← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:2674

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/960023-20 Datum uitspraak: 11 april 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzittingen uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem, raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 augustus 2021 (pro forma), 20 september 2021 (regie), 15 november 2021 (regie), 1 december 2021, 8 december 2021, 15 december 2021, 20 december 2021, 19 januari 2022, 24 januari 2022, 21 februari 2022 en 28 maart

  1. Inhoudsopgave
  2. Onderzoek op de terechtzitting 1
  3. Tenlastelegging 2
  4. Eis officier van justitie 3
  5. Vooraf 3 4.
  6. Leidende grondgedachte 3 4.
  7. Eerdere tussenbeslissingen 4
  8. PGPSafe 4 5.
  9. Het standpunt van de verdediging 4 5.
  10. De beoordeling 4 5.2.
  11. Feitelijke gang van zaken 5 5.2.
  12. ( On)rechtmatigheid verkrijging data 6 5.2.
  13. Betrouwbaarheid PGPSafedata 13 5.2.
  14. Conclusie ten aanzien van alle PGSafe verweren 17
  15. EncroChat 17 6.
  16. Het standpunt van de verdediging 17 6.
  17. De feitelijke gang van zaken 18 6.
  18. Beoordeling 21 6.3.
  19. Het verweer op hoofdlijnen 21 6.3.
  20. Artikel 359a Sv 22 6.3.
  21. De betrouwbaarheid van de EncroChatdata 29 6.3.
  22. Conclusie ten aanzien van alle EncroChatverweren 30
  23. Identificatie 30 7.
  24. PGPSafe 30 7.1.
  25. Het standpunt van de verdediging 32 7.1.
  26. De beoordeling 33 7.
  27. EncroChat 34 7.2.
  28. Het standpunt van de verdediging 35 7.2.
  29. De beoordeling 35
  30. Zaaksdossier Scan (feit 1) 37 8.
  31. Het standpunt van de verdediging 38 8.
  32. De beoordeling 38
  33. Zaaksdossier Broer (feit 2) 39 9.
  34. Het standpunt van de verdediging 39 9.
  35. De beoordeling 40
  36. Zaaksdossier Lamp (feiten 3 en 4) 41 10.
  37. Het standpunt van de verdediging 41 10.
  38. De beoordeling 42
  39. Zaaksdossier Barca (feit 5) 46 11.
  40. Het standpunt van de verdediging 47 11.
  41. De beoordeling 47
  42. Zaaksdossier Boeddha (feit 6) 58 12.
  43. Het standpunt van de verdediging 58 12.
  44. De beoordeling 58
  45. Gewoontewitwassen (feit 7) 58 13.
  46. Zaaksdossiers Bastiaansplein en Barcelona 58 13.
  47. Zaaksdossiers Periphery en Alimentatie 59 13.2.
  48. Het standpunt van de verdediging 59 13.2.
  49. Het standpunt van de officier van justitie 60 13.2.
  50. De beoordeling 61
  51. Bewezenverklaring 66
  52. Strafbaarheid feiten 69
  53. Strafbaarheid verdachte 70
  54. Motivering straffen 70 17.
  55. Het standpunt van de officier van justitie 70 17.
  56. Het standpunt van de verdediging 70 17.
  57. De beoordeling 70
  58. In beslag genomen voorwerpen 74 18.
  59. Standpunt officier van justitie 74 18.
  60. Standpunt verdediging 75 18.
  61. Beoordeling beslag 75
  62. Toepasselijke wettelijke voorschriften 75
  63. Bijlagen 76
  64. Beslissing 76 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij op 2 maart 2021 de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. B.S. van Unnik en S. Kubicz hebben gevorderd: partiële vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde voor wat betreft de zaaksdossiers: Periphery (aangaande de [adres 1] en [adres 2] ) en [naam plein] ; bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 (voor wat betreft de zaaksdossiers: Alimentatie, Barcelona en Periphery aangaande de appartementen/wooneenheden in Tsjechië) ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest. 4.Vooraf 4.
  65. Leidende grondgedachte De verdenking tegen de verdachte is voor een groot deel gebaseerd op zogenaamde PGPSafe- en EncroChatberichten. Gezien het verweer van de verdediging zal de rechtbank de verkrijging en verwerking van de PGPSafedata en EncroChatdata beoordelen. Zij hanteert daarbij de navolgende grondgedachte. Ons privéleven en onze privégegevens genieten een hoge mate van bescherming. Dat uitgangspunt wordt gehanteerd in het Unierecht, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), de Universele verklaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Universele verklaring) en komt ook in onze nationale wetten tot uitdrukking. De rechter toetst weliswaar niet direct aan de Grondwet, maar ook daarin is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (in artikel 10) en het briefgeheim (in artikel 13) vastgelegd. Die bescherming is echter niet onbeperkt. Inperking is mogelijk, maar moet bij wet zijn voorzien en bovendien noodzakelijk, evenredig en proportioneel zijn. Daarbij geldt in zijn algemeenheid het adagium: hoe zwaarder de verdenking (zeer ernstige misdrijven, georganiseerd verband), hoe groter de inbreuk mag zijn. Anderzijds levert een zware verdenking an sich geen vrijbrief op voor het maken van die inbreuk. Bovengenoemde uitgangspunten zijn verankerd in het nationaal wettelijk stelsel van strafvorderlijke bevoegdheden en de internationaalrechtelijke wet- en regelgeving waarop bijvoorbeeld rechtshulp is gebaseerd. Dit stelsel, dit complex aan regelgeving, moet het kader scheppen waarin opsporingsinstanties hun taak vervullen. Nieuwe ontwikkelingen en technische vooruitgang, kunnen ervoor zorgen dat het stelsel soms wordt toegepast in situaties die op voorhand niet altijd zijn voorzien. Dat maakt de toepassing niet op voorhand in strijd met het recht, maar de toetsing daarvan is minder eenduidig en vatbaar voor discussie. Voorop staat in ieder geval dat binnen de grenzen van het legaliteitsbeginsel moet worden geacteerd en er moet zijn voorzien in een toetsing aan de beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Het voorgaande speelt in de onderhavige zaak bij de verwerving en verwerking van de data van encrypted telecomdiensten PGPSafe en EncroChat, ook wel een Over The Top-communicatiediensten (OTT) genoemd, waarvoor in het Nederlandse stelsel geen zogenoemde aftapverplichting bestaat, waardoor de data daarvan door de opsporingsdiensten op andere wijze dienden te worden vergaard. Waar de verdediging stelt dat bij die andere wijze van vergaren sprake is van bulkvergaring waarin ons wettelijk systeem niet voorziet en waarbij de (grond)rechten van iedere gebruiker worden geschonden, stelt de officier van justitie daar tegenover dat conform de wettelijke bepalingen en met eerbied voor de rechten van de verdachten is gehandeld. 4.
  66. Eerdere tussenbeslissingen De rechtbank heeft zich in de beslissingen van 11 oktober 2021 en 19 november 2021 op basis van de toen beschikbare informatie (bij wijze van voorlopig oordeel) reeds uitgelaten over diverse PGPSafe en EncroChat gerelateerde onderwerpen. Nadien is door de verdediging en de officier van justitie nog aanvullende informatie in de strafzaken ingebracht. Deze informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om op die voorlopige oordelen terug te komen. Nu het onderzoek is afgerond, zal de rechtbank haar eindoordeel vellen op basis van het dossier zoals het nu voorligt. De rechtbank zal eerst de feitelijke gang van zaken rondom de verkrijging, verwerking en de overdracht van de PGPSafe- en EncroChatberichten vaststellen en daarna aan de hand van de juridische kaders een oordeel vellen over de rechtmatigheid daarvan, de betrouwbaarheid van de verkregen data en de eerlijkheid van het proces.
  67. PGPSafe 5.
  68. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat verkrijging en verwerking van de PGPSafedata onrechtmatig is wegens strijd met nationaal en internationaal recht. Daarenboven zijn de verkregen data onvolledig en onbetrouwbaar. De PGPSafedata dienen te worden uitgesloten van het bewijs, subsidiair dient strafvermindering plaats te vinden. 5.
  69. De beoordeling De rechtbank zal de gevoerde verweren hieronder bespreken. De rechtbank staat eerst stil bij de verkrijging van de PGPSafedata in het onderzoek 26Sassenheim en daarna bij de verkrijging en verwerking van de PGPSafedata in het onderzoek 26Sartell (hierna: Sartell). 5.2.
  70. Feitelijke gang van zaken Op 4 april 2017 heeft de officier van justitie in het onderzoek 26Sassenheim een rechtshulpverzoek aan de bevoegde autoriteiten in Costa Rica gedaan tot onder meer het verrichten van een doorzoeking en het veilig stellen en kopiëren van servers die zich bevonden in het bedrijf [naam bedrijf 1] in [plaats] , Costa Rica. Op deze servers bevond zich de BlackBerry Enterprise Server (BES) infrastructuur die ervoor zorgde dat emailberichten van gebruikers van PGPSafe.net-telefoons werden gerouteerd naar de juiste ontvangers en werden versleuteld. Op 8 mei 2017 heeft de rechter te Costa Rica een machtiging afgegeven en op 9 mei 2017 is binnengetreden in het datacentrum van [naam bedrijf 1] voor een doorzoeking ter vastlegging van gegevens. De BES infrastructuur bevond zich in twee serverkasten waarvan er één sinds 2012 en één sinds 2016 was verhuurd. Het onderzoek is beperkt tot de serverkast die was verhuurd sinds
  71. De Costa Ricaanse autoriteiten hebben een medewerker van [naam bedrijf 1] bevolen de netwerkverbinding tussen de computerapparatuur in de twee serverkasten en het internet te verbreken. Hierdoor was gedurende de doorzoeking geen netwerverkeer mogelijk tussen de twee serverkasten en computersystemen die zich daarbuiten bevonden. Tussen 9 mei 2017 te 18.00 uur en 11 mei 2017 te 09.00 uur zijn bestanden gekopieerd. Omdat de Costa Ricaanse autoriteiten de doorzoeking gingen beëindigen, is niet alles gekopieerd. In overleg met de Costa Ricaanse autoriteiten is bij het veiligstellen prioriteit gegeven aan de zich op die server bevindende virtuele machines met cryptografisch sleutelmateriaal en aan de virtuele machines met emailberichten. In de perioden dat het kopiëren van de gegevens zonder de aanwezigheid van de Costa Ricaanse autoriteiten werd voortgezet zijn de serverkasten door de rechter verzegeld. De verzegeling is bij voortzetting van de doorzoeking steeds door de Costa Ricaanse autoriteiten gecontroleerd, waarbij geen doorbreking van de verzegeling is vastgesteld. De datadragers, waarnaar de data zijn gekopieerd, zijn door de Costa Ricaanse autoriteiten verpakt en door de Costa Ricaanse rechter verzegeld. Op 12 juni 2017 is van de Costa Ricaanse autoriteiten een pakket ontvangen met daarin een verzegelde reiskoffer en een enveloppe met de uitvoeringsstukken van het rechtshulpverzoek. In de reiskoffer bevonden zich harde schijven, te weten een Synology NAS met acht harde schijven en een losse harde schijf. Van de losse harde schijf is een forensische kopie gemaakt, waarvan de integriteit softwarematig is vastgesteld. De bestanden die zich op de NAS bevonden zijn eveneens naar het onderzoeksnetwerk van de politie gekopieerd. Van die bestanden zijn de hashwaardes berekend. De hashwaardes van de bron (de NAS) en de kopie van het onderzoeksnetwerk kwamen overeen. Met behulp van het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) ontwikkelde forensische systeem Hansken zijn uit de Costa Rica data emailberichten ontsloten. 5.2.
  72. ( (On)rechtmatigheid verkrijging data De rechtbank heeft zich eerst de vraag gesteld of de verkrijging van de PGPSafedate in onderzoek 26Sassenheim in deze zaak überhaupt ter toetsing voor ligt. De officier van justitie heeft betoogd dat dat niet het geval is vanwege (a) het interstatelijk vertrouwensbeginsel en (b) het feit dat de vergaring van de gegevens niet heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek van Sartell (artikel 359a Sv). a. Interstatelijk vertrouwensbeginsel Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat toetsing door de rechtbank aan de grondslag van het rechtshulpverzoek niet in de weg. Immers, betoogd is dat een onjuiste wettelijke basis voor het gedane rechtshulpverzoek is gehanteerd, te weten artikel 125i Sv in plaats van artikel 125la Sv. Dit is een verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporende instantie en niet die van de Costa Ricaanse rechter die het verzoek ontvangt. Voor wat betreft de inhoudelijke toetsing voor de inzet van het opsporingsmiddel in Costa Rica, de rechtmatigheid, doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit staat het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetsing van de beslissing van de Costa Ricaanse rechter wel in de weg. De inzet van het dwangmiddel heeft plaatsgevonden in Costa Rica, met machtiging van een Costa Ricaanse rechter en onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse autoriteiten. Het enkele feit dat de Nederlandse autoriteiten hulp hebben aangeboden van Nederlandse opsporingsambtenaren bij de uitvoering van hetgeen waarom verzocht is, welke hulp vervolgens is geaccepteerd, maakt dat niet anders. Dat de Nederlandse opsporingsambtenaren hiermee feitelijk de leiding over en de verantwoordelijkheid zouden hebben gehad voor de in Costa Rica uitgevoerde handelingen is daarmee niet gegeven. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zo dat het geval zou zijn geweest, wel alle servers zouden zijn gekopieerd. De Costa Ricaanse rechter heeft, zo blijkt uit zijn beslissing, een uitvoerige belangenafweging gemaakt onder meer door te toetsen aan nationaalrechtelijke (grondwettelijke) bepalingen en het IVBPR en de Universele verklaring, alvorens een machtiging te geven voor de doorzoeking. Het is niet aan de Nederlandse rechter deze toetsing over te doen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat in de weg aan de toetsing door de Nederlandse rechter waar het betreft de inzet van het dwangmiddel. De wijze waarop de resultaten daarvan vervolgens zijn verwerkt in het onderhavige dossier, ligt wel ter toetsing voor. De Nederlandse rechter dient immers te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruikt wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijke proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. b) Grondslag van het rechtshulpverzoek en artikel 359a Sv Zoals hiervoor overwogen staat het interstatelijk vertrouwensbeginsel de toetsing aan de grondslag van het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim niet in de weg. De vraag die hierbij opkomt is of toetsing van het rechtshulpverzoek in onderzoek Sartell kan plaatsvinden. De rechtbank beantwoordt deze vraag als volgt. Het rechtshulpverzoek heeft in onderzoek 26Sassenheim plaatsgevonden, derhalve niet in het voorbereidend onderzoek van Sartell. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit een toetsing aan de grondslag van het rechtshulpverzoek niet in de weg staat. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890) kan toetsing aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek, indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat een eventuele onrechtmatige PGPSafedatavergaring en -verwerking ten gevolge van een eventueel onrechtmatig rechtshulpverzoek ook onrechtmatig zou zijn jegens de gebruikers van PGPSafe. Immers, het zijn hun berichten die daarmee worden verkregen en ingezien en de bepalingen die dergelijke vergaring reguleren zien (mede) op de bescherming van de (privacy) belangen van de gebruikers. Voorts moet worden vastgesteld dat de PGPSafedata die zijn verkregen op grond van het rechtshulpverzoek en in onderzoek Sartell zijn opgenomen, een omvangrijk deel van het Sartell dossier uitmaken. Voorafgaand aan de verkrijging van de PGPSafedataset in Sartell, waren de verdachten in de zaakdossiers Scan en [naam 39] (met feiten afkomstig uit 2015 en 2016) voor het merendeel niet in beeld. Daar waar het de zaak Scan betreft waren de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) weliswaar al eerder als verdachten in beeld, maar werden de zaken tegen hen wegens onvoldoende bewijs geseponeerd. Nadat de data in onderzoek Sartell werden opgenomen, kwamen de verdachten (al dan niet opnieuw) in beeld. De rechtbank is van oordeel dat de verkrijging van de PGPSafedataset naar aanleiding van het rechtshulpverzoek voor onderzoek Sartell (althans de zaaksdossiers Scan en [naam 39] ) van bepalende invloed is geweest. De bewijsconstructie van de officier van justitie ziet hier overigens ook grotendeels op. Het voorgaande betekent niet dat de rechtbank het onderzoek 26Sassenheim als voorbereidend onderzoek naar de verdachten van zaaksdossier Scan en [naam 39] in onderzoek Sartell beschouwt, het betekent uitsluitend dat zij reden ziet de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek tot de verkrijging van de PGPSafedataset te toetsen naar aanleiding van het door verdediging op dit punt gevoerde verweer. Bevoegdheid In dit kader heeft de rechtbank zich vervolgens de vraag gesteld of de officier van justitie bevoegd was tot het doen van het rechtshulpverzoek aan Costa Rica zoals dat op 4 april 2017 is gedaan. Meer toegespitst: is door de officier van justitie hierbij de juiste bevoegdheid aangewend? De rechtbank overweegt in navolging van het vonnis in de Ennetcomzaak van 21 september 2021 dat het openbaar ministerie (OM) artikel 125la Sv – dat beperkingen voorschrijft in de vast te leggen gegevens die worden aangetroffen bij een doorzoeking op grond van artikel 125i Sv en bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vergt – bij de doorzoeking in de serverruimte van [naam bedrijf 1] in [plaats] ( Costa Rica), die te gelden heeft als doorzoeking bij PGPSafe, en ook bij de verkrijging van de PGPSafedata in acht had moeten nemen. Dit omdat PGPSafe als ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst’ als bedoeld in dit artikel heeft te gelden, hoewel de door PGPSafe aangeboden PGPfaciliteiten/functies maken dat deze zich onderscheidt van een reguliere serviceprovider of internetaanbieder. Het begrip ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of (…) openbare telecommunicatiedienst’ in artikel 125la Sv legt de rechtbank hier eveneens uit aan de hand van het begrip ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la Sv(oud) thans 138g Sv. De emailberichten op de servers van PGPSafe komt hiermee dezelfde bescherming toe als het ‘briefgeheim’. Deze bevoegdheid kon worden ontleend aan 125la Sv, mits aan de daarin genoemde voorwaarden werd voldaan, te weten

(1)er mag slechts kennis worden genomen van berichten die niet van of voor de dienst bestemd zijn voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd en
(2)er dient een voorafgaande schriftelijke machtiging te worden verleend door de rechter-commissaris. Voor wat betreft de eerst genoemde voorwaarde is de rechtbank, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat daaraan door de officier van justitie is voldaan. De verdenking van onder andere witwassen en deelname aan een criminele organisatie binnen onderzoek 26Sassenheim bood een heel ruime grondslag, in het kader waarvan ook de berichtgeving en de eventueel daaruit voortvloeiende hoedanigheid van de gebruikers van de PGPSafetelefoons relevantie had. De – al dan niet directe – link met het strafbare feit is daarmee gegeven. Voor wat betreft de tweede genoemde voorwaarde is evident dat daaraan niet is voldaan. De officier van justitie heeft bij het opstellen/indienen van het rechtshulpverzoek op grond van de (letterlijke) tekst van de wet in de veronderstelling verkeerd dat hij een eigen bevoegdheid had en heeft dientengevolge geen voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris gevraagd. Gevolgen vormverzuim Het ontbreken van de voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in deze zaak voorgedaan maar wel zal moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in dezen. Bij het verrichten van die beoordeling, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Het belang van het geschonden voorschrift is groot. Het betreft het ontbreken van een voorafgaande rechterlijk toets, die is ingegeven door de ernst van de inbreuk die wordt gemaakt door toepassing van het dwangmiddel. Door het ontbreken van de rechterlijk toets, heeft geen voorafgaande rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit in Nederland (voorafgaand aan het indienen van het rechtshulpverzoek) plaatsgevonden. Echter, in casu is die beoordeling wel gemaakt door de rechter in Costa Rica zoals blijkt uit het bevel van 8 mei 2017, waarbij de rechter zowel aan nationaal (grond)wettelijke bepalingen als aan internationaal recht (IVBPR en de Universele verklaring) heeft getoetst. Dit relativeert de ernst van het ontbreken van de voorafgaande rechterlijke toets in Nederland. Voor wat betreft de ernst van het verzuim is van belang dat niet gebleken is van een bewust onjuist handelen van de officier van justitie. Eerst in september 2021 is door de rechtbank uiteen gezet dat en waarom het begrip ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of (…) openbare telecommunicatiedienst’ in artikel 125la Sv uitgelegd moet worden aan de hand van het begrip ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la Sv(oud) thans 138g Sv. De rechtbank is bovendien van oordeel dat, zo de officier van justitie om een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris zou hebben gevraagd, hij deze naar alle waarschijnlijkheid gekregen zou hebben, gezien de ernst van de verdenking en hetgeen uit tal van strafrechtelijke onderzoeken reeds bekend was over PGPSafe, namelijk dat deze aanbieder (wellicht niet alleen maar wel) bij uitstek werd gebruikt om communicatie over ernstige strafbare feiten geheim te kunnen houden, zoals ook uitvoerig uiteen is gezet in het rechtshulpverzoek. De rechtbank is het dan ook niet eens met de verdediging waar deze stelt dat ‘geen redelijk denkend rechter-commissaris een dergelijke machtiging zou hebben afgegeven’. Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, mag volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan als nadeel dan in algemene zin worden genoemd: een inbreuk op de privacy (al stellen de verdachten geen van allen dat zij inderdaad degenen zijn die aan de in beslag genomen communicatie hebben deelgenomen). Ook dit nadeel dient te worden gerelativeerd. Voor zover de rechtbank daar zicht op heeft gekregen, heeft deze communicatie voor het overgrote deel betrekking op strafbaar handelen. Gesprekken die de persoonlijke levens van de gespreksdeelnemers betreffen, zijn in dit dossier zeldzaam en zeer beperkt. Zeker kan niet worden gesteld dat met het kennisnemen van deze communicatie een min of meer compleet beeld van iemands persoonlijke leven wordt verkregen. De inbreuk kan daardoor als relatief gering worden bestempeld. De rechtbank ziet het voorgaande beschouwend geen aanleiding voor de conclusie dat niet met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, evenmin grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of beginsel waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om vergelijkbare verzuimen in de toekomst te voorkomen. Hiervoor is reeds overwogen en toegelicht dat en waarom de rechtbank het verzuim niet ziet als een bewust onjuist handelen van de officier van justitie. Dat het OM moet worden aangemerkt als een (in de woorden van de verdediging) onverbeterlijke recidivist volgt de rechtbank niet. Dit laat onverlet dat ook de rechtbank ziet dat opsporing, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde bulkvergaring zoals dat is gebeurd bij PGPSafe (en naar bekend ook bij andere diensten) een vorm van opsporing betreft, die mogelijk niet is voorzien en waarmee dus de randen van de strafvorderlijke bevoegdheden worden opgezocht. Dat het OM hierbij inzake PGPSafe (want alleen daar ziet deze overweging
  1. op)de randen bewust is overgegaan, ziet de rechtbank niet. De verstrekking van de data aan Sartell De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of de PGPSafedata die in onderzoek 26Sassenheim waren verkregen, aan onderzoek Sartell mochten worden verstrekt. Feitelijke gang van zaken In een tweetal andere onderzoeken dan Sartell – te weten onderzoek Dobricic en onderzoek Rockaway – is informatie verkregen dat de in dat onderzoek relevante personen gebruik maakten van PGPSafe. De emailadressen die bij die personen hoorden zijn ten behoeve van de onderzoeken Dobricic en Rockaway verstrekt aan het onderzoeksteam 26Sassenheim en deze zijn door hen bevraagd in de dataset van 26Sassenheim. Deze bevraging heeft geleid tot kennisname van berichten die betrekking leken te hebben op de invoer van een partij cocaïne in Rotterdam tussen 27 en 30 mei 2016. Dit kwam sterk overeen met de partij die in onderzoek Romp in beslag was genomen. De resultaten zijn door het onderzoeksteam 26Sassenheim met toestemming van de officier van justitie verstrekt aan respectievelijk onderzoek Dobricic en Rockaway. In de loop van 2019 is de verkregen informatie ter beschikking gesteld aan onderzoek Sartell. Vanuit onderzoek Sartell is aan het onderzoeksteam 26Sassenheim gevraagd om de uit de hiervoor genoemde onderzoeken naar voren gekomen PGPsafe-emailadressen in de dataset te bevragen. De resultaten van het onderzoek zijn met toestemming van de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv gedeeld met onderzoek Sartell. Rechtmatigheid verstrekking De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat artikel 126dd Sv onvoldoende basis biedt voor de verstrekking van de data aan Sartell, zowel vanuit Dobricic en Rockaway als vanuit 26Sassenheim. De verdediging heeft grote bezwaren geuit tegen de vergaring van en het kunnen putten uit de grote dataset zoals die in 26Sassenheim is veiliggesteld. De rechtbank acht in dat kader relevant dat uit de gang van zaken zoals die uit de diverse processen-verbaal duidelijk naar voren komt, dat niet blijkt dat de verschillende zaaksofficieren zelf de mogelijkheid hadden om vrijelijk te zoeken in de dataset van 26Sassenheim. De zoekslagen in de dataset zijn steeds via het onderzoeksteam 26Sassenheim gedaan. Daarnaast komt duidelijk naar voren dat gezocht is in het kader van lopende strafrechtelijke onderzoeken waarin een ‘verdacht’ emailadres naar voren kwam. Er was sprake van een concrete verdenking van ernstige strafbare feiten – zoals invoer van grote partijen cocaïne – waarbij tijdens de bevraging van één adres een keten aan andere gesprekspartners naar voren kwam die concreet met elkaar leken te communiceren over de invoer van een grote partij cocaïne, waarvan de specificaties ook nog eens overeen leken te komen met een daadwerkelijk aangetroffen partij cocaïne. Van een fishing expedition of willekeurige zoekslagen op willekeurige emailadressen of een lijst met zoektermen is geen sprake geweest. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoeksteam in Sartell niet vrij stond om de bedoelde emailadressen te doen bevragen in de dataset van 26Sassenheim, noch dat hiermee een ongerechtvaardigde of disproportionele inbreuk zou worden gemaakt op de rechten van de gebruikers van deze emailadressen. Equality of arms De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat geen sprake is van equality of arms. Ten onrechte zou de verdediging niet de beschikking hebben gekregen over de gehele PGPSafedataset (zoals verkregen in onderzoek 26Sassenheim). Behalve de PGPSafeberichten die zich in het dossier bevinden (en dus zijn verstrekt aan rechtbank en verdediging), heeft de verdediging afzonderlijk nog de beschikking gekregen over de data van de PGPlijnen die aan de verdachte zelf worden toegeschreven. Daarnaast heeft de verdediging de mogelijkheid gekregen om de volledige Sartell dataset in te zien bij NFI met gebruikmaking van Hansken. De officier van justitie in de zaak Sartell heeft niet meer data ter beschikking gehad. De verdediging heeft gewezen op de onmogelijkheid om te controleren of er ontlastend materiaal in de 26Sassenheim dataset is te vinden en heeft gesteld dat zij daarom de beschikking had moeten krijgen over de volledige dataset, althans de gelegenheid had moeten krijgen die in te zien. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Hiervoor is reeds uiteengezet dat uit het dossier blijkt hoe de Sartell dataset tot stand is gekomen, namelijk door bevraging van een aantal concrete emailadressen. Emailadressen die naar voren zijn gekomen bij bevraging van verdachte adressen en het vervolgens stuiten op verdachte gesprekken over concrete strafbare feiten. In zijn algemeenheid valt niet in te zien waarom de verdediging inzage zou moeten hebben op alle PGPSafedata die in onderzoek 26Sassenheim is verkregen. De verdediging heeft daarbij geen enkel concreet punt genoemd waaruit de relevantie van die data voor de zaak Sartell of een specifieke verdachte zou blijken. De enkele stelling dat er mogelijk iets in te vinden is dat ontlastend zou kunnen zijn, is daarvoor onvoldoende. Van strijd met equality of arms is geen sprake, noch de rechtbank, noch de officier van justitie beschikken over de 26Sassenheim dataset. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding voor de conclusie dat de procedure op dit punt niet fair of in strijd met de regels van een behoorlijk proces is geweest. Van schending van het gestelde in artikel 6 van het EVRM is dan ook naar het oordeel van de rechtbank op deze gronden geen sprake. Schending artikel 8 EVRM De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat de PGPSafedatavergaring en – verwerking in strijd is met het recht op eerbiediging van het persoonlijke leven zoals gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank wijst op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, te weten dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de toetsing van de beslissing van de Costa Ricaanse rechter tot inzet van het dwangmiddel. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Costa Ricaanse rechter het recht op eerbiediging van persoonlijke leven uitdrukkelijk heeft betrokken in de belangenafweging. Getoetst is aan artikel 17 van het IVBPR. Daar waar is betoogd dat deze toets minder waarborgen inhoudt dan die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM deelt de rechtbank dit niet. De waarborg van artikel 8 van het EVRM is wel meer duidelijk geformuleerd doordat de beperkingsgronden in artikel 8 van het EVRM meer specifiek zijn aangegeven, terwijl ingevolge artikel 17 van het IVBPR elke beperking mag worden opgelegd mits deze niet van willekeur getuigt en niet onwettig is. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de verwerking van de PGPSafedata in onderzoek Sartell. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is dit gebeurd naar aanleiding van concrete verdenkingen. Ieder verkrijgen, verwerken en analyseren van berichten die niet voor anderen bestemd zijn, levert een inbreuk op de privacy op. Echter, een inbreuk gebaseerd op een wettelijke grondslag met een gerechtvaardigd opsporingsbelang, behoeft geen strijd met artikel 8 van het EVRM op te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gezien de Costa Ricaanse machtiging en de concrete bevraging naar aanleiding van strafrechtelijke onderzoeken sprake geweest. Daar komt nog bij dat de inbreuk, zoals hiervoor ook reeds is betoogd, beperkt is gebleven tot kennisname van communicatie die vrijwel uitsluitend betrekking heeft op strafbare handelingen zonder dat daarbij een compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte(
  2. n)is gekregen. Ook vanuit de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit bezien, levert de verwerking van de data in onderzoek Sartell naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM op. Unierecht en ander internationaal recht De verdediging heeft eveneens uitvoerig betoogd dat sprake is van strijd met het Unierecht. Daartoe is op de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest gewezen die zakelijk weergegeven zien op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bescherming van persoonsgegevens en vrijheid van meningsuiting. Daarnaast is een beroep gedaan op artikelen 4 en 8 van Richtlijn 2016/680 en 15 van Richtlijn 2002/58, die kort gezegd zien op de wijze van verwerking van persoonsgegevens. In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor reeds is opgemerkt. Immers ook in het Unierecht geldt dat rechten op bescherming van privacy en persoonsgegevens niet absoluut zijn. Vanuit dezelfde overweging als hiervoor gegeven bij de bespreking van artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat voor zover al inbreuk gemaakt is op de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van de data, deze gerechtvaardigd is geweest en niet in strijd met eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Voor wat betreft de verwijzing naar de hiervoor genoemde richtlijnen, merkt de rechtbank nog het volgende op. Richtlijn 2016/680 is geïmplementeerd in de Wet Politiegegevens en de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daaronder vallende besluiten. De verdediging heeft niet concreet gesteld dat in strijd met (één van) de bepalingen van deze wet- en regelgeving is gehandeld. Met betrekking tot Richtlijn 2002/58 geldt dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 1, derde lid, van deze Richtlijn niet van toepassing is op verwerking van de PGPSafedata door de politie. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, vallen buiten het bereik van deze richtlijn. De door de verdediging gestelde strijdigheid met het Unierecht ziet de rechtbank niet, evenmin ziet de rechtbank strijdigheid met de ook nog door de verdediging genoemde bepalingen van het IVBPR (artikel 17), United Nationas Convention against Transnational Organized Crime (artikel 18) en het Cybercrimeverdrag (artikel 25, vierde lid). Prejudiciële vragen De verdediging heeft geopperd dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt waar het de verenigbaarheid met het Unierecht betreft. De rechtbank realiseert zich, zoals in de inleiding gezegd, dat een oordeel over de rechtmatigheid van het gebruik van de PGPSafedata aan principiële vragen raakt, ook op het gebied van het Unierecht en dat de rechtspraak op dit punt veelal nog voorlopige oordelen betreft. Dat zijn overwegingen die de rechtbank meeneemt. Maar het belangrijkste is, dat de rechtbank zich na de inhoudelijke behandeling, bestudering van alle stukken, en nadere bestudering van de jurisprudentie, waaronder die van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voldoende voorgelicht acht en geen aanleiding ziet om die vragen in deze procedure te stellen. 5.2.3. Betrouwbaarheid PGPSafedata De verdediging heeft zich het standpunt gesteld dat de PGPsafedata, ook zonder dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. Er hebben zich namelijk onregelmatigheden voorgedaan die de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van die data wezenlijk hebben aangetast. Voorafgaand aan de bespreking van de verweren van de verdediging merkt de rechtbank het volgende op ten aanzien van de aard en het karakter van het digitale bewijsmateriaal, waarvan hier sprake is. De verdediging heeft met recht op de kwetsbaarheden bij het veiligstellen van digitaal bewijs gewezen. Onder ideale omstandigheden bestaat de mogelijk dit zo te doen dat de kans op corruptie van dat bewijs maximaal wordt uitgesloten. De rechtbank ziet zich – nu de doorzoeking in Costa Rica voortijdig werd beëindigd in die zin dat op dat moment nog niet alle data van de servers waren gekopieerd – voor de vraag gesteld in hoeverre het voorliggende bewijs een getrouw beeld geeft van de (inhoud van
  3. de)emailwisselingen die met de betreffende PGPSafe-adressen, die toegeschreven worden aan de verdachten, is gevoerd. Hierbij speelt de aard van die data een relevante en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan wezenlijke rol. Het gaat hier namelijk om versleuteld emailverkeer dat tussen de gebruikers van PGPSafe heeft plaatsgevonden, om encryptiesleutels en de aan dat berichtenverkeer verbonden metadata. Zoals ook al in het NFI rapport van september 2020, ‘mobiele telefoons met EncroChat’, ten aanzien van cryptografisch versleutelde berichten bij PGPtelefoons is vermeld, brengt bij het ontsleutelen van die berichten en notities een minimale verandering in de versleutelde data al mee dat een enorme verandering in het ontsleutelde resultaat optreedt. Het bericht wordt dan namelijk volstrekt onleesbaar (het zogenoemde lawine-effect). Dit brengt ook mee dat, wanneer uiteindelijk na het ontsleutelen van die data wél leesbare berichten zijn verkregen, de mogelijkheid dat daarin sprake is geweest van onvolkomenheden bij het kopiëren vanaf de bron (zijnde de oorspronkelijke server in Costa Rica) naar de uiteindelijke ontvanger (het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie) vrijwel uitgesloten moet worden geacht. Deze eigenschap van versleutelde data relativeert dan ook de invloed van mogelijke onvolkomenheden bij het veiligstellen van de berichten, mochten die zijn veiliggesteld zonder dat ten volle is voldaan aan de hedendaagse standaarden ten aanzien van het veiligstellen van digitale data. De vergelijking die de verdediging daarbij heeft gemaakt met de strikte waarborgen die gelden bij een onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gaat daarbij mank. Immers, wanneer in dat geval sprake is van foutieve verwerking van de digitale data kan dit een resultaat opleveren, waarvan de onjuistheid niet is af te lezen. Bij het verwerken van de versleutelde PGPSafeberichten ligt dit dus wezenlijk anders. Nog afgezien van het feit dat de Standard Operating Procedures, de Guidelines en de good practises waarop de verdediging zich beroept ten tijde van het veiligstellen van de data in Costa Rica nog niet waren opgesteld en de verkrijging toen nog niet langs die lat gelegd had kunnen worden, brengt het niet integraal volgen van die richtlijnen niet zonder meer mee dat de PGPsafeberichten daarom zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs. De verdediging heeft evenwel ook nog op andere gronden uitsluiting van de PGPSafeberichten als bewijs bepleit. De rechtbank zal hierop nader ingaan. a. De authenticiteit van de data Het is juist dat in Costa Rica bij het kopiëren van de data de data op de server niet zijn gehasht. Die hashwaarde kan dus niet worden vergeleken met de hashwaarde van de data op de door de Costa Ricaanse autoriteiten aan de Nederlandse politie geleverde harde schijven. Dit valt het OM echter niet te verwijten aangezien dit toen geen Nederlandse aangelegenheid is geweest. Hieraan behoeft echter evenmin een gevolg voor de betrouwbaarheid van die data verbonden te worden, nu van enige manipulatie van die data voordat deze bij de Nederlandse politie is aanbeland niet is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat met het verbreken van de verbinding tussen de servers en het internet, het verzegelen van de servers op het moment dat de Costa Ricaanse autoriteiten niet aanwezig waren en het verpakken en verzegelen van het gekopieerde materiaal, dat naar Nederland is gestuurd de kans dat die data toen zouden zijn gemanipuleerd uitermate klein kan worden geacht. Het dossier biedt hiervoor ook overigens geen begin van aannemelijkheid. Na ontvangst van de harde schijven uit Costa Rica zijn de data volgens de regelen der kunst gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Ook hierin ligt geen reden te veronderstellen dat de data niet op forensisch verantwoorde wijze zijn veiliggesteld en ligt hierin geen grond om de data voor het bewijs uit te moeten sluiten. De selectie van de data op de servers in Costa Rica Het is juist dat niet alle data op de door PGPSafe gehuurde servers in Costa Rica veiliggesteld konden worden. Vooropgesteld moet worden dat de duur van de doorzoeking niet het gevolg geweest is van een keuze van de Nederlandse opsporingsambtenaren, die daar slechts ter assistentie aanwezig waren, maar van de Costa Ricaanse rechter. Deze heeft immers op enig moment de doorzoeking beëindigd, voordat alle virtuele machines waren gekopieerd. Dit heeft verder buiten de macht van het Nederlandse onderzoeksteam gelegen. Het feit dat de politie ervoor heeft gekozen om de door PGPSafe in 2012 gehuurde server als eerste te kopiëren is naar het oordeel van de rechtbank een begrijpelijke en gerechtvaardigde keuze geweest omdat de kans dat de voor het onderzoek naar PGPSafe relevante emailberichten zich op die server zouden vinden aanzienlijk groter was dan dat deze op de andere server zouden staan. Die laatste server was immers pas in 2016 gehuurd en in gebruik genomen. Het bewust of onbewust niet meenemen van ontlastend materiaal bij de doorzoeking is daarmee niet aannemelijk geworden. Evenmin geven de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden in Costa Rica blijk van een doelbewuste selectie waarbij enkel belastende berichten zouden zijn gekopieerd. Het feit dat men niet al het materiaal heeft kunnen veiligstellen komt ook bij reguliere doorzoekingen of andere opsporingsactiviteiten met regelmaat voor. Met het verstrekken van de ‘binder’ Algemene achtergrondinformatie inzake Ennetcom data, PGPSafedata en de Hansken zoekmachine (hierna: de binder Ennetcom & PGPSafe) heeft de officier van justitie hierover ook steeds openheid van zaken betracht, zodat ook hierin geen reden ligt voor het uitsluiten van PGPSafe berichten voor het bewijs. De selectie van de data in het onderzoek 26Sassenheim De PGPSafedata zijn verstrekt op basis van de opgave van een lijst met PGP-adressen waarvan werd vermoed dat de gebruikers daarvan betrokken waren bij de invoer van partijen cocaïne zoals beschreven in de zaaksdossiers [naam 39] en Scan. Alleen ten aanzien van die emailadressen bestond immers het vermoeden dat die voor de verweten feiten relevante informatie zouden kunnen bevatten. Hieruit kan niet worden afgeleid dat met die selectie aan de verdediging relevant ontlastend materiaal is onthouden. Het verweer dat met die selectie de betrouwbaarheid van het bewijs is geraakt volgt de rechtbank niet. De kwaliteit van de PGPSafedata De verdediging heeft aangevoerd dat van diverse emailwisselingen het individuele bericht zou ontbreken. De rechtbank begrijpt dat de verdediging hiermee doelt op het bericht wanneer dat voor de eerste keer is verzonden (en dan later nog zichtbaar kan zijn in de ketting van berichten die daarna zijn gevolgd). Uit de binder Ennetcom & PGPsafe blijkt genoegzaam dat een dergelijk bericht in de database inderdaad kan ontbreken wanneer dat bericht bijvoorbeeld niet meer op de server in Costa Rica aanwezig is geweest, de verzender dat wellicht al verwijderd had of van het bericht geen encryptiesleutel is aangetroffen waarmee het oorspronkelijke bericht leesbaar kan worden gemaakt. Het enkele feit dat een bericht ontbreekt, terwijl het als voorgaand omschreven in een ander bericht nog wel bestaat, doet aan het bestaan en de betrouwbaarheid van de inhoud van dat bericht op zich niet af. Het is inderdaad altijd mogelijk dat een bericht bij het doorsturen naar een ander door diegene wordt gewijzigd. Dat zich dat bij het PGPSafe bewijs ook daadwerkelijk heeft voorgedaan heeft de verdediging echter niet gesteld en heeft de rechtbank niet gezien. Deze theoretische mogelijkheid beïnvloedt de betrouwbaarheid van het bewijs in deze zaak dan ook niet. Datzelfde geldt ook ten aanzien van het feit dat veel berichten (vooralsnog) niet ontsleuteld hebben kunnen worden. Voor het ontsleutelen daarvan zijn passende encryptiesleutels nodig. Ontbreken die, dan komt er geen leesbaar bericht tot stand. Aan de waarde van de berichten die wel leesbaar zijn doet dat verder niet af. Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de inhoud van veel berichten onbekend gebleven kan dat zeker waar zijn. De rechtbank constateert echter ook dat de verdediging geen informatie heeft verstrekt welke concrete (ontlastende) berichten in de visie van de verdachte zouden ontbreken, waardoor een ander licht op het bestaande bewijs geworpen wordt. De rechtbank zal dan ook de berichten, die zich wel in het dossier bevinden, zoals te doen gebruikelijk in de gegeven context op logica en betrouwbaarheid beoordelen. De verdediging heeft voorts gesteld dat de onbetrouwbaarheid van de PGPSafeberichten onder meer blijkt uit de verschillen die zich soms voordoen bij de vermelding van de tijdstippen van verzending en ontvangst die aan die berichten zijn gekoppeld in de lijn van de verzender en die van de ontvanger. Het feit dat die verschillen zich kunnen voordoen is al in een eerder stadium door de deskundigen in de binder Ennetcom & PGPSafe onderkend. Echter, daaruit volgt nog niet dat de inhoud van het bericht daarmee onjuist is. Deze verschillen in tijdstempels kunnen zich bij voorbeeld al voordoen wanneer men zich op dat moment in verschillende tijdzones bevindt, verschillende bestuurssystemen worden gehanteerd, waardoor een doorgestuurd bericht anders wordt getypeerd en/of met een ander tijdstempel (gemodificeerd, benaderd, gecreëerd) wordt opgeslagen op de server of het toestel of de tijdsinstellingen van het toestel zelf anders zijn ingesteld. Hoewel dit meebrengt dat het tijdstip van verzenden respectievelijk ontvangen van een bericht altijd een kritische blik vereist, kan hieruit niet zonder meer en niet zonder nadere specifieke toelichting de onbetrouwbaarheid van (de inhoud van) die berichten afgeleid worden. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat niet alle berichten foutloos zijn vertaald, constateert de rechtbank dat de vertalingen hebben plaatsgevonden met behulp van een beëdigde tolk. De rechtbank gaat dan ook in beginsel uit van de juistheid van die vertaling. Zo al sprake zou zijn van een foutieve vertaling in een belastend bericht mag van de verdediging ook verwacht worden dat dit bij de inhoudelijk behandeling daarvan geconcretiseerd wordt, anders dan dat een kantoorgenoot, die de desbetreffende vreemde taal eigen is, dit bemerkt heeft, zodat die vertaling alsnog gecontroleerd kan worden. Nu die situatie zich verder niet heeft voorgedaan, laat staan dat gesproken kan worden van een zodanige frequentie dat aan de kwaliteit van de vertaling getwijfeld moet worden, kan ook dit verweer niet slagen. Controle van de databases Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om de betrouwbaarheid van de PGPSafeberichten te controleren, met name omdat zij geen inzage hebben gehad in de volledige dataset van 26Sassenheim. De rechtbank heeft zich hierover al in haar voorgaande overwegingen uitgelaten. Nog daargelaten dat de equality of arms hiermee niet in het geding zou komen, omdat het OM noch de rechtbank over die data beschikken, zou met het onbeperkt inzien van die dataset een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt worden op de privacy van personen, die verder geen relatie hebben met het onderzoek Sartell. Ook de PGPSafedataset van het onderzoek Sartell stelt de verdediging onvoldoende te hebben kunnen controleren. De rechtbank volgt de verdediging ook daarin niet. Hierbij neemt de rechtbank mee dat de gesprekken in het dossier staan uitgeschreven, de eigen lijnen en die van de medeverdachten digitaal aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld en gelegenheid geboden is om met behulp van de Hansken software van het NFI die dataset te bevragen. Slechts twee raadslieden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben hun vragen ten aanzien van die data ook onmiddellijk kunnen voorleggen en beantwoord gezien. Het feit dat na de eerste inzage bleek dat niet alle bij de politie beschikbare encryptiesleutels waren ingeladen, vindt de rechtbank een omstandigheid die te betreuren valt, maar deze omissie is nadien onmiddellijk hersteld en heeft de brondata zelf verder niet betroffen. Hierna is een nieuw inzage moment aangeboden. Over het ontbreken van een deel van die encryptiesleutels hebben de politie en het NFI (in de persoon van dr. ir. [naam persoon 1] , die tevens als getuige ter zitting op verzoek van de verdediging is gehoord) nog nader uitleg gegeven. De rechtbank acht met die nadere uitleg het (in eerste instantie) bij de inzage ontbreken van een deel van die sleutels voldoende verklaard en ziet ook in het uiteindelijke verschil van vier unieke sleutelbestanden op een totaal van 872 geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de PGPSafedataset en de daarin opgenomen berichten te twijfelen of te oordelen dat de controlemogelijkheden voor de verdediging onvoldoende zijn geweest. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging en acht, alles samengenomen, geen gronden aanwezig om de PGPSafeberichten van het bewijs uit te sluiten. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zodanige onvolkomenheden in de vergaring, verwerking en controleerbaarheid van het bewijs dat hiermee niet langer sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. 5.2.4. Conclusie ten aanzien van alle PGSafe verweren De PGPSafedata kunnen gebruikt worden voor het bewijs en de rechtbank zal dat ook doen. 6.EncroChat In de zaaksdossiers Lamp en Barca is sprake van berichtenverkeer dat is gevoerd via de berichtendienst EncroChat. Ook in een aantal andere zaaksdossiers is in de bewijsvoering gebruik gemaakt van EncroChatdata. 6.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de verkrijging en verwerking van de EncroChatdata onrechtmatig is geweest wegens strijd met nationaal en internationaal recht. Bovendien zijn de verkregen data onvolledig en onbetrouwbaar. Primair moet dit leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, subsidiair moeten de EncroChatdata worden uitgesloten van het bewijs, althans dient strafvermindering plaats te vinden. De rechtbank staat eerst stil bij de vraag hoe de EncroChatdata feitelijk in het onderzoek Sartell zijn verkregen en daarna bij de vraag hoe dit juridisch geduid moet worden. 6.2. De feitelijke gang van zaken EncroChat was een aanbieder van telefoons, waarmee door middel van de EncroChat-applicatie versleutelde chats konden worden verzonden en ontvangen. Er kon ook onderling gebeld worden en het was mogelijk om notities te bewaren op de EncroChattelefoontoestellen. De gebruiker had niet de mogelijkheid om zelf applicaties te installeren op het toestel en dus was het gebruik van zo’n toestel beperkt tot de applicaties die er door de leverancier op waren gezet. Gebruikers kochten een EncroChattelefoontoestel (hierna: het toestel) in combinatie met een abonnement om de service te kunnen gebruiken. Er zijn verschillende typen toestellen leverbaar geweest. De duur van het abonnement was vaak 1, 3 of 6 maanden en kon verlengd worden. De kosten voor het toestel bedroegen ongeveer € 1.000,-- en het bijbehorende abonnement beliep ongeveer € 1.500,-- voor zes maanden. Het toestel werd geleverd met een simkaart met wereldwijde dekking waarmee alleen dataverkeer verzonden en ontvangen kon worden. Het toestel was beveiligd met twee wachtwoorden. Door middel van de EncroChat-applicatie konden de EncroChatgebruikers alleen onderling en één-op-één communicatie voeren. Er konden dus geen groepsgesprekken, zoals bijvoorbeeld bij Whatsapp, worden gevoerd. Deze communicatie kon pas tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’ stuurde naar een andere gebruiker met het verzoek om toegevoegd te worden aan diens contactenlijst. Gebruikers konden vervolgens elkaars username opslaan in hun contactenlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). Er kon dus slechts gecommuniceerd worden met contacten in de contactenlijst en niet met overige EncroChatgebruiker zelfs al was daarvan wel een EncroChatgebruikersnaam bekend. Een chat kon bestaan uit tekstberichten en foto’s. Ieder bericht verliep in principe na een vooraf ingestelde tijd, ook wel de ‘burn time’ genoemd. Deze tijd was weliswaar door de gebruiker aan te passen, maar stond standaard ingesteld op zeven dagen. Vanuit chat kon ook een ‘VoIP’ spraakgesprek gevoerd worden. Tot slot kon de inhoud van een toestel door de gebruiker met een simpele handeling in een keer volledig worden gewist. Dit werd ook wel de ‘panic-wipe’ genoemd. Het verloop van het onderzoek naar EncroChat en het JIT De rechtbank leidt uit de stukken van het dossier, waaronder ook stukken overgelegd door de verdediging uit Engelse strafzaken, alsmede de mededelingen van de officier van justitie, het volgende verloop af van het onderzoek naar het bedrijf EncroChat en de justitiële samenwerking in het Joint Investigation Team (JIT) dat ten behoeve van het onderzoek naar EncroChat door Frankrijk en Nederland is opgericht. Onderzoek in Nederland EncroChat is al vanaf 2017 in Nederland onderwerp van onderzoek. Op 25 september 2017 is het onderzoek 26Bismarck opgestart naar het ‘georganiseerde verband EncroChat’. De toestellen van EncroChat werden namelijk in diverse strafrechtelijke onderzoeken aangetroffen en in beslag genomen bij personen die van ernstige strafbare feiten werden verdacht. De indruk is toen bij de politie ontstaan dat deze telefoons vrijwel uitsluitend in het (georganiseerde) criminele circuit werden gebruikt. De gebruikers van de EncroChattelefoons bleven (doorgaans) onbekend. De onmogelijkheid om de telefoons te herleiden tot de persoon die de telefoon gebruikte in combinatie met de specifieke faciliteiten op die telefoons maakten volgens de politie deze dienst populair binnen bepaalde typen van criminaliteit. De ‘burn time’ van de berichten en de ‘panic-wipe’ brachten ook mee dat op het moment dat een dergelijk toestel in beslag was genomen én forensisch kon worden ontsleuteld daaruit toch maar zeer beperkt berichtenverkeer kon worden uitgelezen. Op 10 februari 2020 is (als vervolg op 26Bismarck) het onderzoek onder de naam 26Lemont gestart gericht op het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde natuurlijke personen. Onderzoek in Frankrijk In Frankrijk hebben de Franse autoriteiten in 2018 om vergelijkbare redenen ook een strafrechtelijk onderzoek opgestart naar het ‘georganiseerd verband EncroChat’ en de nodige opsporingshandelingen verricht. Zij hebben in dat onderzoek onder meer in januari en oktober 2019 (en nadien nog in februari 2020 en juni 2020) images (kopieën) gemaakt van de EncroChat infrastructuur (‘de serverdata’), die zich bevond op de server van hostingprovider [naam hostingprovider] in het Franse Roubaix . Over deze de server liep namelijk het versleutelde berichtenverkeer van EncroChat en haar gebruikers. De Franse rechter heeft in dat onderzoek ook op 30 januari 2020, op basis van een aanvraag van het Franse OM van een dag eerder, toestemming verleend om de bewuste server in Roubaix te infiltreren en een interceptietool te installeren om ‘live’ informatie te kunnen verkrijgen met betrekking tot uitgewisselde chats tussen de EncroChatgebruikers. Op grond van het dossier en de mededelingen van het OM concludeert de rechtbank dat Nederland de Franse autoriteiten toen niet (en ook later niet) heeft verzocht zo’n machtiging af te geven. Evenmin zijn feiten of omstandigheden uit lopende Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken aangedragen om de aanvraag van die machtiging bij de Franse rechter nader te kunnen onderbouwen. Tot slot is ook de interceptietool zelf niet door Nederland ontwikkeld.Voor zover de verdediging het tegendeel heeft gesuggereerd, heeft zij geen feiten of omstandigheden aangedragen die deze suggestie kunnen rechtvaardigen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de Franse autoriteiten de aanvraag voor deze machtiging op basis van eigen feiten en omstandigheden hebben onderbouwd en aan de Franse rechter hebben voorgelegd. Gezamenlijk onderzoek in Nederland en Frankrijk (JIT) In de eerste maanden van 2020 is overleg gevoerd door politie en justitie uit verschillende landen (onder meer Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk) met als doel te komen tot een gecoördineerde aanpak bij het onderzoek naar het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen. Dit gezamenlijke overleg heeft geleid tot de oprichting in april 2020 door Nederland en Frankrijk van een Joint Investigation Team (JIT) om de verdenkingen tegen EncroChat verder te onderzoeken. Die verdenkingen waren dat het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen zich schuldig maakten aan witwassen, deelnamen aan een criminele organisatie en medeplichtig waren aan strafbare feiten die door de gebruikers van EncroChat werden gepleegd. Het onderzoek 26Lemont is onderdeel van het JIT. In het JIT is door beide JIT-partners informatie verzameld. Zo zijn de eerdergenoemde serverdata, waarover Frankrijk al de beschikking had, in het JIT gevoegd en door Nederland met rechtshulpverzoeken opgevraagd. In (de aanloop naar de formele formatie van) het JIT is besproken dat het Franse onderzoeksteam – gezien de locatie van de servers – met de door hen ontwikkelde interceptietool EncroChat zou hacken en afgesproken dat de data die door de inzet van die interceptietool door de Franse autoriteiten in hun onderzoek zouden worden verkregen (hierna de ‘telefoondata’) in het JIT gedeeld zouden worden. Op 10 april 2020 is de JIT-overeenkomst door de justitiële autoriteiten van Nederland ondertekend, dit was later dan voorzien vanwege COVID-19. Voorafgaand aan de feitelijke inzet van die interceptietool heeft het Nederlandse OM in het onderzoek 26Lemont op 13 maart 2020 bij de rechter-commissaris te Rotterdam een vordering ingediend om een machtiging op grond van artikel 126uba en 126t Sv te verkrijgen, waarmee het OM een bevel op basis van die artikelen kon uitvaardigen. Het OM heeft de rechter-commissaris daarbij een lijst verstrekt van opsporingsonderzoeken, waarin criminele samenwerkingsverbanden (hierna: CSV’
  4. s)werden onderzocht die gebruik maakten van toestellen van EncroChat. Om toetsing aan het bepaalde in artikel 126uba, eerste lid, Sv mogelijk te maken was daarbij de inhoud van die onderzoeken nader omschreven, evenals de strafbare feiten waarop de desbetreffende CSV’s zich richtten. De rechter-commissaris heeft op 27 maart 2020 – onder voorwaarden – de gevorderde machtiging verleend voor een periode van maximaal vier weken (‘de 126uba-machtiging’), welke periode op 30 maart 2020 inging. Op grond van deze machtiging heeft de officier van justitie op 1 april 2020 een bevel 126uba Sv afgegeven. De machtiging is evenals het bevel twee maal verlengd. De uitvoering van de hack op 1 april 2020 De Franse Gendarmerie heeft op 1 april 2020 vanuit Pontoise (Frankrijk) rond 17:15 uur door een infiltratie op de server te Roubaix (Frankrijk) de interceptietool door middel van een update op de EncroChattoestellen geïnstalleerd. Hiermee kon de communicatie van en naar die toestellen worden vastgelegd en naar de Franse autoriteiten worden verzonden. Het Franse onderzoeksteam heeft op deze wijze de EncroChattelefoondata ‘live’ verzameld in de periode van 1 april 2020 te 17:15 uur tot 26 juni 2020 omstreeks 17:00 uur. Deze telefoondata betreffen een kopie van de database die op dat moment op het toestel aanwezig was (waaronder dus ook soms historische data) en data die op dat moment van en naar de telefoon verzonden werden. Het Franse politieteam heeft de opgevangen data gedurende deze periode opgeslagen in computersystemen in Frankrijk en die data vervolgens in het JIT in het gezamenlijke onderzoeksdossier gevoegd. Op 13 juni 2020 heeft het bedrijf EncroChat haar gebruikers gewaarschuwd dat de overheid was binnengedrongen in het systeem en eindigde het berichtenverkeer. Op 26 juni 2020 heeft de Franse politie de onderscheppingsserver uitgeschakeld. In deze periode zijn door de Franse autoriteiten van circa 39.000 telefoons gegevens ontvangen, waarvan circa 9.000 zich in die periode in Nederland bevonden. Het delen van de door de interceptietool afgevangen data De door de Franse politie met de interceptietool afgevangen data zijn in het JIT steeds zo snel mogelijk via een versleutelde verbinding gedeeld tussen de JIT partners. Met ingang van 1 april 2020 zijn zo EncroChatberichten en andere data van de NN-gebruikers van EncroChat voor opsporingsdoeleinden ter beschikking gekomen van het onderzoeksteam van 26Lemont. De informatie die is vergaard van de telefoons van de klanten van EncroChat is door het Franse onderzoeksteam op Franse computersystemen geplaatst. Het Franse team heeft het Nederlandse onderzoeksteam toegang tot de EncroChattelefoondata gegeven via een beveiligde verbinding met die computersystemen in Frankrijk. De data zijn via die beveiligde verbinding gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie onder verificatie van de integriteit van de door hen gemaakte kopie door vergelijking van de betrokken hashwaardes. Op 27 juli 2020 heeft de Nederlandse politie van het Franse onderzoeksteam twee harde schijven ontvangen met daarop een kopie van de tussen 1 april 2020 tot 26 juni 2020 verzamelde EncroChattelefoondata. Ook hiervan zijn de hashwaardes van de data vergeleken met de hashes van de al eerder gedurende de ‘live-fase’ door de politie gekopieerde data en deze zijn kloppend bevonden tot 24 juni 2020 te 13:07 uur. Het onderzoeksteam 26Lemont heeft hierna de verkregen data geanalyseerd. Na de analyse zijn de datasets, waarin EncroChatberichten afkomstig van de toestellen die zijn toegeschreven aan de verdachten in Sartell aan het onderzoek Sartell overgedragen. De officier van justitie van het onderzoek 26Lemont heeft bepaald dat de gegevens die tijdens het onderzoek 26Lemont zijn vergaard, gebruikt kunnen worden voor het strafrechtelijk onderzoek Sartell. 6.3. Beoordeling 6.3.1. Het verweer op hoofdlijnen De wijze waarop de EncroChatdata zijn verzameld en verstrekt is geschied in strijd met het legaliteitsbeginsel, het recht op privacy verwoord in artikel 8 van het EVRM en het Unierecht (de artikelen 7 en 8 van het Handvest (en artikel 11)). Verder is hiermee ook artikel 6 van het EVRM (het recht op een eerlijk proces) geschonden. Daar komt bij dat het OM de rechtbank en de verdediging bewust onjuist heeft voorgelicht. De interceptie van de EncroChatdata heeft immers niet op de server, maar op de individuele EncroChattoestellen plaatsgevonden en het onderzoek 26Lemont was wel degelijk gericht op de NN-gebruikers van die toestellen en niet op het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen zoals het OM steeds heeft gesteld. Het OM is bovendien allesbehalve toeschietelijk geweest in het verstrekken van informatie over de EncroChathack en moest de informatie veelal langs andere weg ingebracht worden. Dit alles brengt mee dat op de voet van artikel 359a Sv de officier van justitie niet meer in de vervolging kan worden ontvangen, althans dat de EncroChatdata onrechtmatig zijn verkregen en dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, dan wel dat dit tot strafvermindering moet leiden. De verdediging heeft aangevoerd dat de wijze waarop de EncroChatdata in Frankrijk met behulp van de interceptietool zijn vergaard onrechtmatig is geweest. Het betreft bulkvergaring van data en de machtiging door de Franse rechter had daarvoor nooit mogen worden afgegeven. De hack is bovendien door middel van de interceptietool geplaatst op de individuele telefoontoestellen van de gebruikers. Als die toestellen zich op dat moment in Nederland bevonden werd daarmee een inbreuk gemaakt op de soevereiniteit van Nederland. De verdediging heeft betoogd dat met de EncroChathack artikel 8 van het EVRM is geschonden. Er heeft in Nederland bovendien geen wettelijke grondslag bestaan voor het verkrijgen van de toegang tot deze EncroChatdata. De bevoegdheid van artikel 126uba Sv is hiervoor ten onrechte toegepast. Vanuit deze veronderstellingen betoogt de verdediging dat ook artikel 6 van het EVRM is geschonden. De rechtbank zal de (hieronder nader uitgewerkte) verweren aan de hand van de geldende juridische kaders beoordelen. 6.3.2. Artikel 359a Sv De officier van justitie heeft betoogd dat nu de verkrijging van de EncroChatdata niet in Sartell maar in 26Lemont heeft plaatsgevonden, de rechtbank aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de datavergaring niet toekomt. Als daar al een vormverzuim zou zijn begaan, heeft dat immers niet in het voorbereidend onderzoek van Sartell plaats gehad. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit een toetsing niet in de weg staat. Zoals volgt uit de reeds genoemde arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890) kan toetsing aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit Als zich een onrechtmatigheid heeft voorgedaan bij de verkrijging van de data zou dat ook onrechtmatig jegens de verdachten zijn, nu het volgens de officier van justitie immers ook hun communicatie betreft. Voorts blijkt dat de verdenking voor een belangrijk deel, zo niet voor het overgrote deel, is gebaseerd op de EncroChatdata. Voordat deze beschikbaar kwamen bestond wel al de nodige verdenking tegen een aantal van de verdachten, onder meer neergelegd in de onderzoeken 26Tumwater (inclusief 26Raymore) en het onderzoek Sartell dat al op 29 oktober 2018 was gestart (waarin informatie uit de onderzoeken Dobricic en 26Rockaway was gevoegd). Dit heeft toen echter nog niet tot vervolging van de verdachten geleid. Nadien is ook nog informatie uit andere onderzoeken, waaronder Raamsdonksveer (waarin Delight en Gadolinium), Romp, TGO Berg, 26Branson en 26Douglasville toegevoegd en zijn deze onderzoeken op 16 juni 2020 gebundeld tot het onderzoek Sartell. Echter, pas na het verkrijgen van informatie uit de EncroChatdata is de officier van justitie tot dagvaarding van de verdachten in Sartell overgegaan en de rechtbank heeft ook kunnen vaststellen dat de EncroChatberichten een prominente rol spelen in de bewijsconstructie van de officier van justitie. De rechtbank is daarmee van oordeel dat eventuele vormverzuimen bij de verwerking van EncroChat-data binnen 26Lemont van bepalende invloed zouden kunnen zijn bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten binnen Sartell. Het voorgaande betekent niet dat de rechtbank het onderzoek 26Lemont als voorbereidend onderzoek naar deze verdachten in het onderzoek Sartell beschouwt, het betekent uitsluitend dat zij geen reden ziet te oordelen dat het bepaalde in artikel 359a Sv aan verdere toetsing van de datavergaring en/of analyse in de weg staat. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel De verweren over de vergaring van de EncroChatdata stuiten naar het oordeel van de rechtbank wel af op het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor zover zij de verkrijging van de EncroChatdata in Frankrijk betreffen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt volgens vaste rechtspraak namelijk met zich mee dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat (in dit geval Frankrijk) de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt is te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Anders dan de verdediging heeft betoogd, behoort het dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter de genoemde machtiging heeft kunnen verlenen. Zouden de onderzoekshandelingen in het buitenland echter zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dan dient de Nederlandse strafrechter wél te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels die dat optreden normeren zijn nageleefd. De verdediging heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat dit laatste het geval is geweest en dat de interceptie van de EncroChatdata mede onder verantwoordelijkheid van Nederland heeft plaatsgevonden omdat: Nederland heel nauw met Frankrijk in het JIT heeft samengewerkt en vanuit het JIT is gecommuniceerd dat het JIT een implant zou ontwikkelen op de EncroChattoestellen; Nederland de plannen van het Franse onderzoeksteam kende, er sprake was van een gedeelde Nederlands-Franse operatie en de Nederlandse diensten daarbij – zoals de toenmalige minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus het formuleerde – “voor op de bok” zaten; Nederland in de ‘live-fase’ van de interceptie onmiddellijk aan de opgevangen data had kunnen zien dat de Franse politie ook berichten opving van toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden. De rechtbank volgt de verdediging daarin echter niet. In een JIT wordt de directe samenwerking en communicatie tussen de deelnemende staten geregeld en daaronder valt ook het delen van de bevindingen die de deelnemende staat volgens zijn eigen regels van strafvordering heeft verkregen. Binnen een JIT wordt overlegd en afstemming gezocht, maar dat neemt niet weg dat de onderzoeksteams ieder voor zich binnen het JIT verantwoordelijk zijn en blijven voor de opsporingsmiddelen die zij conform hun eigen nationaal strafvorderlijk stelsel inzetten. Ook wanneer dus sprake is van een intensieve samenwerking houden de partners ieder volledig de eigen verantwoordelijk ten aanzien van de uitvoering van de eigen onderzoekshandelingen. Het participeren in een JIT maakt een deelnemer dan ook niet verantwoordelijk voor het justitieel handelen van (een van
  5. de)andere partners, ook niet wanneer men van de inhoud van dat onderzoek op de hoogte is en de hack gebruikers van EncroChat op Nederlands grondgebied zou kunnen treffen. Het feit dat de minister van Justitie en Veiligheid zich in de media heeft laten voorstaan op de omstandigheid dat Nederland bij dit onderzoek “voor op de bok” heeft gezeten zal uit een oogpunt van krachtdadigheid goed hebben geklonken, maar het weerspiegelt de (juridische) gang van zaken niet. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is dan ook onverkort van toepassing en brengt mee dat de Nederlandse strafrechter er op moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Indien de verdachten van oordeel zouden zijn dat de Franse rechter met het afgeven van de machtiging in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld, dienen zij dat via een andere weg aan te kaarten. Het analyseren en delen van de EncroChatdata door de Nederlandse onderzoeksteams De wijze waarop de resultaten daarvan vervolgens door de Nederlandse onderzoeksteams (26Lemont en later in Sartell) zijn geanalyseerd en verwerkt tot in het onderhavige dossier ligt wel ter toetsing voor. Het vertrouwensbeginsel is immers op dit deel van het onderzoek niet van toepassing: het betreft het onderzoek door de Nederlandse autoriteiten aan de gegevens die zij van Frankrijk hebben gekregen. De Nederlandse rechter dient te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het buitenlands onderzoek in de strafzaak gebruikt wordt gemaakt geen inbreuk maakt op het recht van de verdachte op een eerlijke proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Nederland krijgt als JIT-partner de beschikking over de door Frankrijk verkregen data en moet zich bij de verdere verwerking en het delen daarvan met andere onderzoeken rekenschap geven van mogelijke inbreuken die daarmee gepaard kunnen gaan. Omdat het onderzoeksteam in 26Lemont voorzag dat met de verkrijging en verwerking van de EncroChatdata vanuit Frankrijk mogelijk ook de belangen en rechten van een groot aantal Nederlandse gebruikers van de dienst betrokken zouden zijn, heeft het OM ervoor gekozen een rechterlijke toets te vragen voorafgaand aan de verkrijging en verwerking van de data. Het OM stelt daar op grond van de Nederlandse wetgeving strikt genomen niet toe gehouden te zijn geweest, maar deze stap omwille van de zorgvuldigheid te hebben gezet. Nu de wet niet voorziet in een machtiging voor exact deze situatie is aansluiting gezocht bij artikel 126uba en 126t Sv. De rechter-commissaris heeft het OM in dit verzoek ontvangen en een machtiging verleend. De rechter-commissaris heeft in de beschikking van 27 maart 2020 overwogen dat het aannemelijk is dat communicatie via EncroChat in een groot tot zeer groot aantal gevallen van gebruik betrekking heeft op ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband, dat het kennisnemen van die communicatie noodzakelijk is voor het onderzoek naar die feiten en dat het niet mogelijk was om op andere effectieve wijze, onderzoek te doen naar de die communicatie. Door middel van de aanvullende voorwaarden die door de rechter-commissaris zijn gesteld, is tevens voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De tekstdelen in de 126uba-beschikking van de rechter-commissaris van 27 maart 2021, die in verband met de bescherming van Frans staatsgeheim door het OM zijn zwart gelakt, zijn wel getoetst door de rechter-commissaris in een artikel 149b Sv procedure. Het vertrouwensbeginsel staat zoals eerder overwogen daarbij in de weg aan de toetsing van de rechtmatigheid van het handelen van de Franse opsporingsdienst door de Nederlandse rechter. De rechtbank ziet het – aan de interceptie door het Franse onderzoeksteam voorafgegane – verzoek van de officier van justitie in 26Lemont aan de rechter-commissaris tot afgifte van de 126uba Sv machtiging, als een adequate invulling om de door het recht op privacy beschermde belangen van de EncroChatgebruiker te waarborgen. Artikel 126uba Sv omvat immers de rechterlijke toets voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk, het onderzoek van dat geautomatiseerd werk inclusief de vastlegging en verwerking van de daarbij aangetroffen gegevens. De officier van justitie heeft derhalve als het ware ‘het meerdere’ gevraagd om ‘het mindere’ te kunnen laten toetsen. Deze toets is in de wet strikt genomen niet voorgeschreven. Dat neemt niet weg dat deze is aangelegd en daarmee een rechterlijke afweging is ingebouwd om de verwerking van de data met inachtneming van de relevante belangen te doen plaatsvinden. De rechtbank verwerpt de stelling dat geen enkel redelijk handelend rechter-commissaris tot afgifte van deze machtiging kon komen. Vanuit onderzoek 26Lemont is meerdere malen aangegeven dat dat onderzoek zich richt op de verdenking van strafbare feiten die door het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen zouden zijn gepleegd. Wil de verdenking tegen het bedrijf en de daaraan gelieerde personen hard gemaakt kunnen worden, zal ook bewezen moeten worden dat dat bedrijf opzettelijk criminelen faciliteert bij het plegen van ernstige misdrijven en moet dus onder meer duidelijk worden dat de klanten inderdaad de toestellen aanschaffen en gebruiken voor het plegen van die strafbare feiten. Ook het opzet van EncroChat en de daaraan gelieerde personen daartoe moet bewezen worden. Ook hiervoor is de communicatie van gebruikers, en de communicatie van de aan EncroChat gelieerde personen zelf (die ook dit soort toestellen gebruikten) van groot belang. De lijst met onderzoeken die aan de rechter-commissaris is overhandigd, betreft onderzoeken naar zware vormen van criminaliteit. De rechter-commissaris heeft dit afgezet tegen de betrokken belangen van individuele gebruikers en daarbij in aanmerking genomen dat een groot tot zeer groot deel van de gebruikers EncroChat gebruikt in relatie tot of ten behoeve van het plegen van ernstige, de rechtsorde verstorende, vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Dit brengt ook met zich mee dat de gevoerde communicatie veelal betrekking heeft op strafbare feiten en niet of nauwelijks op het privéleven van de gebruikers. De inbreuk die daarop wordt gemaakt, is derhalve relatief gering. Wanneer de gemaakte afweging en de geformuleerde voorwaarden in ogenschouw worden genomen, ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat geen redelijk handelend rechter-commissaris tot een machtiging zou hebben kunnen komen. Aan de hand van de door de rechter-commissaris geformuleerde voorwaarden heeft de zaaksofficier van justitie van 26Lemont de EncroChatdata vervolgens gedeeld met andere onderzoeksteams, mits deze hetzij op de lijst van strafrechtelijke onderzoeken van de rechter-commissaris stonden, hetzij daaraan later zijn toegevoegd door de rechter-commissaris. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarin verschillende onderzoeksteams onder leiding van het OM vrijelijk konden putten uit de gehele EncroChatdataset verkregen in 26Lemont. Nu de analyse van de data in 26Lemont en de selectie voor de verdere verstrekking aan Sartell is geschied overeenkomstig de 126uba Sv beschikking van de rechter-commissaris concludeert de rechtbank dat hierin niet alleen de door 6 van het EVRM beschermde belangen voldoende zijn meegewogen, maar ook dat de waarborgen van artikel 8 van het EVRM in acht zijn genomen en geen sprake is geweest van een onrechtmatige inmenging van het openbaar gezag in het privéleven van verdachte. Het dossier Sartell bevat daarmee alle noodzakelijke gegevens om te kunnen toetsen of het gebruik van de EncroChatberichten in een Nederlandse strafzaak al dan niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Er is hiermee dan ook geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms noch van een noodzaak om de verdediging in dezen te compenseren. Er zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de rechtbank kan afleiden dat er reden is om te veronderstellen dat het verwerken (analyseren en gebruiken) en verstrekken van de EncroChatdata naar en in de strafzaak tegen de verdachte onrechtmatig is geweest. De rechtbank merkt daarbij nog op dat, voor zover is nog bedoeld te stellen dat de EncroChatdata voor 10 april 2020 niet gedeeld hadden mogen worden, omdat de JIT-overeenkomst toen nog niet was getekend, dit geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de verstrekking. Deze wordt op gelijke gronden beoordeeld ongeacht de vraag of dit in het kader van een JIT plaats vindt. Het al dan niet geformaliseerd zijn van het een JIT maakt de ten aanzien van de verstrekking aan te leggen toets niet anders. Unierecht - Handvest De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van Encrochat-data in strafrechtelijke procedures zoals de onderhavige valt onder de werkingssfeer van het Unierecht en ook daarmee strijdig zou zijn. Met betrekking tot Richtlijn 2002/58 geldt dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 1, derde lid, van deze Richtlijn niet van toepassing is op verwerking van de EncroChatdata door de politie. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, vallen buiten het bereik van deze richtlijn. De EU-richtlijn 2016/680 beoogt te waarborgen dat gegevens die door rechtshandhavingsautoriteiten worden verzameld op een wettige en eerlijke wijze worden verwerkt, voor bepaalde legitieme doelen worden verzameld en verwerkt, en op passende wijze worden beschermd tegen ongeoorloofde en onrechtmatige verwerking. Deze richtlijn ziet ook op strafrechtelijke onderzoeken en is door Nederland geïmplementeerd met wijzigingen in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en daaronder vallende besluiten. Het is niet aannemelijk geworden dat dat de implementatie van de richtlijn onjuist of onvolledig zou zijn geweest, noch dat het verwerken van de EncroChatdata in strijd zou zijn met de in Nederland geïmplementeerde wetgeving. Tot slot is betoogd dat de wijze van bewaren en gebruiken van de EncroChatdata onrechtmatig zou zijn wegens strijd met de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest, artikel 17 van het IVBPR en met de Universele verklaring. Duidelijk is dat inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de EncroChat gebruikers. De bescherming die die bepalingen beogen te bieden tegen inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en de in artikel 8 van het EVRM bedoelde bescherming is nagenoeg vergelijkbaar. Dit brengt mee dat de hiervoor door de rechtbank gegeven beoordeling van de inbreuk op de privacy van de EncroChatgebruikers op vergelijkbare wijze kan worden toegepast op beoordeling van de inbreuk op door het Handvest geboden bescherming. De rechtbank verwijst hiernaar en acht dan ook de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer bij wet voorzien en geschied met inachtneming van de in het Unierecht neergelegde waarborgen. Schending artikel 6 van het EVRM ten aanzien van de controle van de gegevens/stukken Het recht op een eerlijk proces als beschreven in artikel 6 van het EVRM brengt met zich dat de verdediging toegang moet krijgen tot het bewijs en in beginsel ook tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek voor zover van belang in het onderzoek Sartell. De verdediging heeft gesteld dat zij die toegang onvoldoende heeft gekregen. Verzoeken tot verstrekking van stukken, waaronder Franse machtigingen en vorderingen, de JIT-overeenkomst stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de machtiging van de rechter-commissaris, zijn afgewezen. Dit is volgens de verdediging in strijd met de ‘equality of arms’. De Franse stukken De rechtbank heeft bij de beoordeling van de verzoeken om kennisname van stukken steeds voorop gesteld dat er sprake is geweest van een opsporingsonderzoek dat onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Op basis van het vertrouwensbeginsel zoals hiervoor uiteen is gezet, is het uitgangspunt dat de Nederlandse strafrechter er op moet vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Het beginsel van equality of arms brengt inderdaad met zich dat de verdediging toegang moet krijgen tot het bewijs (in deze zaak: de EncroChatdataset in Sartell) en in beginsel ook tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek Sartell. Dat er vanwege het beginsel van equality of arms een recht op kennisname zou bestaan voor de verdediging van stukken over het Franse opsporingsonderzoek en alle details van de internationale samenwerking in het onderzoek naar het bedrijf EncroChat en de daaraan gelieerde personen, zou echter geen ander doel dienen dan het toetsen van dat traject en betekenen dat de Nederlandse strafrechter alsnog via de omweg van artikel 6 van het EVRM de rechtmatigheid van het Franse strafrechtelijke optreden zou (kunnen/moeten) toetsen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Voor zover de verdediging het ontbreken van de verzochte stukken dus op zichzelf als een schending van artikel 6 van het EVRM heeft aangemerkt, stuit dat daarop af. Toegang tot de hele database 26Lemont? De verdediging heeft gesteld dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de volledige dataset die is verkregen in 26Lemont en dat ook dit betekent dat geen sprake is van equality of arms en daarmee sprake is van een inbreuk op artikel 6 van het EVRM. De rechtbank stelt voorop dat – ook gelet op andere te respecteren belangen – uit het beginsel van equality of arms niet voortvloeit dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen of als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methodes en resultaten van het onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om te controleren. Een opsporingsinstantie heeft een andere positie dan de verdediging. Het criterium is niet dat de verdediging dezelfde mogelijkheden moet hebben als de opsporingsinstantie, maar dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken, te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren. Het gaat om de effectieve controlemogelijkheden. De stelling dat de verdediging over dezelfde mogelijkheden als de politie zou moeten beschikken is derhalve onjuist. De rechtbank beschikt daar evenmin over. Zou de verdediging, zoals zij stelt, ongebreideld en ongecontroleerd toegang moeten hebben tot alle informatie waarover ook de politie kan beschikken, zou dat een onaanvaardbare inbreuk opleveren op het recht op privacy van alle andere personen dan de verdachte, van wie het gegevens betreft. Dat de verdediging niet de 26Lemont-datase onder ogen heeft gekregen brengt dus niet mee dat zij de onderzoeksresultaten in onvoldoende mate heeft kunnen onderzoeken en betwisten. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om de door de politie de in het onderzoek tegen de verdachte en zijn medeverdachten gebruikte dataset te doorzoeken. De volledige Sartell dataset heeft ter inzage bij het NFI gelegen en kon door de verdediging door middel van Hansken worden doorzocht. De zogenaamde eigen lijnen (dat wil zeggen de gesprekken van de EncroChat-accounts die aan de verdachten zijn toegeschreven) zijn verstrekt. Het betreft dezelfde dataset als die waarover de officier van justitie de beschikking heeft gehad. De verdediging heeft daarbij voldoende gelegenheid gehad (de selectie van) de bewijsmiddelen te controleren en haar zienswijze toe te lichten. Op hetgeen op dat punt naar voren is gebracht gaat de rechtbank hierna in. 6.3.3. De betrouwbaarheid van de EncroChatdata De verdediging heeft bestreden dat de EncroChatdata betrouwbaar en accuraat genoeg zijn om voor het bewijs te worden gebruikt, althans gesteld dat die betrouwbaarheid onvoldoende beoordeeld kan worden. Allereerst heeft de verdediging in dit kader gesteld dat de politie weliswaar heeft gecheckt of de in Nederland ontvangen berichten overeenkwamen met de in Frankrijk opgeslagen berichten, maar niet of de in Frankrijk opgeslagen berichten identiek zijn geweest aan de daadwerkelijk met de toestellen verzonden en daarop aanwezige chatberichten. De verdediging heeft daarbij gesuggereerd dat door de inzet van de interceptietool mogelijk veranderingen in de data zouden hebben kunnen plaatsgevonden, dat berichten aan andere accounts zouden zijn gekoppeld of dat bestanden niet juist zouden zijn gekopieerd. Zij hebben aan deze suggesties echter onvoldoende handen en voeten gegeven. De rechtbank heeft hiervoor al enige overwegingen gewijd aan de betrouwbaarheid van (de vergaring van) data in het algemeen en verwijst hiernaar. Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat altijd de theoretische mogelijkheid bestaat dat data door technische omstandigheden of menselijk ingrijpen beïnvloed worden. Een dergelijke algemene vaststelling is echter onvoldoende om aan te nemen dat de EncroChatdata op zich onbetrouwbaar zijn. Het dossier, noch de inhoud van de berichten biedt enige houvast voor de aanname dat de data door de interceptietool gemanipuleerd zouden zijn. De rechtbank heeft zich er voorts wel rekenschap van gegeven dat de EncroChatberichten die in het dossier zijn opgenomen niet alle compleet zullen zijn. De rechtbank merkt op dat dit – zonder volledigheid te willen nastreven – ook kan zijn veroorzaakt doordat vanwege de instelbare ‘burn time’-functionaliteit berichten van het toestel verwijderd kunnen zijn, ‘panic-wipe’ opdrachten zullen zijn gegeven, doordat de interceptietool mogelijke haperingen heeft vertoond, waardoor wellicht niet alle gesprekken vastgelegd zijn en uiteraard doordat het OM een selectie van de beschikbare gesprekken heeft gemaakt. Dat hier en daar informatie is weggevallen, maakt echter nog niet dat de informatie die er wel is daardoor als onbetrouwbaar moet worden beoordeeld. Mede gezien het feit dat de data niet compleet zullen zijn, gebruikt de rechtbank de EncroChatberichten slechts voor het bewijs indien de rechtbank overtuigd is van de juiste lezing van die berichten en wanneer die lezing voldoende steun vindt in de combinatie met andere gesprekken danwel ander bewijsmateriaal in de zaaksdossiers van Sartell. De verdachte is tijdens de politieverhoren en tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting geconfronteerd met de voor hem (meest) relevante EncroChatberichten en de mogelijke interpretatie daarvan, zodat voor hem de gelegenheid heeft bestaan – als dat door hem nodig werd geacht– uitleg te geven over die berichten en/of aan te geven dat een bepaalde weergave of interpretatie niet juist is. Deze gelegenheid heeft de verdachte niet benut. Evenmin is gesteld of gebleken dat relevante gesprekken ontbreken. De rechtbank heeft geconstateerd dat de communicatie tussen de verschillende accounts, zoals opgenomen in het dossier, niet abnormaal of onbegrijpelijk is verlopen. De conversaties sloten inhoudelijk naadloos op elkaar aan en de gebruikers waren doorgaans niet in verwarring over de vraag met welke persoon men communiceerde. Zelfs in gesprekken waarin het toestel op enig moment door een ander werd gebruikt was voor de ander snel kenbaar met wie hij sprak. Ook hier is geen begin van aannemelijkheid gebleken dat de berichten op forensisch onverantwoorde wijze zijn veiliggesteld of dat sprake is geweest van veranderde berichten of onjuist gekopieerde of weergegeven data. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de EncroChatberichten betrouwbaar zijn en voor het bewijs in deze zaak kunnen worden gebruikt. Fair trial, the proceedings as a whole (artikel van het 6 EVRM) Anders dan de verdediging heeft aangevoerd acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het OM in deze zaak bewust informatie heeft achtergehouden en zo de rechten van de verdachten heeft willen beknotten of de rechtbank of verdediging fout heeft willen voorlichten. Hoewel de rechtbank (evenals de verdediging) liever had gezien, al was het maar omwille van een voortvarend verloop van de strafzaak, dat het OM eerder meer scheutig was geweest met het verstrekken van de documenten rondom de verkrijging van de EncroChatdata, acht zij de terughoudende opstelling van het OM niet van dien aard geweest dat daarmee de procedure oneerlijk of in strijd met de regels van een behoorlijk proces is verlopen. De rechtbank heeft ook anderszins geen inbreuken geconstateerd die tot de niet ontvankelijkheid van het OM dan wel uitsluiting van het bewijs moeten leiden, noch heeft de rechtbank redenen om te constateren dat het proces als geheel niet zou voldoen aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het voorgaande leidt er toe dat ook deze verweren strekkende tot niet ontvankelijkheid van het OM dan wel bewijsuitsluiting worden verworpen. 6.3.4. Conclusie ten aanzien van alle EncroChatverweren De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. De EncroChatdata kunnen gebruikt worden voor het bewijs en de rechtbank zal dat ook doen. 7.Identificatie 7.1. PGPSafe Aan de verdachte zijn door de politie de volgende emailadressen toegeschreven die hij in verschillende perioden zou hebben gebruikt. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd ten aanzien van het gebruik van deze emailadressen. jaba651z@pgpsafe.net 9 november 2015 - 23 januari 2016 ecatepec@pgpsafe.net 3 maart 2016 - 26 april 2016 merida@pgpsafe.net 17 april 2016 - 27 mei 2016 advocaat@pgpsafe.net 20 mei 2016 - 1 juni 2016 De identificatie van deze emailadressen is in het dossier verantwoord in het proces-verbaal van identificatie. De identificatie is zakelijk weergegeven gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden: jaba651z@pgpsafe.net De gebruiker wordt door zijn contacten onder meer de volgende namen gegeven: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] ; De gebruiker noemt zichzelf onder meer [naam 11] , [naam 1] en [naam 12] ; De gebruiker heeft gesprekken met grijze@firstclasspgp.com (toegeschreven aan [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ), de oom moederszijde van de verdachte) over een Pegasusappartement dat een blok aan het been van [naam medeverdachte 4] zou zijn. [bijnaam medeverdachte 3] stelt voor het appartement voor € 215.000,-- te kopen. ecatepec@pgpsafe.net De gebruiker wordt door zijn contacten onder meer de volgende namen gegeven: [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 5] , [naam 11] , [naam 18] De gebruiker zegt in een gesprek met [naam medeverdachte 5] , die de gebruiker [naam 5] heeft genoemd, dat hij zijn naam moet wijzigen in zijn PGP. Vervolgens wordt de gebruiker ‘collega’ genoemd. [naam medeverdachte 5] vraagt de gebruiker om een lening. [naam medeverdachte 5] was ook een contact van jaba651z@pgpsafe.net. De gebruiker spreekt met [naam medeverdachte 6] @pgpsafe.net over het ophalen van grofvuil bij [naam medeverdachte 4] en grapt dat hij dacht dat het zijn kleren waren waarop [naam medeverdachte 6] @pgpsafe.net zegt dat daar Thaise voodoo mee is gedaan. merida@pgpsafe.net De gebruiker wordt door zijn contacten onder meer [naam 1] , [naam 19] , [naam 14] en [naam 17] genoemd. De gebruiker bericht op 17 april 2016 jaba612j@pgpsafe.net ( [naam medeverdachte 1] ) (toegeschreven aan de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: Van [naam medeverdachte 1] )) dat dit zijn nieuwe PGP is en dat hij met de lening bezig is. De gebruiker bericht eveneens op 17 april 2016 [naam medeverdachte 6] : nieuwe [naam 20] . De gebruiker wisselt berichten uit met 27glow393@pgpclass.li (toegeschreven aan de medeverdachte [naam medeverdachte 7] (hierna: [naam medeverdachte 7] ) die de contactnaam [naam 21] heeft over boten, lijnen, Maersk en Costa Rica. Er wordt dan ook een bericht gestuurd vanaf het adres ecatepec@pgpsafe.net met daarbij het bericht van de gebruiker dat luidt “zie wat ik je toen stuurde”, waarop wordt geantwoord: “Alleen in je vorige mail met je andere pgp staan die back up datum 's die aankomen in juni dat moet ik even vragen”. De gebruiker wisselt berichten met godfather@firsclasspgp.com (toegeschreven aan [naam medeverdachte 8] (hierna: [naam medeverdachte 8] )) waarin laatstgenoemde onder meer zegt dat er colos op zoek zijn naar [naam 22] . De gebruiker zegt daarop: naam klopt, [naam 10] klopt, [naam 23] klopt, ze hebben het duidelijk over mij. advocaat@pgpsafe.net De gebruiker wordt door zijn contacten onder meer [naam 1] , [naam 24] , [naam 17] , [naam 25] genoemd; De gebruiker vraagt een contact kohsamui@pgpsafe.net of hij in de buurt van zijn PGP is omdat hij daar informatie uit nodig heeft. Vervolgens wordt informatie vanaf merida@pgpsafe.net gestuurd naar advocaat@pgpsafe.net. De gebruiker bericht op 30 mei 2016 aan empire@pgpsafe.net dat hij die nacht is aangehouden in een auto van [naam 26] in Amsterdam. 7.1.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de genoemde emailadressen niet aan de verdachte kunnen worden toegeschreven en dat, indien dat wel zou gebeuren, niet kan worden vastgesteld dat ieder bericht van de emailadressen in de genoemde perioden door de verdachte zou zijn verstuurd. De verdediging heeft er op gewezen dat er geen locatiegegevens beschikbaar zijn van de telefoons en dat sommige adressen slechts gedurende een hele korte periode zijn gebruikt, waardoor extra voorzichtigheid geboden is. De verdediging heeft bovendien gewezen op de verklaring van [naam medeverdachte 7] bij de rechter-commissaris waarin hij heeft verklaard dat [naam medeverdachte 9] (hierna: [naam medeverdachte 9] ) zich wel eens voordeed als een ander persoon in de communicatie. Ten aanzien van het emailadres jaba651z@pgpsafe.net heeft de verdediging in het bijzonder gesteld dat de naam ‘ [naam 1] ’ op velen zou kunnen slaan en dat ‘ [naam 10] ’ ook op iets anders dan Costa Rica kan slaan. De verwijzing naar de ex-echtgenote ( [naam medeverdachte 4] ) is niet zonder meer logisch nu er ‘ [naam medeverdachte 4] ’ geschreven staat en dat het de oom van de verdachte was die gebruik maakte van het emailadres [bijnaam medeverdachte 3] @firstclasspgp.com staat niet zonder meer vast. Ten aanzien van het emailadres ecatepec@pgpsafe.net heeft de verdediging voorts gesteld dat er nu ook hele andere benamingen aan het account worden gegeven dan bij het account jaba651z@pgpsafe.net hetgeen er op wijst dat er mogelijk een ander persoon achter schuil gaat. De naam ‘ [naam 5] ’ is dermate algemeen dat dit niets zegt. Dat de verdachte een lening aan Van [naam medeverdachte 1] zou hebben verstrekt, blijkt niet uit het dossier en de verdachte en Van [naam medeverdachte 1] zijn geen collega’s van elkaar. Het is voorts onlogisch dat de verdachte een bericht in het Duits zou sturen ( [naam 1] überseite) en dat er kleding van hem bij zijn ex-echtgenote zou liggen. Ten aanzien van het emailadres merida@pgpsafe.net heeft de verdediging voorts gesteld dat er wederom andere namen aan gekoppeld zijn, waaronder de naam [naam 27] hetgeen heel vreemd is als dit adres door de verdachte zou worden gebruikt. Ten aanzien van het emailadres advocaat@pgpsafe.net heeft de verdediging er tot slot op gewezen dat de koppeling met het adres merida@pgpsafe.net niets zegt ten aanzien van de verdachte als de identificatie van merida@pgpsafe.net niet sluitend is. Voorts worden in het bericht van 30 mei 2016 van freshprince@pgpsafe.net geen namen genoemd en heeft [naam persoon 2] (hierna: [naam persoon 2] ) als getuige verklaard dat de bijnaam [naam 26] hem niets zegt. 7.1.2. De beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. jaba651z@pgpsafe.net Verdachtes voornaam is [naam 5] , hij is kaal en verbleef veelal in Costa Rica. De namen die contacten de gebruiker van dit adres geven en die hij gebruikt passen derhalve bij hem. Uit de bij de verdachte in beslaggenomen iPhone 8 blijkt dat ook zijn partner [naam medeverdachte 10] hem structureel [naam 1] of kleine [naam 1] noemt en dat [naam persoon 3] hem ‘ [naam 28] ’ noemt (hetgeen kleine kale man betekent). Uit de in de woning van [naam medeverdachte 11] inbeslaggenomen iPhone kan voorts worden afgeleid dat deze door de verdachte is gebruikt en dat verdachte zichzelf in Spaanstalige chats [naam 17] noemt. Daarnaast heeft de ex-echtgenote van de verdachte, [naam medeverdachte 20] (hierna: [naam medeverdachte 20] ) van Thaise komaf, die ook wel [naam medeverdachte 4] wordt genoemd, een appartement aan de Pegasusweg gehad dat op 27 oktober 2016 is verkocht aan [naam medeverdachte 3] voor een bedrag van € 209.650,--. De combinatie van gegevens maakt duidelijk dat met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 4] in de berichten, de ex-echtgenote van de verdachte wordt bedoeld. ecatepec@pgpsafe.net De aan de gebruiker gegeven namen vertonen sterke overeenkomsten met die van jaba651z@pgpsafe.net en in ieder geval komt het contact jaba612j@pgpsafe.net bij beide voor. Daarnaast wordt in de gesprekken wederom gesproken over [naam medeverdachte 4] , dit keer in combinatie met Thaise voodoo en de kleren van de gebruiker. Dit betreffen elementen die passen bij de ex-echtgenote van de verdachte. merida@pgpsafe.net De aan de gebruiker gegeven namen vertonen sterke overeenkomsten met die jaba651z@pgpsafe.net en ecatepec@pgpsafe.net. Uit de berichtgeving van de gebruiker blijkt dat dit een nieuw PGPSafe-adres is en dat de communicatie (bijvoorbeeld over de door [naam medeverdachte 5] gevraagde lening) via dit adres doorloopt. Uit de berichten met het aan [naam medeverdachte 7] – een contact met wie de verdachte in het voorjaar van 2017 geobserveerd is –- toegeschreven adres blijkt eveneens dat er een koppeling is met het eerder in gebruik zijnde adres ecatepec@pgpsafe.net. De berichtgeving met godfather@firstclasspgp.nl waarin de gebruiker wordt omschreven ( [naam 23] , [naam 10] , [naam 22] ) past precies bij de verdachte. advocaat@pgpsafe.net De aan de gebruiker gegeven namen vertonen sterke overeenkomsten met die jaba651z@pgpsafe.net, ecatepec@pgpsafe.net en merida@pgpsafe.net. Uit de berichtgeving met Kohsamui@pgpsafe.net van 27 mei 2016 kan worden afgeleid dat merida@pgpsafe.net door dezelfde persoon wordt gebruikt als advocaat@pgpsafe.net en dat de gebruiker van laatstgenoemd adres zich in Nederland bevindt. Tot slot blijkt uit onderzoeksbevindingen in de politiesystemen dat de verdachte op 30 mei 2016 in Amsterdam is aangehouden in een auto waarvan het huurcontract op naam van [naam persoon 2] staat. [naam persoon 2] heeft dit ook bevestigd in zijn getuigenverhoor van 10 december 2020. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van alle genoemde adressen – ook in onderlinge samenhang bezien – is komen vast te staan dat het de verdachte was die deze adressen gebruikte. Niet alleen de namen maar ook inhoud van die berichten vormen steun voor deze vaststelling. De stelling van de verdediging dat daarmee nog niet vast staat dat ieder bericht van deze adressen door de verdachte is verstuurd, wordt door de rechtbank gepasseerd. Indien en voor zover de verdachte daarnaast een ander gebruik zou hebben laten maken van zijn PGP telefoons, is het aan hem om daarover te verklaren zodat dit kan worden geverifieerd. De verdachte heeft dat evenwel niet gedaan. Hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Nu de rechtbank in de berichten geen aanwijzingen ziet voor de stelling dat de bedoelde adressen door meerdere mensen zijn gebruikt, gaat de rechtbank er van uit dat het de verdachte is die de in het dossier opgenomen berichten van deze adressen heeft gestuurd en/of ontvangen. 7.2. EncroChat Aan de verdachte zijn ook EnroChataccounts toegeschreven die hij in verschillende perioden zou hebben gebruikt. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd ten aanzien van het gebruik van deze accounts. De volgende EncroChat-accounts worden aan de verdachte toegeschreven: luxuryballoon@encrochat.com; [naam 32] @encrochat.com. De identificatie van het account [naam 29] @encrochat.com is in het dossier als volgt verantwoord: Uit onderzoek 26Lemont is gebleken dat het account luxuryballoon@encrochat.com (met gebruikersnamen [naam 29] en [naam 1] ) is gekoppeld aan IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] ; Uit historische gegevens blijkt dat IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] sinds 27 januari 2020 in gebruik is in combinatie met het telefoonnummer [telefoonnnummer] en sinds 28 januari 2020 in Spanje is; Aan de verdachte wordt het telefoonnummer [telefoonnummer] toegeschreven; Vergelijking van de zendmastgegevens van IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] en telefoonnummer [telefoonnummer] leidt tot de conclusie dat deze nummers in de periode van 24 april tot en met 10 mei 2020 vrijwel dagelijks gebruik maken van dezelfde zendmasten op min of meer dezelfde tijdstippen. Na 11 mei 2020 wordt van zowel het IMEI-nummer als het telefoonnummer geen communicatie meer geregistreerd. De identificatie van het account otherherder@encrochat.com is in het dossier als volgt verantwoord: Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] werd op 10 mei 20, te 20:22 uur voor het laatst gebruikt in de buurt van Barcelona, Spanje; Het telefoonnummer [telefoonnummer] reist van 10 tot en met 11 mei 2020 van Barcelona, Spanje richting Nederland reist ( [naam medeverdachte 11] is op 10 mei 2020 geliquideerd); luxuryballoon @encrochat had contact met [naam 35] @encrochat.com in het Engels. [naam 29] werd [naam 30] genoemd. Op 12 mei 20 krijgt [naam 35] @encrochat.com berichten in het Engels van otherherder@encrochtat.com. [naam 30] , [naam 31] . Alle contacten van otherherder@encrochat.com waren eerder contacten van luxuryballoon @encrochat.com. Als gebruikersnamen zijn aan [naam 32] : [naam 1] en [naam 32] gekoppeld. 