Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750006-19 Datum uitspraak: 16 maart 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdahcte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte], raadsvrouw mr. J.J. Boelaars, advocaat te Rotterdam.
- Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 1 en 2 maart
- Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
- Standpunt officier van justitie De officier van justitie mr. L.L. van Delft heeft vrijspraak van het ten laste gelegde gevorderd.
- Geldigheid dagvaarding 4.
- Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de dagvaarding partieel nietig is. In de tenlastelegging is door het Openbaar Ministerie geen keuze gemaakt tussen de verboden die in artikel 10a, eerste lid, onder 2 en onder 3 van de Opiumwet zijn genoemd waardoor de dagvaarding op dit onderdeel niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). 4.
- Beoordeling Uit de dagvaarding blijkt, door de verfeitelijking van de tenlastelegging, voldoende duidelijk en concreet wat de verdachte wordt verweten, zodat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. De dagvaarding is dus geldig.
- Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
- Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
- Beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding geldig; verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. A. van Luijck, voorzitter, en mrs. W.M. Stolk en B. Vaz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de periode van 27 november 2018 tot en met 14 januari 2019 Zevenhuizen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden en/ of een hoeveelheid van een materiaal en/of middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen en/of voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) daartoe - een container met nummer 115, staand op het terrein [adres], verhuurd en/of ter beschikking gesteld aan een of meer anderen en/of - in voornoemde container, althans in een container met nummer 115, staand op het terrein [adres], ongeveer 3000 liter azijnzuuranhydride en/of 1025 kilo natriumcarbonaat opgeslagen zulks terwijl hij verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat dat/die stoffen en of handelingen bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).