vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/622347 / HA ZA 21-643 Vonnis van 23 maart 2022 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats eiser], eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs, tegen 1. [naam gedaagde 1], wonende te [woonplaats gedaagde 1], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam, 2. [naam gedaagde 2], wonende te [woonplaats gedaagde 2], gedaagde in conventie, niet verschenen. Eiser wordt hierna de man genoemd, gedaagde sub 1 de vrouw en gedaagde sub 2 [naam gedaagde 2]. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 12 juli 2021 met producties; de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties; de conclusie van antwoord in reconventie met producties; de akte overlegging producties van de vrouw; de tweede akte overlegging producties van de vrouw; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 januari 2022 en de spreekaantekeningen van beide advocaten. 1.2. Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2. De feiten 2.1. De man en de vrouw hebben een relatie gehad en zij hebben samen twee kinderen. Zij zijn op 11 november 2005 gezamenlijk, ieder voor de helft, eigenaar geworden van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). 2.2. De woning is bij de aankoop gefinancierd met een aflossingsvrije hypotheek van € 385.503,- en een lening van € 40.000,- van de moeder van de vrouw. 2.3. De relatie van de man en de vrouw is in 2008 verbroken. Zij hebben vervolgens onder begeleiding van de zogenaamde “Scheidingsmakelaar” afspraken gemaakt die zijn opgeschreven in een document dat in oktober 2008 door beiden is ondertekend (productie 2 bij de dagvaarding, hierna te noemen: het scheidingsrapport). 2.4. In het scheidingsrapport is op pagina 13 over de woning afgesproken: “De gezamenlijke woning blijft [naam gedaagde 1] voor een periode van 2 jaar na ondertekening convenant bewonen. De woning komt pas per 01-06-2010 in de verkoop tenzij partijen een eerdere datum overeen komen. [naam gedaagde 1] draagt de woonlasten en vrijwaart [naam eiser] van alle eventuele vorderingen van de hypotheekverstrekker. Na 2 jaar heeft [naam gedaagde 1] het recht de woning tegen de geldende marktwaarde te kopen. Bij verkoop wordt de resterende overwaarde als volgt verdeeld: De vrouw bezit de eerste € 40.000 en de resterende overwaarde wordt aan ieder voor 50% toebedeeld. Indien de overwaarde minder bedraagt dan € 40.000 dan krijgt de vrouw zonder verdere verrekening de gehele overwaarde. De vrouw maakt geen aanspraak op aanvulling van het bedrag tot € 40.000 door de man. De man heeft al een nieuwe woning gekocht welke per 1 augustus 2008 aan hem geleverd zal gaan worden. De financiering wordt door zijn tussenpersoon geregeld. De vrouw ziet af van alle rechten en plichten ten aanzien van die woning.” 2.5. Daarnaast staat in het scheidingsrapport op pagina 16: “De vrouw ontvangt het door haar gespaarde vermogen dat ze in het huis heeft gestoken en de grotere inbreng aan kapitaal voornamelijk bestaande uit schenkingen van haar familie, gedeeltelijk terug in de vorm van € 40.000 netto van de overwaarde van het huis.” 2.6. De vrouw is op 8 juni 2009 in gemeenschap van goederen gehuwd met [naam gedaagde 2]. 2.7. Op 16 juni 2010 heeft de vrouw naar de man gemaild: “Zoals verwacht heeft de hypotheekverstrekker negatief besloten, maar was hij aan de telefoon gelukkig een stuk informatiever dan eerst. Als ik in januari 2011 een beter gemiddeld resultaat over 3 jaar kan laten zien (het parttime-jaar 2007 valt dan niet meer in de berekening), dan kunnen we jou van je hoofdelijke aansprakelijkheid laten ontslaan door 0 tot 40.000 euro af te lossen (afhankelijk van de hoogte van mijn inkomen 2010. (…) Mijn voorkeur is om dat te doen: we weten dat het sowieso zal lukken en het enige dat we nodig hebben is een iets langere adem. Mijn vraag is of jij erachter staat en of we dus voorlopig geen bezichtigingen zullen doen. (…)” De man heeft hier bevestigend op gereageerd. 2.8. In 2011 heeft de vrouw een aanbod van een hypotheekverstrekker gekregen op grond waarvan zij de woning kon overnemen en de hypotheek kon herfinancieren op voorwaarde dat zij € 10.000,- op de schuld zou aflossen. Dit heeft zij - in overleg met de man – toen niet gedaan. 2.9. In 2015 heeft de vrouw nogmaals geprobeerd de woning en de hypotheek over te nemen. Dit is niet gelukt omdat zij de financiering niet rond kreeg. 