de periode
- In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgedaan als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb omdat de aanvraag ziet op een andere periode. Op welke periode de aanvraag ziet heeft eiseres daarbij niet vermeld. In haar aanvullend beroepschrift schrijft eiseres dat zij de woonkostentoeslag verzoekt met ingang van de datum van de aanvraag. Omdat de woonkostentoeslag per kalenderjaar wordt vastgesteld en eiseres herhaaldelijk stelt geen herhaalde aanvraag te hebben gedaan, houdt de rechtbank het er voor dat eiseres voor het jaar 2021 woonkostentoeslag heeft aangevraagd. Gelet op het navolgende maakt het voor de uitkomst echter niet uit of de aanvraag betrekking heeft op de jaren 2020 of 2021 dan wel gedeelten daarvan.
- Verweerder heeft in zijn verweerschrift het standpunt ingenomen dat eiseres met dit beroep misbruik maakt van (proces-)recht. De rechtbank is het daarmee eens. Hoewel – anders dan verweerder heeft aangevoerd – niet alleen met het instellen van beroep sprake is van misbruik van recht, maar reeds bij het doen van de onderhavige aanvraag (vgl. ECLI:NL:RVS:2014:4129, punt 6.8.) zal de rechtbank het beroep, dat eveneens getuigt van misbruik van recht, niet-ontvankelijk verklaren. Daartoe wordt overwogen dat het misbruik van recht dat eiseres maakt bij de aanvraag en de verdere procedure daarin is gelegen dat eiseres te kwader trouw aanvragen indient en rechtsmiddelen instelt, zowel in verband met woonkostentoeslagen als in verband met andere kwesties tussen partijen. Over procedures van eiseres over de status van mutatieformulieren en de vraag of dwangsommen zijn verbeurd wegens het niet tijdig nemen van dwangsombesluiten heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat eiseres misbruik maakt van (proces-)recht (zie ECLI:NL:CRVB:2021:263). Met betrekking tot de woonkostentoeslag over het jaar 2019 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat eiseres misbruik maakt van recht omdat eerdere aanvragen om woonkostentoeslag zijn afgewezen en de Centrale Raad van Beroep ook al tweemaal heeft geoordeeld dat eiseres daar geen aanspraak meer op kan maken (ECLI:NL:RBROT:2021:8228). Er is geen reden om nu, anders dan eerder, geen misbruik van recht aan te nemen.
- Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 februari
- De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.