vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/617468 HA ZA 21/381 Vonnis van 23 maart 2022 in de zaak van
(14)dagen na het te dezen te wijzen vonnis. 3.2 Zij baseert haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen. Zij heeft voldaan aan de veroordeling in het eerste kortgedingvonnis. De lijst die zij aan ECP heeft gestuurd omvat per betaling de boekdatum, de valutadatum, het bankrekeningnummer waarop de betaling is ontvangen, de valuta, de wederpartij die de betaling heeft gedaan en, voor zover van toepassing, de mededeling van de begunstigde. De bezwaren van ECP Factoring zijn onterecht. 4.Het verweer ECP heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Zij concludeert tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Simbolo c.s. in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente. Op dat verweer gaat de rechtbank hierna, waar nodig, in. 5.De beoordeling 5.1 Simbolo c.s. heeft deze procedure aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 april
- Dat is binnen dertig dagen na het tweede kortgedingvonnis, en dus tijdig. 5.2 Simbolo c.s. en ECP Factoring willen beiden tot afwikkeling van de overeenkomst komen. In het eerste kort geding heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat er sprake was van een impasse, omdat elk van beide partijen stelde daarvoor informatie van de ander nodig te hebben. De bij dat vonnis getroffen ordemaatregel had tot doel die impasse te doorbreken, en hield in dat Simbolo c.s. een overzicht moest verstrekken, voor zover mogelijk, van ontvangen betalingen op aan door haar aan ECP Factoring gecedeerde vorderingen, zodat afwikkeling van de overeenkomst tussen hen mogelijk werd. In dat licht moet de vraag of Simbolo c.s. heeft voldaan aan doel en strekking van het rechterlijk gebod worden bezien. 5.3 ECP Factoring heeft bezwaren tegen het door Simbolo c.s. verstrekte overzicht. Volgens haar is daaruit niet af te leiden of en in hoeverre de ontvangsten van Simbolo c.s. betrekking hebben op aan ECP Factoring gecedeerde vorderingen. Verder zijn de tegenrekeningen (dus de rekeningen van waaraf er is betaald aan Simbolo c.s.) niet opgenomen in het overzicht. Het overzicht is bovendien onvolledig: betalingen op een rekening bij ABN-AMRO staan niet vermeld. Ook gaat het overzicht niet vergezeld van bankafschriften, aldus ECP Factoring. 5.4 De rechtbank oordeelt als volgt. 5.4.1 Simbolo c.s. heeft op 21 december 2021 een overzicht verstrekt van de mutaties op haar ING-bankrekening. Het betreft de gegevens die het boekhoudprogramma van Simbolo c.s. dagelijks downloadt vanuit de systemen van ING. Daarmee kreeg ECP Factoring inzicht in alle betalingen die Simbolo c.s. had ontvangen in de relevante periode. Zoals de voorzieningenrechter al overwoog in het tweede kortgedingvonnis: als ECP Factoring van mening was dat zij met het overzicht onvoldoende in handen had om tot afwikkeling van de overeenkomst te komen had het op haar weg gelegen om dit aan Simbolo c.s. kenbaar te maken en aan te geven wat zij daartoe nog nodig heeft. ECP heeft dat niet gedaan. Zij heeft op het overzicht niet eerder gereageerd dan op 12 januari 2021, met de mededeling dat niet aan het vonnis was voldaan en dat de dwangsommen verschuldigd waren. Mr. Wilke heeft vervolgens namens Simbolo c.s. aangeboden meer informatie te verstrekken door per mutatie een apart elektronisch afschrift te produceren, maar ECP Factoring heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Ook heeft zij niet gevraagd om nadere informatie over de tegenrekeningen. 5.4.2 De rechtbank is dan ook van oordeel dat Simbolo c.s. ten aanzien van de ING-bankrekening met het overzicht en het aanbod om nadere informatie te verschaffen in voldoende mate heeft voldaan aan het eerste kortgedingvonnis. Weliswaar staat in dat vonnis dat ook de bankrekeningafschriften verstrekt moesten worden, maar op zitting is genoegzaam gebleken dat ING geen bankrekeningafschriften meer verstrekt. 5.4.3 ECP Factoring verwijt Simbolo c.s. verder dat betalingen op een bankrekening bij ABN AMRO zijn verzwegen. Als productie 12 heeft ECP Factoring een overzicht in het geding gebracht met daarin – naar zij stelt – de resultaten van een door haar uitgevoerde analyse. Uit die analyse blijkt volgens haar dat debiteuren van aan ECP Factoring overgedragen vorderingen tenminste € 123.000,- hebben betaald op de ABN-AMRO bankrekening van Simbolo c.s. De rechtbank constateert dat ECP Factoring niet duidelijk maakt hoe en met gebruikmaking van welke criteria zij die analyse heeft gemaakt, zodat de rechtbank daaraan geen serieuze betekenis kan toekennen. Ter zitting zijn bovendien enkele van de op productie 12 vermelde betalingen besproken, waarbij namens Simbolo c.s. een toelichting is gegeven, die erop neer kwam dat het niet om gecedeerde vorderingen ging of kon gaan. Daarop is van de kant van ECP Factoring niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd gereageerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op deze bankrekeningen niet meer is ontvangen aan relevante betalingen dan de twee betalingen van in totaal € 5.585,- die door Simbolo c.s. zijn erkend. Simbolo c.s. verwijst naar haar gehele omzet over de periode van 1 april 2018-31 december 2019 van ongeveer € 25.000.000,- en stelt dat het ongeloofwaardig is dat zij betalingen tot een bedrag van € 5.585,- bewust zou hebben achtergehouden, zoals ECP Factoring meent. De rechtbank acht voornoemd bedrag van € 5.585,- in het licht van de totale omvang van de betalingen verwaarloosbaar en volgt Simbolo c.s. daarom in het betoog dat dit een kennelijke vergissing is. Dit rechtvaardigt niet het verbeurdverklaren van dwangsommen. 5.4.4 Dit alles leidt tot de conclusie dat Simbolo c.s. in voldoende mate heeft voldaan aan doel en strekking van het gebod in het eerste kortgedingvonnis. Daarom zal de rechtbank ECP Factoring veroordelen de ingezette executie van het eerste kortgedingvonnis, voor zover het het innen van dwangsommen betreft, te staken en gestaakt te houden. 5.5 De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad is op de wet gebaseerd en ECP Factoring heeft er geen verweer tegen gevoerd. De vordering zal worden toegewezen. 5.6 De vorderingen tot verklaring voor recht hebben geen zelfstandige betekenis en worden daarom afgewezen. 5.7 ECP Factoring wordt in deze zaak grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van Simbolo c.s. op € 85,81 aan dagvaardingskosten, € 667,- aan griffierecht en op € 2.228,- (2 punten à € 1.114, -) aan salaris voor de advocaat. De nakosten worden toegewezen op de wijze zoals hierna bepaald. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente over deze kosten worden toegewezen. 6.De beslissing De rechtbank:
- veroordeelt ECP Factoring de executie van het eerste kortgedingvonnis, voor zover dat betrekking heeft op het innen van dwangsommen, te staken en gestaakt te houden; 2 veroordeelt ECP Factoring in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Simbolo c.s. begroot op € 85,81 aan dagvaardingskosten, € 667,- aan griffierecht en op € 2.228,- aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 163,- zonder betekening, en € 248,- in geval van betekening, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien