Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer] uitspraakdatum: 9 februari 2022 [verzoeker 1] , wonende te [adres ] [woonplaats ] en [verzoeker 2] , wonende te [adres ] [woonplaats ], hierna: verzoekers.
- De procedure Verzoekers hebben op 20 januari 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 februari
- Ter zitting van 2 februari 2022 zijn verschenen en gehoord: verzoekers; mevrouw E.J.H. Dits-Roest, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening). [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
- Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen. Verzoeker heeft een vast contract en verdient maandelijks € 2.150,
- Verzoekster werkt als oproepkracht voor een uitzendbureau en haar inkomen wisselt. De huur bedraagt € 1.074,
- Verzoekers hebben vanaf oktober 2021 deelbetalingen van € 300,00 gedaan, waardoor het niet overzichtelijk is welke maanden tijdig en volledig betaald zijn. Schuldhulpverlening heeft geadviseerd om de volledige lopende huur te betalen. Verzoekers hebben dit advies opgevolgd en hebben de huur voor de maanden januari en februari 2022 voldaan. Dit was tevens een voorwaarde voor het opstarten van schuldhulpverlening. Zodra schuldhulpverlening is toegekend, zal ook budgetbeheer van start gaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij verwacht het budgetplan rond te krijgen met het huidige inkomen van verzoekers. Met verzoekers is besproken dat zij op zoek moeten naar een goedkopere huurwoning en dat verzoekster op zoek moet naar een fulltime baan. Verzoekers hebben ter zitting toegezegd dat zij hiermee bezig zijn.
- Het verweer Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
- De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 12 november 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 25 november 2021 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 januari 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 november 2021 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben voldoende inkomen om de huur van € 1.074,64 maandelijks te voldoen. Zij hebben het advies opgevolgd van schuldhulpverlening om geen deelbetalingen meer te doen, maar tijdig en volledig de lopende huur te betalen. Verzoekers hebben de lopende huur betaald voor de maanden januari en februari
- Nu zij gestopt zijn met de deelbetalingen, kan schuldhulpverlening verder opgestart worden. De machtigingen voor budgetbeheer bij de start van de schulddienstverlening zijn reeds getekend. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
- De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 november 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres ] te [woonplaats ], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2022.