Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10-000932-22 Datum uitspraak: 28 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, raadsvrouw mr. T. Altindag, advocaat te Rotterdam. 1.Inleiding Op 1 januari 2022 is de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit (Wet van 4 november 2021, Stb. 2021, 544) gedeeltelijk in werking getreden. Onder meer is in werking getreden de strafbaarstelling van het verblijf op bepaalde logistieke terreinen zoals havens, vliegvelden en spoorwegemplacementen (artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht). Het Openbaar Ministerie in het arrondissement Rotterdam heeft op de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 februari 2022 een aantal strafzaken aangebracht, waaronder de onderhavige, die met elkaar gemeen hebben dat aan de verdachten in al die zaken wordt verweten dat zij een van de in het nieuwe artikel omschreven verboden hebben overtreden. De zaken op deze themazitting worden door de rechtbank op zichzelf beoordeeld en in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. 2.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2022. 3.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 4.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gevorderd: bewezenverklaring van het tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor een periode van drie jaren, met bevel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. 5.Waardering van het bewijs Medeplegen Standpunt officier van justitie De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met een ander de toegang verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen. Daartoe is aangevoerd dat zij op het moment dat zij op het terrein werden waargenomen, beiden uit dezelfde richting kwamen en naar hetzelfde gebouw renden. Beoordeling De rechtbank gaat op grond van de inhoud van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 1 januari 2020, omstreeks 01.57 uur heeft de beveiliging twee insluipers gezien op het Hutchinson Ports ECT Delta terrein (ECT), te Maasvlakte Rotterdam. De twee personen renden uit het stack van de DDE kade in de richting van gebouw 42. Een van hen had zich onder een Automatic Guided Vehicle verstopt en de ander, verdachte, was doorgerend en over het hek geklommen naar het terrein van Kramer, eveneens een containerterminal. Volgens de Memorie van Toelichting bij voormelde wet is er sprake van handelingen door twee of meer verenigde personen, zodra er feitelijk en opzettelijk wordt samengewerkt. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de waarnemingen in deze zaak onvoldoende inhouden op basis waarvan die samenwerking kan worden aangenomen. Omdat aldus het bewijs ontbreekt dat de verdachte heeft samengewerkt met een ander zal hij worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid van artikel 138aa, derde lid aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht. Zich toegang verschaffen tot het besloten terrein Het staat vast dat de verdachte is aangetroffen op het terrein van ECT, een containerterminal in het havengebied van Rotterdam. Uit de bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de terminal is omgeven door hekken en dat er alleen toegang kan worden verkregen via een ingang die is voorzien van slagbomen. Uit niets is gebleken dat de verdachte het terrein is betreden via de ingang. Omdat de verdachte geen uitsluitsel heeft willen of kunnen geven over de wijze waarop hij het ECT terrein heeft betreden, houdt de rechtbank het er voor dat hij over het hek is geklommen, op dezelfde wijze zoals hij het terrein van Kramer Terminal Services heeft betreden. Naar uiterlijke verschijningsvorm is een dergelijke vorm van omheining onmiskenbaar bedoeld om aan onbevoegde derden duidelijk te maken dat het betreden van het achterliggende terrein wederrechtelijk is. Dit moet ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest. Bijzondere omstandigheden die dit voor deze verdachte anders zouden maken zijn niet (onderbouwd) gesteld of anderszins aannemelijk geworden. De tenlastelegging ziet, met name door de woorden na “in elk geval”, steeds op het zich de toegang verschaffen tot, kort gezegd, een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen en ook op het daar wederrechtelijk verblijven. Dit volgt tevens uit de inhoud van het dossier, zoals besproken op zitting. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen door middel van inklimming en daar wederrechtelijk heeft verbleven. Niet bewezen is dat de verdachte dit tezamen en in vereniging met een ander heeft gedaan. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 1 januari 2022 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hutchinson Ports ECT Delta Terminal en het besloten terrein van Kramer Terminal Services, door middel van inklimmingen wederrechtelijk op die besloten plaats heeft verbleven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 6.Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl hij zich de toegang heeft verschaft tot die plaats door middel van inklimming. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 7.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. De rechtbank gaat niet in op het beroep van de verdediging op afwezigheid van alle schuld omdat er sprake zou zijn geweest van dwaling omtrent de feiten, omdat enige onderbouwing van dit standpunt ontbreekt. 8.Motivering straf Algemene overweging De rechtbank heeft de themazitting aangegrepen om uitgangspunten te formuleren voor de strafoplegging bij bewezenverklaring van een van de in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht omschreven strafbare feiten, waarbij de rechtbank zich heeft beperkt tot de naar aanleiding van deze zitting bewezen verklaarde feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat de afgelopen tijd frequent personen worden aangetroffen op de besloten haventerreinen in en rond Rotterdam, die daar wederrechtelijk verblijven. Deze personen verschaffen zich doorgaans de toegang door over toegangshekken te klimmen en trachten aldaar containers open te breken om partijen waardevolle goederen of partijen voor de gezondheid schadelijke (verdovende) middelen uit deze containers te halen. Dit soort delicten wordt in de regel in georganiseerd verband gepleegd. Een verdachte, die op een haventerrein wordt aangetroffen en daarvoor geen duidelijke en verifieerbare reden wil of kan geven, wekt daarmee de verdenking dat hij zich met dergelijke criminele activiteiten inlaat. Enerzijds heeft de rechtbank er zich rekenschap van gegeven dat havens kwetsbare infrastructurele objecten vormen, waarvan het ongestoord functioneren van essentieel belang is voor het economisch verkeer en het maatschappelijk leven. Dergelijke objecten hebben, zo blijkt, een grote aantrekkingskracht op georganiseerde vormen van criminaliteit. Handhaving, toezicht, opsporing en aanhouding vergen veel capaciteit van de toezichthouders en opsporingsdiensten alleen al vanwege de grootschalige inzet van mensen en middelen nadat (een) indringer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.