Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10-002958-22 Datum uitspraak: 28 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsman mr. R. Moghni, advocaat te Rotterdam. 1.Inleiding Op 1 januari 2022 is de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit (Wet van 4 november 2021, Stb. 2021, 544) gedeeltelijk in werking getreden. Onder meer is in werking getreden de strafbaarstelling van het verblijf op bepaalde logistieke terreinen zoals havens, vliegvelden en spoorwegemplacementen (artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht). Het Openbaar Ministerie in het arrondissement Rotterdam heeft op de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 februari 2022 een aantal strafzaken aangebracht, waaronder de onderhavige, die met elkaar gemeen hebben dat aan de verdachten in al die zaken wordt verweten dat zij een van de in het nieuwe artikel omschreven verboden hebben overtreden. De zaken op deze themazitting worden door de rechtbank op zichzelf beoordeeld en in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. 2.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2022. 3.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 4.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor een periode van drie jaren, met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. 5.Waardering van het bewijs Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Uit het dossier valt niet op te maken dat de verdachte op het besloten terrein van Rotterdam Container Terminal (RCT) is geweest. Beoordeling De rechtbank gaat op grond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op zondag 2 januari 2022, omstreeks 22.35 uur werd op camerabeelden gezien dat een manspersoon richting het hek van de RCT rende en over het hek van het besloten terrein van de RCT sprong. De RCT is gelegen aan de Missouriweg te Rotterdam Maasvlakte. Omstreeks 22.41 uur meldde de beveiliging van de European Container Terminal dat er een insluiper was gezien die van de RCT de Missouriweg op rende. Omstreeks 22.45 uur arriveerde de douane ter plaatse en een van de verbalisanten zag een in het zwart geklede manspersoon op de grond liggen. Die persoon zette het op een lopen en na een korte achtervolging werd hij staande gehouden. Het signalement van de staande gehouden manspersoon werd herkend door een verbalisant aan de hand van het signalement die op de camerabeelden was te zien. Een identiteitscontrole in het politiesysteem leverde de naam van de verdachte op. De joggingbroek en de bodywarmer van de verdachte hadden meerdere grote scheuren, die naar het oordeel van de rechtbank er eveneens duidelijk op wijzen dat de verdachte over het hek is geklommen. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die over het hek van de RCT is gesprongen en zich daarmee de toegang heeft verschaft tot dat besloten terrein. Er is geen ander persoon waargenomen die zich binnen hetzelfde tijdsbestek op dezelfde wijze toegang heeft verschaft tot het terrein van de RCT. Daarbij komt dat de rechtbank geen enkel geloof hecht aan de verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij vanaf Rotterdam Zuid aan het joggen was toen hij buiten het terrein van de RCT werd staande gehouden. Hij zou toen halverwege zijn geweest. De verdachte heeft deze verklaring niet eerder naar voren gebracht en deze evenmin onderbouwd. Bovendien zou hij dan al een afstand van meer dan veertig kilometer hebben afgelegd, en (dus) in totaal ongeveer 80 kilometer moeten afleggen, een prestatie van formaat maar waarvoor geen enkel aanknopingspunt is te vinden. Verdachte is over een hek gesprongen om het (ook anderszins beveiligde) achterliggende terrein te kunnen betreden. Naar uiterlijke verschijningsvorm is een dergelijke vorm van omheining onmiskenbaar bedoeld om aan onbevoegde derden duidelijk te maken dat het betreden van het achterliggende terrein wederrechtelijk is. Dit moet ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest. Bijzondere omstandigheden die dit voor deze verdachte anders zouden maken zijn niet (onderbouwd) gesteld of anderszins aannemelijk geworden. De tenlastelegging ziet, met name door de woorden na “in elk geval”, steeds op het zich de toegang verschaffen tot, kort gezegd, een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen en ook op het daar wederrechtelijk verblijven. Dit volgt tevens uit de inhoud van het dossier, zoals besproken op zitting. Conclusie Bewezen is dus dat de verdachte zich de toegang heeft verschaft tot het besloten terrein van de RCT door middel van inklimming en daar wederechtelijk heeft verbleven. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 2 januari 2022 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Rotterdam Container Terminal , door middel van inklimming en wederrechtelijk op die besloten plaats heeft verbleven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 6.Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl hij zich de toegang heeft verschaft tot die plaats door middel van inklimming. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 7.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 8.Motivering straf Algemene overweging De rechtbank heeft de themazitting aangegrepen om uitgangspunten te formuleren voor de strafoplegging bij bewezenverklaring van een van de in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafbare feiten, waarbij de rechtbank zich heeft beperkt tot de naar aanleiding van deze zitting bewezen verklaarde feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat de afgelopen tijd frequent personen worden aangetroffen op de besloten haventerreinen in en rond Rotterdam, die daar wederrechtelijk verblijven. Deze personen verschaffen zich doorgaans de toegang door over toegangshekken te klimmen en trachten aldaar containers open te breken om partijen waardevolle goederen of partijen voor de gezondheid schadelijke (verdovende) middelen uit deze containers te halen. Dit soort delicten wordt in de regel in georganiseerd verband gepleegd. Een verdachte, die op een haventerrein wordt aangetroffen en daarvoor geen duidelijke en verifieerbare reden wil of kan geven, wekt daarmee de verdenking dat hij zich met dergelijke criminele activiteiten inlaat. Enerzijds heeft de rechtbank er zich rekenschap van gegeven dat havens kwetsbare infrastructurele objecten vormen, waarvan het ongestoord functioneren van essentieel belang is voor het economisch verkeer en het maatschappelijk leven. Dergelijke objecten hebben, zo blijkt, een grote aantrekkingskracht op georganiseerde vormen van criminaliteit. Handhaving, toezicht, opsporing en aanhouding vergen veel capaciteit van de toezichthouders en opsporingsdiensten alleen al vanwege de grootschalige inzet van mensen en middelen nadat (een) indringer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.