2.10. De vrouw heeft na 2015 uit een erfenis een bedrag van € 89.941,- afgelost op de hypothecaire schuld. Die schuld bedraagt nu nog € 295.580,-. Ook heeft de vrouw de lening van haar moeder van € 40.000,- afgelost. 3. De vorderingen in conventie 3.1. De man vordert in conventie, samengevat en na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de verdeling te gelasten van de tussen hem en de vrouw bestaande eenvoudige gemeenschap van de woning aan de [adres] en te bepalen dat deze verdeling zal plaatsvinden door verkoop van de woning en verdeling van de netto opbrengst; te bepalen dat onder de netto opbrengst wordt verstaan de verkoopopbrengst na aftrek van de hypotheekschuld en de verkoopkosten en na aftrek van een vordering van per saldo € 167.584,41 van de vrouw; een in de gemeente Lansingerland gevestigde NVM-makelaar aan te wijzen als makelaar die de verkoop zal begeleiden en die bij gebreke van overeenstemming tussen partijen de vraag- en de laatprijs bindend zal vaststellen; [naam gedaagde 2] te veroordelen de tegen de vrouw uit te spreken veroordeling te dulden en zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning; de vrouw en [naam gedaagde 2] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan alle verkoopwerkzaamheden en de levering van de woning, op straffe van een dwangsom; de vrouw en [naam gedaagde 2] te veroordelen uiterlijk binnen twee maanden na het tot stand komen van een koopovereenkomst, of zoveel later als in die overeenkomst overeen zal zijn gekomen, de woning leeg en vrij van huur of andere gebruiksrechten te leveren aan de koper, op straffe van een dwangsom; de vrouw en [naam gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 3.2. De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij recht op en belang bij verdeling van de gemeenschap heeft en dat de peildatum voor de waardering van de woning de datum van de feitelijke verdeling is. De man is voor de helft eigenaar van de woning en heeft dus recht op de helft van het bedrag dat resteert van de (huidige) overwaarde na aftrek van € 89.941,- wegens de aflossing op de hypotheek door de vrouw, € 40,000,- wegens de aflossing door de vrouw van de gemeenschappelijke schuld aan haar moeder, en € 40.000,- wegens door de vrouw in de woning geïnvesteerde eigen middelen en andere verrekenposten, maar na vermeerdering met een vordering van € 2.356,59 van de man. 3.3. De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwist dat de man recht heeft op de helft van de huidige overwaarde. Zij voert aan dat zij in 2010 haar in het scheidingsrapport opgenomen recht om het aandeel van de man in de woning over te nemen, heeft ingeroepen en dat dit alleen goederenrechtelijk nog moet worden uitgevoerd. Daarnaast voert zij aan dat zij gelet op het scheidingsrapport alsnog de mogelijkheid heeft om het aandeel van de man in de woning over te nemen tegen de marktwaarde van de woning in 2010 of subsidiair tegen een waarde van € 490.000,-. Verder stelt de vrouw dat het in strijd met de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid is als de man aanspraak maakt op de helft van de huidige overwaarde van de woning, dan wel dat de man ongerechtvaardigd wordt verrijkt indien de helft van de huidige overwaarde aan hem toekomt. Tot slot stelt de vrouw dat haar vorderingen op de gemeenschap in totaal € 209.941,- bedragen. in reconventie 3.4. De vrouw vordert in reconventie, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de man te veroordelen de woning aan de vrouw te leveren en partijen te gelasten medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld; de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten voor de levering van de woning; de hypotheekschuld aan de vrouw toe te rekenen en de vrouw te gelasten om de man te vrijwaren voor het geval de bank een vordering uit hoofde van de hypotheekschuld instelt tegen de man; te bepalen dat het vonnis, zo nodig, in de plaats treedt van rechtshandelingen die de man moet verrichten in verband met de levering van de woning aan de vrouw; de man te veroordelen in de proceskosten. 3.5. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De vorderingen in conventie en in reconventie worden gezamenlijk behandeld. Heeft de vrouw het recht om de woning toegedeeld te krijgen, ingeroepen? 