← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:2301

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/861 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2022 in de zaak tussen [naam verzoekster], uit [woonplaats verzoekster], verzoekster (gemachtigde: mr. M. Raaijmakers), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Op 24 januari 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van verweerder aan verzoekster een vonnis van de kantonrechter betekend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
  2. Uit artikel 8:1 van de Awb volgt dat beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, dat wil zeggen een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 3.1 Bij vonnis in kort geding van 17 januari 2022 (het vonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank verzoekster veroordeeld tot ontruiming van de door haar (en haar kinderen) bewoonde onroerende zaak aan de [adres]. Op 24 januari 2022 heeft de gerechtsdeurwaarder de grosse van dit vonnis aan verzoekster betekend. 3.
  3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de aankondiging tot ontruiming met een besluit gelijk te stellen is en zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd dit besluit te schorsen.
  4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de betekening van het vonnis geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is (een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling) of een daarmee gelijk te stellen feitelijke handeling. In het vonnis heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van gebruik dat naar zijn aard van korte duur is zoals bedoeld in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, en dat de huurovereen-komst op 1 september 2019 is geëindigd door opzegging door de gemeente Rotterdam. Die opzegging is dus een privaatrechtelijke rechtshandeling en heeft als rechtsgevolg dat de huurovereenkomst per 1 september 2019 is geëindigd. Het ontruimingsvonnis en de betekening daarvan aan verzoekster zijn daarvan een uitvloeisel. Gezien die achtergrond kan de voorzieningenrechter niet inzien dat sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit, zodat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
  5. Omdat de bestuursrechter onbevoegd is, is verzoekster geen griffierecht verschuldigd.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 maart
  7. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.