7.2.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de (steeds) de gebruiker van deze accounts was. Ten aanzien van het account luxuryballoon @encrochat.com heeft de verdediging erop gewezen dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] is en betwist dat door dit telefoonnummer en IMEI-nummer steeds dezelfde zendmasten werden aangestraald. De verdediging heeft op een aantal concrete voorbeelden gewezen waarbij dit juist niet het geval zou zijn. Voorts heeft de verdediging er op gewezen dat de vergelijking over een zeer korte periode heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat uit de Whatsapp-gesprekken aangetroffen in de telefoon, die aan [naam medeverdachte 11] wordt toegeschreven, door geen van deelnemers van de conversatie gevoerd met het telefoonnummer eindigend op 0422 is benoemd dat het de verdachte was die hieraan deelnam. Ten aanzien van het account otherherder @encrochat.com heeft de verdediging gesteld dat, nu de identificatie van het account luxuryballoon @encrochat.com geen stand houdt, dit ook geldt voor de daarop voortbordurende identificatie van [naam 32] . 7.2.2. De beoordeling De rechtbank wijst er in de eerste plaats op dat het telefoonnummer [telefoonnummer] , dat in het dossier op basis van data gevonden in de telefoon van [naam medeverdachte 11] aan de verdachte is toegeschreven, ook staat opgenomen in de telefoon van [naam medeverdachte 12] met als contactnaam ‘ [naam 33] ’. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bedoeld telefoonnummer aan de verdachte kan worden toegeschreven. Dit telefoonnummer is uitsluitend gebruikt in een toestel met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] . De vraag is of ook het andere genoemde IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] aan de verdachte kan worden toegeschreven. Dit IMEI-nummer is immers gekoppeld aan het account luxuryballoon @encrochat.com. Er is dus sprake geweest van twee afzonderlijke toestellen. Gebleken is dat zowel het genoemde telefoonnummer als het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] beide van 27 op 28 januari 2020 naar Spanje zijn gereisd. Voorts blijkt dat beide na de liquidatie van [naam medeverdachte 11] uit de lucht zijn gegaan. Daarnaast is een vergelijking gemaakt van de zendmasten die zijn gebruikt door beide nummers in de periode van 24 april 2020 tot en met 10 mei 2020. In deze periode worden door beide nummers alleen zendmasten in Spanje aangestraald. De zendmasten bevinden zich in de omgeving van Sant Andreu de Llavaneres, Barcelona. Bekend is dat de verdachte daar verbleef. Uit het proces-verbaal van vergelijking blijkt dat op tien momenten is geregistreerd dat beide nummers gebruik maken van dezelfde zendmast waarbij de tijdspanne waartussen dat gebeurt wel varieert. In het proces-verbaal zijn ook zes momenten opgenomen waarin de nummers vlak na elkaar zijn gebruikt maar gebruik hebben gemaakt van verschillende zendmasten. De locaties zijn alle gelegen ten oosten en in de directe omgeving van Mataró (Barcelona, Spanje). De verdediging heeft ingezoomd op de momenten waarop de nummers vlak na elkaar gebruikt zijn maar gebruik hebben gemaakt van verschillende zendmasten. Uit het proces-verbaal blijkt dat deze momenten minuten na elkaar gelegen zijn (van vier tot tien minuten). Het gebied dat gebruikt van een zendmast is echter niet vast omlijnd, vanuit één locatie kunnen ook verschillende zendmasten worden aangestraald (afhankelijk van diverse omstandigheden, zoals de sterkte van het signaal en de beschikbare capaciteit van een mast, wordt door de telefoon automatisch overgeschakeld voor het beste bereik). De omstandigheid dat de twee nummers vlak na elkaar niet (meer) dezelfde zendmast aanstralen kan daarom de door de verdediging daaraan verbonden conclusie niet zonder meer dragen. Wanneer meer uitgezoomd en naar het geheel van gegevens worden gekeken, valt het ook de rechtbank op dat de twee nummers wel steeds in elkaars nabijheid zijn en dat deze ook relatief vaak gebruik maken van dezelfde zendmasten. In ieder geval zijn het steeds zendmasten uit dezelfde omgeving. Als nog verder wordt uitgezoomd, past het beeld van de nummers ook bij de verdachte. Het telefoonnummer is in gebruik genomen vlakbij de Ajaxstraat te Rotterdam, Nederland, waar hij veel verbleef, het verplaatste zich vervolgens, net als het IMEI-nummer naar Barcelona, Spanje, waar hij in Sant Andreu de Llavaneres ten minste een woning tot zijn beschikking had. [naam 29] heeft in april 2020 contact met [schuilnaam medeverdachte 11] (toegeschreven aan [naam medeverdachte 11] ) en [schuilnaam medeverdachte 12] (toegeschreven aan [naam medeverdachte 12] )) over het verkopen van een Brabus. Deze informatie past ook bij de informatie uit de onder [naam medeverdachte 11] in beslaggenomen telefoon, waaruit blijkt dat hij veel werkzaamheden verrichtte voor de verdachte, waaronder de aan- en verkoop van auto’s, waaronder een Brabus. In de nacht van 10 mei 2020, de dag waarop [naam medeverdachte 11] is dood geschoten, reist de verdachte naar Nederland en zijn beide nummers zoals hiervoor reeds aangehaald niet meer in gebruik. Het account [naam 29] gaat uit de lucht en één van zijn gesprekspartners ( [naam 35] ) wendt zich vervolgens tot [schuilnaam medeverdachte 12] om te informeren naar [naam 30] , zoals [naam 29] door hem werd genoemd. Niet in geschil is dat [naam medeverdachte 12] (die als de gebruiker van het account [schuilnaam medeverdachte 12] is geïdentificeerd) – evenals [naam medeverdachte 11] dat tot aan zijn dood was – een belangrijke naaste van de verdachte is. Na een aantal dagen gaat de conversatie verder met een nieuw account, te weten [naam 32] ( [naam 36] ). Uit de gesprekken van [naam 29] en [naam 35] blijkt dat zij sinds begin april 2020 vrij uitgebreid spreken over een conflict dat [naam 29] heeft met iemand die [naam 37] wordt genoemd. Deze persoon zou volgens [naam 29] hem en zijn mensen ook willen vermoorden. Er wordt gesproken over mogelijke manieren om met dit conflict om te gaan. [naam 29] wordt door [naam 35] steeds [naam 30] genoemd. Na de liquidatie van [naam medeverdachte 11] spreekt [naam 35] verder met [naam 32] , die hij [naam 30] noemt. Er wordt gesproken over wat er is gebeurd en [naam 32] geeft aan dat hun hitters op hem en zijn belangrijkste mensen zijn. Er wordt verder gesproken over mogelijke reacties op wat er is gebeurd. Het is voor de rechtbank volstrekt helder dat de gesprekspartner van [naam 35] voor 10 mei 2020 ( [naam 29] ) dezelfde is als de gesprekspartner daarna ( [naam 32] ). En zoals uit het proces-verbaal van identificatie blijkt, zijn ook de andere gesprekspartners van [naam 29] , contacten van [naam 32] geworden. De officier van justitie heeft er tot slot terecht op gewezen dat zowel de gebruiker van het telefoonnummer als [naam 29] , merida@pgpsafe.net, ecatepec@pgpsafe.net en advocaat@pgpsafe.net beiden het woord ‘straks’ op dezelfde afwijkende manier schrijven, te weten: strax. Dit past bij de vaststelling dat het telefoonnummer, dit EncroChataccount (en daarmee ook het daaropvolgende account) en de PGPSafe-adressen alle door de verdachte werden gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het de verdachte was die gebruik maakte van de accounts [naam 29] en [naam 32] . Er zijn geen concrete aanwijzingen dat ook een ander deze accounts gebruikte en de verdachte heeft daarover niets verklaard. Bij die stand van zaken gaat de rechtbank er van uit dat alle berichten van en naar deze accounts van de verdachte afkomstig en voor hem bestemd waren. De rechtbank overweegt in aanvulling op het voorgaande dat in het onderzoek Sartell ten aanzien van de verdachte en onderstaande medeverdachten ook PGP(Safe)-adressen en/of EncroChat-accounts zijn geïdentificeerd. Omwille van de duidelijkheid neemt de rechtbank hieronder op welk emailadres of -account is toegeschreven aan welke verdachte: Naam verdachte PGPSafe EncroChat [naam verdachte] jaba651z@pgpsafe.net ecatepec@pgpsafe.net merida@pgpsafe.net advocaat@pgpsafe.net luxuryballoon @encrochat.com otherherder @encrochat.com [naam medeverdachte 12] mysticsteak @encrochat.com sonicjaw@encrochat.com vuittonsport@encrochat.com [naam medeverdachte 1] jaba612j@pgpsafe.net [naam medeverdachte 7] 27glow393@pgpclass.li malaman@powerpgp.net losangeles@pgpsafe.net [naam medeverdachte 2] champion@blackpgp.com 83mega826@pgpsafe.li [naam medeverdachte 13] jaja@pgpsafe.net [naam medeverdachte 14] [naam 47] @encrochat.com Bij vonnis van heden zijn ten aanzien van de verdachte en voornoemde medeverdachten deze identificaties vastgesteld. De rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis de betreffende personen zoveel mogelijk bij naam noemen in plaats van de aanduiding per emailadres of accountnaam. De rechtbank overweegt voorts dat de verdediging daar waar zij inhoudelijk verweer heeft gevoerd ten aanzien van de zaaksdossiers, veelal primair vrijspraak heeft bepleit in verband met de stelling dat de betreffende PGPSafe-adressen/EncroChat-accounts niet aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Nu de rechtbank dit standpunt heeft verworpen in de hiervoor opgenomen overweging, zal dat primaire standpunt niet steeds opnieuw worden benoemd en verworpen. 8.Zaaksdossier Scan (feit 1) Op 1 juni 2016 is in de haven van Rotterdam een lading van 3.776 kg cocaïne inbeslaggenomen. De lading is aangetroffen in container [containernummer 1] welke container op 14 mei 2016 in Costa Rica is geladen op de [naam schip 1] en op 30 mei 2016 aan kwam in Rotterdam. De container was geladen met fresh pineapple, de importeur was [naam bedrijf 2] . (hierna: [naam bedrijf 2] ), de expediteur [naam bedrijf 3] . (hierna: [naam bedrijf 3] ) en de transporteur [naam bedrijf 4] . (hierna: [naam bedrijf 4] ) Na het vrijgeven van de container (met daarin geplaatste monsters, dummymateriaal en opnameapparatuur) is de container op 3 juni 2016 in opdracht van [naam bedrijf 4] opgehaald en gebracht naar het terrein van Freshgard te Barendrecht. Uit onderzoek is gebleken dat de container onderdeel uitmaakt van een serie van in totaal 16 containers met ananassen die op naam van [naam bedrijf 2] zijn besteld door [naam medeverdachte 2] bij dezelfde afnemer. [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] , bedrijven van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , verzorgen daarbij steeds de afhandeling en het transport (al dan niet door inschakeling van een derde transporteur). De kosten met betrekking tot deze bestellingen zijn niet door [naam bedrijf 2] maar door [naam bedrijf 5] . (hierna: [naam bedrijf 5] ), een bedrijf van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] , betaald. De ananassen zijn door [naam bedrijf 5] doorverkocht. De kosten zijn door [naam bedrijf 5] voldaan vanaf een bankrekening waarop in de periode 26 februari 2016 – 30 mei 2016 26 kasstortingen zijn gedaan van in totaal € 156.410. De afschrijvingen van deze rekening betreffen betalingen aan de leverancier van de ananassen voor een bedrag van € 153.895,12. 8.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van dit zaaksdossier uitsluitend gesteld dat vrijspraak dient te volgen omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (steeds) de gebruiker was van de emailadressen jaba651z@pgpsafe.nete, ecatepec@pgpsafe.net, merida@pgpsafe.net en advocaat@pgpsafe.net. 8.2. De beoordeling Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen gaat de rechtbank er van uit dat het de verdachte was die gebruik maakte van de genoemde emailadressen en dat het berichtenverkeer van deze adressen van de verdachte afkomstig en voor hem bestemd was. Wanneer de communicatie van de verdachte via deze emailadressen wordt bezien, staat vast dat de verdachte degene was die achter de invoer van deze lading cocaïne zat en daarvoor samenwerkte met anderen, onder meer de medeverdachten [naam medeverdachte 7] , Van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] maar ook [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 8] . Uit het berichtenverkeer blijkt onder meer dat de verdachte in april 2016 [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 8] boten noemt waarop hij wil werken/laden, waaronder de hiervoor genoemde [naam schip 1] , vertrek 14 mei/ETA 30 mei. In de berichten van eind mei 2016 beschrijft de verdachte exact hoe de lading is verpakt, welke droogstempels er op zitten en hoe de lading is verdeeld, inclusief een kostenoverzicht. Deze beschrijving past exact bij de op 30 mei 2016 aangetroffen lading cocaïne. De verdachte spreekt voor 30 mei 2016 regelmatig met [naam medeverdachte 7] over de streep (de rechtbank begrijpt dat daarmee een corrupt contact in de haven, mogelijk douanier wordt bedoeld) waarmee laatstgenoemde in contact zou staan. De verdachte communiceert vanaf eind mei 2016 ook met contacten over de uithaal, waaronder met medeverdachte [naam medeverdachte 13] . De verdachte geeft instructies en geeft ook de informatie door over de lading, de verpakking en de verdeling. Zodra op 30 mei 2016 bekend wordt dat er een blokkade op de container zit, communiceert de verdachten hierover met de diverse contacten. [naam medeverdachte 7] gaat navragen hoe dit kon gebeuren en ook [naam medeverdachte 8] meldt zich bij de verdachte en wil precies weten hoe het zit. Het is duidelijk dat de spanning hoog is bij diverse betrokkenen. De verdachte geeft aan [naam medeverdachte 9] opdracht uit te laten zoeken of de betalingen zijn gedaan en of er geen fout is gemaakt. [naam medeverdachte 7] geeft door hij heeft begrepen van zijn contact dat er op het laatste moment een tip is geweest. De verdachte zegt [naam medeverdachte 8] dat [naam 38] en [naam medeverdachte 5] hun PGP moeten weggooien. De verdachte stuurt in de nacht van 30 op 31 mei 2016 diverse uithaalscenario’s naar onder andere [naam medeverdachte 8] en [naam medeverdachte 7] . Als blijkt dat allebei de containers zeker naar de scan gaan, zegt de verdachte tegen [naam medeverdachte 7] dat streep aan tafel moet komen. Op grond van het berichtenverkeer, dat hiervoor – bij gebreke van een inhoudelijk verweer – summierlijk is besproken, is o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.