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw conform de afspraken in het scheidingsrapport het recht had om het aandeel van de man in de woning in 2010 over te nemen tegen de dan geldende marktwaarde. De vrouw stelt dat zij deze optie met haar e-mail van 16 juni 2010 heeft uitgeoefend maar dat het nog niet tot een levering is gekomen. Volgens haar moet de man daarom nu alsnog zijn aandeel in de woning aan haar overdragen tegen de marktwaarde in 2010. De man betwist dat de vrouw haar recht op toedeling van de woning in 2010 of daarna heeft ingeroepen. 4.3. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt. De e-mail van 16 juni 2010 kan niet worden gelezen als de uitoefening van het recht op toedeling van de woning door de vrouw. Een gevolg van de uitoefening van dat recht zou immers zijn dat de vrouw verplicht zou zijn de woning over te nemen, en de vrouw schrijft juist dat zij de woning op dat moment niet wil overnemen omdat ze de overname op dat moment niet kan financieren. De vrouw stelt voor om te wachten tot januari 2011. In 2011 kon de vrouw de overname financieren op voorwaarde dat zij € 10.000,- op de hypotheekschuld zou aflossen. De vrouw heeft toen besloten dat niet te doen omdat zij dan al haar spaargeld in het huis zou moeten stoppen. Ook op dat moment heeft zij het recht op toedeling van de woning dus niet uitgeoefend. 4.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij in 2010 mondeling heeft gecommuniceerd dat zij gebruik wilde maken van de koopoptie en dat zij zich kan voorstellen dat zij daar een e-mail van heeft. Dat de vrouw de wens heeft geuit om de optie uit te oefenen is echter niet relevant. Waar het om gaat is of de vrouw de optie daadwerkelijk heeft uitgeoefend en zich dus verbonden heeft het aandeel van de man in de woning over te nemen. Dat de vrouw dit in 2010 heeft gedaan, is niet aannemelijk gelet op de e-mail van 16 juni 2010 waarin zij aan de man laat weten dat zij de financiering niet rond kan krijgen en het in 2011 opnieuw wil proberen. Voor zover de vrouw desalniettemin bedoelt dat zij de optie in 2010 mondeling heeft uitgeoefend, had het op haar weg gelegen die stelling nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. De vrouw zegt dat ze zich kan voorstellen dat ze daar een e-mail van heeft, maar zij heeft die e-mail niet overgelegd en ook niet aangeboden die e-mail te overleggen. Dat de optie in 2010 mondeling is uitgeoefend, is dus onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij. 4.5. De vrouw wijst daarnaast nog op de door haar bij akte ingediende producties 9 tot en met 14. Dit betreft een taxatierapport van de woning van 6 juli 2015, e-mailcorrespondentie tussen haar en een notariskantoor in augustus 2015, een concept leveringsovereenkomst, alsmede correspondentie met een financieel adviseur uit augustus 2015. Uit deze stukken blijkt dat de vrouw in 2015 opnieuw heeft geprobeerd de overname van de woning gefinancierd te krijgen, dat zij ervan uitging dat dat zou lukken maar dat de financiering uiteindelijk niet rond is gekomen. Uit deze stukken blijkt niet dat de vrouw in 2015 (of eerder) haar recht op toedeling van de woning heeft uitgeoefend, in die zin dat zij zich ertoe heeft verplicht het aandeel van de man in de woning over te nemen. Dat de vrouw zich er niet toe heeft verplicht de woning over te nemen blijkt ook wel uit haar verklaring ter zitting dat zij in 2015 met de man heeft afgesproken de pogingen om de woning over te nemen helemaal stil te leggen omdat het telkens veel tijd en stress kostte. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de vrouw het recht om de woning toegedeeld te krijgen, zoals vastgelegd in het scheidingsrapport, heeft uitgeoefend. Kan de vrouw het optierecht alsnog uitoefenen en heeft zij dan het recht de woning over te nemen tegen de marktwaarde in 2010? 4.7. De vrouw stelt subsidiair dat uit de afspraak in het scheidingsrapport (weergegeven in 2.4) volgt dat zij het recht op toedeling van de woning nog steeds kan uitoefenen en dat zij dan recht heeft op toedeling van de woning tegen de waarde in 2010. De man betwist dat dit het geval is. De man is ermee akkoord dat de vrouw zijn aandeel in de woning overneemt, maar alleen tegen de huidige marktwaarde. 4.8. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst moet de rechter niet alleen kijken naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die tekst mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). 4.9. In het echtscheidingsrapport is vermeld: “Na 2 jaar heeft [naam gedaagde 1] het recht de woning tegen de dan geldende marktwaarde te kopen.”