Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummers: 10-013937-22 en 10-197003-21 (gevoegd) Datum uitspraak: 28 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, raadsvrouw mr. D.J. Troost, advocaat te Rotterdam. 1.Inleiding Op 1 januari 2022 is de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit (Wet van 4 november 2021, Stb. 2021, 544) gedeeltelijk in werking getreden. Onder meer is in werking getreden de strafbaarstelling van het verblijf op bepaalde logistieke terreinen zoals havens, vliegvelden en spoorwegemplacementen (artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht). Het Openbaar Ministerie in het arrondissement Rotterdam heeft op de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 februari 2022 een aantal strafzaken aangebracht, waaronder de onderhavige, die met elkaar gemeen hebben dat aan de verdachten in al die zaken wordt verweten dat zij een van de in het nieuwe artikel omschreven verboden hebben overtreden. De zaken op deze themazitting worden door de rechtbank op zichzelf beoordeeld en in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. 2.Voeging De rechtbank beveelt de voeging van de tegen de verdachte afzonderlijk aangebrachte zaken, omdat voeging in het belang van het onderzoek is. 3.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2022. 4.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 5.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gevorderd: bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor een periode van drie jaren, met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is; verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen rugzak, met inhoud; teruggave aan de verdachte van een inbeslaggenomen telefoon. 6.Waardering van het bewijs Medeplegen Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 10-013937-22 ten laste gelegde ‘medeplegen’. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Het enkele feit dat zij zich beiden op het besloten terrein bevonden en in de buurt van elkaar zijn aangehouden, is onvoldoende om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken. Beoordeling De rechtbank gaat op grond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 16 januari 2022 omstreeks 23.30 uur wordt door de beveiliging van de APMT containerterminal in Rotterdam gezien dat twee mannen zich onbevoegd de toegang verschaffen tot het haventerrein door over het hek te klimmen. Een van de beveiligers ziet dat de twee mannen zich hebben verschanst tussen de containers aan de zijde van het container stack nummer 30. Kort hierop wordt gezien dat de twee mannen wegrennen in de richting van stack nummer 29, de stack nummers 28, 27, 26, 25 en 24 over rennen en zich vervolgens verschansen in stack nummer 23. Daar worden de twee mannen uiteindelijk in een container aangehouden. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat de mannen, onder wie de verdachte, dezelfde handelingen hebben verricht en steeds in elkaars nabijheid hebben verkeerd. Volgens de Memorie van Toelichting bij voormelde wet is er sprake van handelingen door twee of meer verenigde personen, zodra er feitelijk en opzettelijk wordt samengewerkt. Die conclusie trekt de rechtbank op basis van de hiervoor kort beschreven waarnemingen door verbalisanten van gedragingen van de twee verdachten. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van ‘medeplegen’ in de zin van artikel 138aa, derde lid aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde toegang verschaffen tot een container door middel van inklimming niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Conclusie Bewezen is dat de verdachte samen met een ander zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen door middel van inklimming en daar wederrechtelijk heeft verbleven. Verdachte is in vereniging met een ander over een hek geklommen om het (ook anderszins beveiligde) achterliggende terrein te kunnen betreden. Naar uiterlijke verschijningsvorm is een dergelijke vorm van omheining onmiskenbaar bedoeld om aan onbevoegde derden duidelijk te maken dat het betreden van het achterliggende terrein wederrechtelijk is. Dit moet ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest. Bijzondere omstandigheden die dit voor deze verdachte anders zouden maken zijn niet (onderbouwd) gesteld of anderszins aannemelijk geworden. De tenlastelegging ziet, met name door de woorden na “in elk geval”, steeds op het zich de toegang verschaffen tot, kort gezegd, een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen en ook op het daar wederrechtelijk verblijven. Dit volgt tevens uit de inhoud van het dossier, zoals besproken op zitting. Het onder parketnummer 10-197003-21 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-013937-22 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-197003-21 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: (parketnummer 10-013937-22) hij in de periode van 16 januari 2022 tot en met 17 januari 2022 te Maasvlakte Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van APMT containerterminal door middel van inklimming en wederrechtelijk op die besloten plaats heeft verbleven; (parketnummer 10-197003-21) hij op 23 juli 2021 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,2 gram, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 7.Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: (parketnummer 10-013937-22) wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl hij zich de toegang heeft verschaft tot die plaats door middel van inklimming, en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. (parketnummer 10-197003-21) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 8.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 9.Motivering straf Algemene overweging De rechtbank heeft de themazitting aangegrepen om uitgangspunten te formuleren voor de strafoplegging bij bewezenverklaring van een van de in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafbare feiten, waarbij de rechtbank zich heeft beperkt tot de naar aanleiding van deze zitting bewezen verklaarde feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat de afgelopen tijd frequent personen worden aangetroffen op de besloten haventerreinen in en rond Rotterdam, die daar wederrechtelijk verblijven. Deze personen verschaffen zich doorgaans de toegang door over toegangshekken te klimmen en trachten aldaar containers open te breken om partijen waardevolle goederen of partijen voor de gezondheid schadelijke (verdovende) middelen uit deze containers te halen. Dit soort delicten wordt in de regel in georganiseerd verband gepleegd. Een verdachte, die op een haventerrein wordt aangetroffen en daarvoor geen duidelijke en verifieerbare reden wil of kan geven, wekt daarmee de verdenking dat hij zich met dergelijke criminele activiteiten inlaat. Enerzijds heeft de rechtbank er zich rekenschap van gegeven dat havens kwetsbare infrastructurele objecten vormen, waarvan het ongestoord functioneren van essentieel belang is voor het economisch verkeer en het maatschappelijk leven. Dergelijke objecten hebben, zo blijkt, een grote aantrekkingskracht op georganiseerde vormen van criminaliteit. Handhaving, toezicht, opsporing en aanhouding vergen veel capaciteit van de toezichthouders en opsporingsdiensten alleen al vanwege de grootschalige inzet van mensen en middelen nadat (een) indringer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.