. Bij het opstellen van het echtscheidingsrapport in 2008 hebben partijen de waarde waartegen de vrouw de woning zou kunnen overnemen dus laten afhangen van de ontwikkelingen op de markt. Indien de vrouw de woning na twee jaar (in 2010) zou overnemen, dan zou zij dat tegen de marktwaarde van dat moment moeten doen. De marktwaarde zou dus bepalend zijn voor de waarde waartegen de vrouw de woning zou overnemen. In dit licht is het niet voor de hand liggend dat bij een verdeling in 2011 of daarna, de marktwaarde van 2010 bepalend zou zijn voor de waarde waartegen de vrouw de woning zou kunnen overnemen. Meer voor de hand liggend is dat ook na 2010 zou worden afgerekend tegen de waarde op het moment van verdeling. Een redelijke uitleg van de hiervoor geciteerde tekst brengt dan ook met zich dat met ‘de dan geldende marktwaarde’ gedoeld wordt op de waarde ‘op dat moment’, dus op het moment waarop de vrouw het aandeel van de man in de woning overneemt. 4.10. Uit het voorgaande volgt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op toedeling van het aandeel van de man in de woning tegen de marktwaarde in 2010. Heeft de vrouw het recht om de woning over te nemen tegen een waarde van € 490.000? 4.11. In het scheidingsrapport hebben partijen een geschatte waarde van de woning van € 490.000,- opgenomen. De vrouw is van mening dat bij toedeling van de woning aan haar maximaal van deze waarde uitgegaan moet worden. Niet valt in te zien wat anders de bedoeling is geweest van het opnemen van dit bedrag, aldus de vrouw. Volgens de man is deze destijds geschatte waarde irrelevant. Het was immers slechts een schatting en in de overeenkomst tussen partijen wordt gesproken over de marktwaarde. 4.12. Ook hier volgt de rechtbank de vrouw niet. In het rapport staat expliciet dat het hier gaat om een geschatte waarde. Deze geschatte waarde was relevant voor een inschatting van de overwaarde die partijen konden verwachten. Partijen hebben echter niet afgesproken dat de vrouw de woning zou kunnen overnemen tegen deze geschatte waarde. Afgesproken is dat de vrouw de woning zou kunnen overnemen tegen de werkelijke waarde. De vrouw kan dus geen aanspraak maken op toedeling van de woning tegen deze geschatte waarde. Is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man een beroep doet op de afspraak in het echtscheidingsrapport? 4.13. De vrouw stelt meer subsidiair (voor het geval wordt aangenomen dat de afspraak tussen partijen inhoudt dat de vrouw het recht heeft de woning toegedeeld te krijgen tegen de waarde op het moment van de toedeling) dat op grond van de redelijkheid en billijkheid afgeweken moet worden van de afspraak tussen partijen (artikel 6:248 lid 2 BW) en dus afgeweken moet worden van de datum van verdeling als peildatum voor de waardering van de woning. De vrouw legt daaraan de volgende stellingen ten grondslag: De vrouw heeft vrijwel direct na het uiteengaan van partijen nagenoeg de volledige zorg voor de kinderen moeten dragen, terwijl in de overeenkomst een co-ouderschap was afgesproken. Hierdoor heeft zij niet het inkomen kunnen genereren waar partijen van uitgingen bij het maken van de afspraken in 2008. De man heeft ook de financiële afspraken over de kinderen niet nageleefd. De man heeft daardoor (indirect) veroorzaakt dat de vrouw niet in staat is geweest zijn aandeel in de woning over te nemen; De vrouw heeft, met de afspraken die partijen hebben gemaakt omtrent de woning en de partneralimentatie, de man in staat gesteld na het uiteengaan van partijen direct een eigen woning te kopen. Zij maakte namelijk geen aanspraak op partneralimentatie en de woning stond (formeel) in de verkoop. Dit was een voorwaarde om de financiering van de huidige woning van de man rond te krijgen. De woning van de man heeft inmiddels een overwaarde van circa € 150.000,-. De vrouw heeft daar conform de gemaakte afspraken geen aanspraak op; De man heeft tot 2021 nooit kenbaar gemaakt aanspraak op de overwaarde te maken. Zou hij dat wel gedaan hebben dan zou de vrouw niet € 89.941,- op de hypotheek hebben afgelost, maar dan zou zij het ontslag van de man uit de hoofdelijkheid met die aflossing hebben gerealiseerd; In het scheidingsrapport staat dat het de wens van partijen is de vrouw te compenseren voor de periode dat zij minder heeft gewerkt en de zorg voor de kinderen heeft gehad. Die zorg is na het verbreken van de relatie alsnog nagenoeg volledig door de vrouw gedragen. Redelijk is dan ook dat de vrouw daarvoor wordt gecompenseerd. 4.14. Volgens de man zijn de (afspraken over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.